Beweging en motorische velden

Inleiding

Naast de groeibeweging treden bij organismen ook spontane bewegingen op die al dan niet het gevolg zijn van prikkels uit de omgeving. 
Daarnaast treden nog passieve bewegingen op ten gevolge van grove natuurkrachten: bv.de wind die door de bladeren van een boom waait.

Speciale zintuigen reageren op chemische (bv. aanwezigheid van een bepaalde stof), natuurkundige (bv. lichtinval) of mechanische prikkels (bv. aanraking) en zorgen voor een vormverandering die het organisme ten goede komt.

Een zonnebloem volgt gedurende de hele dag nauwgezet de zonnestand.
Madeliefjes  vouwen 's ochtens hun bloempjes open en sluiten ze 's avonds weer.
Bepaalde vleesetende planten sluiten hun bladeren bij aanraking van drukgevoelige haartjes op hun bladeren: Deze mechanische prikkel zorgt voor een elektrische stroom naar de bladgewrichten toe, die er dan voor zorgen dat de prooi gevangen wordt.
Kruipende amoeben bewegen zich voort door in een bepaalde richting  te groeien, wanneer het door aanraking weerstand ondervindt, zal het groeien in die richting stoppen en zal de groei worden voortgezet in een andere willekeurige richting.
Zwevende amoeben groeien in verschillende richtingen, wanneer ze een oppervlak raken, herorganiseren ze zich tot een kruipende amoebe

De chreode

De chreode zorgt niet enkel voor de differentiatie in de eindtoestand, maar er kan ook regularisatie optreden, zodat dezelfde eindtoestand bereikt wordt langs andere tussenstadia.

Bij hogere organismen zijn de mechanismen veel complexer. De zintuigelijke impulsen worden via een zenuwstelsel vervoerd en resulteren in reflexen of bewust gestuurde bewegingen uitgaande van een controle-orgaan. Zulk controle-orgaan is ook in staat om in afwezigheid van de externe prikkel een beweging te initiëren.

In de hersenen is elke zenuwcel via fijne kanaaltjes verbonden met verscheidene honderden andere hersencellenen uitlopers van zenuwen. Deze kanaaltjes kunnen prikkelbevorderend of prikkelremmend geladen worden. Afhankelijk van het evenwicht tussen beiden zal de prikkel als actief of inactief ervaren worden door de cel. De hersencel maakt deel uit van een bepaald deel van de hersenen. Indien in dat deel van de hersenen de prikkel in het merendeel van de cellen als actief wordt ervaren, zal de prikkel door het hele organisme als actief ervaren worden. Op deze manier wordt de ervaring niet gedetecteerd door 1 cel, maar wordt het een gedistribueerde ervaring. Hierdoor verliest een organisme geen ervaringen als er een deel van de hersenen beschadigd wordt.

Morfogenetische en motorische velden

Hoewel de velden die de motorische bewegingen van dieren coördineren, eigenlijk morfogenetische velden zijn, worden ze eerder als motorische velden beschouwd omdat ze geen blijvende vormveranderingen teweeg brengen.

De begrippen en eigenschappen die onder de morfogenetische velden aan het bod komen, zijn hierdoor ook rechtstreeks van toepassing op de motorische velden. Er is dus ook sprake van motorische resonantie en de gekanaliseerde route die tijdens de beweging gevolgd wordt, kan ook als een chreode beschouwd worden.

De levensnoodzakelijke bewegingen zijn zo sterk gekanaliseerd dat ze in de meeste gevallen volledig onbewust verlopen. De bewegingen van maag en darmen tijdens het verteringsproces wordt onbewustgestuurd. De continue beweging van het middenrif en de borstkas zorgen voor een vlotte ademhaling, zelfs gedurende de slaap. De resonantie met de motorische velden is zo sterk dat het eerder moeite vraagt om de bewegingen te vermijden.

Het veld van de voeding

Om hun vorm te behouden en om te groeien zijn dieren genoodzaakt om andere organismen op te eten. Het veld van de voeding is één van de belangrijkste velden die dieren overkoepelt. 
Dit veld is hiërarchisch verdeeld in verschillende sub-velden, die betrekking hebben op verschillende groepen dieren: Er zijn planten-eters en vlees-eters. Alles-eters kunnen met deze beide velden in resonantie komen.
En binnen deze velden zijn er nog verdere velden aanwezig, die afhankelijk zijn van de manier waarop de verschillende diersoorten hun eten bekomen:

Er zijn er die hun prooi besluipen
Er zijn parasieten
Er zijn dieren die vallen uitzetten
Er zijn dieren die gewoon zijn dat het eten hun gewoon wordt gebracht
Er zijn er die jagen (in dit subveld zijn er nog veldere subvelden i.v.m. de techniek die gebruikt wordt)
op het zicht
op het gehoor
het volgen van een geurspoor
d.m.v. ultrasone geluiden (bv. de vleermuis)
d.m.v. elektrische schokken (bv. sidderaal)
d.m.v. dodelijk of verlammend gif

Het veld van de bescherming

Naast het veld van de voeding is het veld van de bescherming een zeer belangrijk veld.
Ook hier zijn vele sub-velden van toepassing, afhankelijk van de manier van reageren:

Op de vlucht slaan
Camouflagevormen en kleuren aannemen
Verstijven (bv. wandelende tak)
Verstoppen
Groeperen met andere soortgenoten om groter te lijken
Door plotse verspreiding de tegenstander in de war brengen
Door vorm of kleurverandering de tegenstander afschrikken
Inktwolk spuiten om het zicht te vertroebelen
vermijden van de tegenstanders

