Plaatsing
en afwerking
Plaatsing van de leidingen
Plaats de leidingen op zichtbare wijze of in open kokers.
Als dit niet mogelijk is, plaats dan de fitting zó dat ze gemakkelijk
bereikbaar blijft. Om corrosie te vermijden mogen leidingen, ingewerkt in de muur, niet in
aanraking komen met de bewapening van het gebouw of met andere leidingen.
Beperk het aantal fittingen en lassen tot een minimum.
Knelfittingen zijn niet toeglaten in een muur, plafond of onder een
vloer. Plaats leidingen nooit in spouwen of tussen twee wanden. Plaats ze trouwens
ook nooit in een afvoerkanaal van verbrandingsproducten, riolering, lucht,
huisvuil en liftkokers. Enkel in toegankelijke kruipruimten zijn leidingen en knelfittingen
toegelaten.
Uitvoering en afwerking
Plaats de buizen met zo weinig mogelijke richtingsveranderingen. Ze moeten
zich horizontaal op minimum 5 cm boven het vloeroppervlak bevinden. Kranen moeten altijd gemakkelijk bereikbaar blijven.
Bij een niet geplaatst toestel is een metalen geschroefde stop verplicht op
het uiteinde.
De stijgleidingen moeten één enkel vlak vormen.
Wanneer een stijgleiding verschillende verblijfseenheden bedient, dan moet
er bij elke eenheid een afsluitkraan
worden voorzien.
Bij doorgangen van :
* een buitenmuur is het verplicht een mantelbuis te
plaatsen. Het open
* resterende gedeelte van de mantelbuis moet
opgevuld worden (geen plaaster of
vulkanisch cement !).
* een vochtige vloer moet een mantelbuis voorzien
worden die 5 cm boven de vloer uitsteekt.
De identificatie van de gasleiding gebeurt door een okergele kleur aan te
brengen op de buizen. De buizen moeten altijd bestaan uit een corrosiebestendig
materiaal of beschermd worden tegen corrosie door een oppervlaktebehandeling
(verf). Op schema’s duid je aan waar de buizen zich bevinden zodat bij latere werken
geen ongelukken gebeuren.