Camouflagemogelijkheden van een octopus

Bepaalde octopus-soorten zijn echte meesters in het camoufleren en misleiden, ze nemen zowel de kleur, vorm en het gedrag over van het dier dat ze immiteren. bv. een zwartwit-gestreepte slang is een zeer giftige soort. Als bescherming geeft hij alle acht zijn armen dit zwart/wit gestreepte patroon en steekt als er een belager aankomt alle acht zijn armen dreigend omhoog, zoals de slang het zou doen.
Of hij immiteert een gewone bot (giftige platvis-soort). Hij past zijn kleur en zwemstijl aan. Hij vormt zijn acht armen zo, zodat het precies lijkt of het één egaal lijf is en zwemt dan rakelings over de zeebodem.
Hij is zelfs in staat om naast zee-egels een onopvallende plaats in te nemen. Hij duwt zijn huid in allemaal grove stekels, zodat er van ver moeilijk een onderscheid kan gemaakt worden.
Als hij zich verschuild in een spleet, is hij in staat om op een arm, die voor de toegang ligt een patroon te maken (ogen en mond) , zodat het voor een buitenstaander lijkt alsof er een veel grotere roggesoort op de loer ligt.

Resonantie met verschillende motorische velden

Elk orgamisme treedt in resonantie met één of meer van deze sub-velden.
Met welk sub-veld het in resonantie treedt hangt af van de frequentie dat dat veld in het verleden gebruikt werd. De velden die de overleving van het organisme stimuleren worden op deze manier spontaan bevoordeeld.

Als een dier van verschillende technieken kan gebruik maken (dus in resonantie kan treden met verschillende motorische velden), zal de motorische kiem bepalen welke techniek gebruikt wordt. 
Een beer zal een vis op een andere manier te lijf gaan dan wanneer hij een hert wil overmeesteren.
Indien de kiem geen aanleiding geeft tot een specifieke resonantie, dan zal een toevalsfactor bepalen welke techniek er gebruikt wordt. Deze toevalsfactor wordt dynamisch bijgesteld afhankelijk van het success of het falen van de techniek. Op deze manier wordt de éénlijnigheid in de aanvals- en verdedigingstechnieken gebroken. Als dezelfde aanvalstechniek steeds gebruikt wordt, dan zal de aangevallene hierop voorbereid zijn en in staat zijn om op de ideale manier erop te anticiperen, waardoor het voor de belager steeds moeilijker wordt om succes te boeken. Hierdoor kan het verrassingseffect van de uitvoering van een totaal andere techniek, die normaal veel minder efficient is, toch leiden tot betere resultaten.

Resonantie-hiërarchie

Bij motorische velden is de resonantie met dezelfde bewegingen, die hetzelfde organisme heeft uitgevoerd doorslaggevend. 
Verder is de resonantie met naaste familie een tweede belangrijke inspiratiebron.
tenslotte is er een expliciete, minder uitgesproken resonantie met alle organismen van hetzelfde ras of dezelfde soort.
In deze context kunnen ook begrippen als instinctief en aangeleerd gedrag bekeken worden.

Resonantie sequenties

Motorische velden kunnen ook op een andere manier gestructureerd zijn.
Het algemene veld van de vermenigvuldiging van de soort, bevat subvelden voor:

het zoeken van een partner
het imponeren van de partner
de vorming van een koppel
de bevruchting van de ei-cellen
het beschermen van het legsel
het opvoeden en beschermen van de jongeren

In dit geval worden de verschillende velden sequentieel actief.
Het bereiken van de eindtoestand van het ene veld is de kiem voor het volgend veld.

Sterk georganiseerde samenlevingsverbanden

In sterk georganiseerde samenlevingsverbanden, zoals bijenkorven, termietenhopen en mierennesten, is een globaal morfogenetisch veld aanwezig dat voor de organisatie van de samenleving zorgt.
Binnen zo een samenleving moeten er individuen instaan voor:

de bewaking
de verzorging van het broedsel
het schoonmaken van het nest
het verzamelen van voedsel
het bewaren van het voedsel
de opvoeding van de jongeren

Eenzelfde individu kan afhankelijk van de organisatie van het nest, de ene dag zorgen voor voedsel, een andere dag zich afstemmen op het veld van de bewaking van het nest, en daarna in resonantie treden met het veld van de opvoeding van de jongeren.
Het hogere orde veld zorgt voor de verdeling van de taken. De individuen worden in resonantie gebracht met het veld van de alle vorige individuen die deze taak uitvoerden.
De omschakeling van resonantie tussen het ene veld en het andere kan zeer snel gebeuren.
Indien de taak grotendeels volbracht is zal de resonantie met het veld afnemen.
Als er al genoeg voedsel verzameld is, zal het individu meer vatbaar worden voor de resonantie met andere velden. Indien het een onbewaakte uitgang ziet, zal dit als kiem dienen om onmiddellijk de taak van bewaker op te nemen. Het zien van wanorde zal ze onder invloed brengen van het veld van de schoonmakers.

Zelfs in samenlevingen waar ieder individu zijn eigen taak uitvoert, treedt regularisatie op als een deel van de individuen met een bepaalde taak verwijderd worden. 
Zulke regulariserende werking kan zeer moeilijk in termen van DNA-informatie verklaard worden, een hogere orde gedragsbepalende factor dringt zich hier onherroepelijk op.

In dit geval zorgt het hogere orde veld ervoor dat de kracht van een bepaald sub-veld afneemt, naar mate het doel meer bereikt wordt, en een bepaald sub-veld versterkt wordt als het verder van zijn einddoel verwijderd geraakt.

 

Deze uiteenzetting is gebaseerd op het negende hoofdstuk van het boek "Een nieuwe Levenswetenschap" van Rupert Sheldrake, waar het meer uitgewerkt werd.