KB 7 mei 2000 (bron
: Belgisch Staatblad)
7 MEI 2000. - Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 105 tot 113 van het Algemeen Reglement op de Elektrische
Installaties
« Art. 105 - GEVAARLIJKE ZONES
01. Bepalingen
Iedere ruimte van ondernemingen, die personeel tewerkstellen dat onder toepassing valt van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, waar gevaar voor ontploffing bestaat wordt geklasseerd, volgens de regels van goed vakmanschap, in een zone 0, 1 of 2, naargelang de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn in deze ruimten van een ontplofbaar mengsel van gas, damp of nevel en van lucht.
Deze zones worden als volgt ingedeeld :
ZONE 0 : ruimte waar de atmosfeer bestendig of gedurende lange periodes
ontplofbaar is of waar hetzij, gedurende lange perioden, hetzij gedurende korte maar veelvuldig voorkomende perioden een ontplofbare atmosfeer verwacht wordt.
ZONE 1 : ruimte waar zich tijdens de normale werking van de installaties
periodiek of toevallig een ontplofbare atmosfeer kan vormen.
ZONE 2 : ruimte waar het bestaan van een ontplofbare atmosfeer
weinig waarschijnlijk is bij normale werking en waar deze
slechts korte tijd zou blijven bestaan in geval ze zich toch zou vormen.
02. Vaststelling
De gevaarlijke zones worden bepaald op grond van de door de uitbater verstrekte gegevens (plaats van de ontsnappingsbronnen, kenmerken van de ontsnapte producten).
Deze gegevens worden omschreven in een omstandig verslag en vermeld op een of meerdere plannen van het bedrijf of van de installatie.
Deze plannen worden goedgekeurd en geparafeerd door de uitbater of zijn afgevaardigde, door de vertegenwoordiger van het erkend organisme bedoeld in artikel 275
en door de met het toezicht belaste ambtenaar.
03. Algemene preventiemaatregelen
Maatregelen worden genomen om de uitgestrektheid van de gevaarlijke zones tot een strikt minimum te herleiden en het gebruik van elektrisch materieel in deze zones zoveel mogelijk te beperken.
Art. 106 - KEUZE VAN HET ELEKTRISCH MATERIEEL
01. Elektrische leidingen
In de ontploffingsgevaarlijke ruimten, zoals bepaald in artikel 105 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, zijn enkel de hierna vermelde
elektrische leidingen toegestaan :
- de gewapende kabels, waarvan de wapening geaard is en die een niet-metalen buitenmantel omvatten, zoals de kabels van het type
VFVB;
- de niet gewapende kabels met een buitenmantel in kunststof, zoals de kabels van het type
VVB, op voorwaarde dat ze worden beschermd door een stalen buis of door een andere evenwaardige voorziening
op alle plaatsen waar ze aan mechanische beschadiging zijn
blootgesteld;
- de leidingen met minerale isolatie met een geaarde metalen mantel en een
niet-metalen buitenmantel;
- de soepele kabels met versterkte mantel, zoals de kabels van het type CTFB-N, op voorwaarde dat hun aanwezigheid
aanvaardbaar is voor de aanwezige uitwendige
invloeden.
Andere elektrische leidingen dan deze hiervoor bepaald mogen worden gebruikt indien ze tenminste gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden.
De in bundels geplaatste elektrische leidingen zijn van het niet-brandverspreidend type.
02. Elektrische machines of toestellen
Elektrische machines of toestellen worden gekozen in functie van het type van elke gevaarlijke zone en van de kenmerken van het ontplofbaar mengsel van gas, damp of nevel en van lucht.
De beschermingswijzen voor elektrische machines of toestellen, zonder inwendige lekkagebron, worden bepaald in functie van het zonetype aanwezig omheen het elektrisch materieel en zijn aangegeven in de volgende tabel :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld bij de website van het belgisch
staadsblad.
De beschermingswijzen voor elektrische machines of toestellen met inwendige lekkagebron, worden bepaald in functie van de zone met het laagste ranggetal aanwezig, hetzij binnen hetzij buiten het elektrisch materieel.
Draagbare en verplaatsbare elektrische machines en toestellen met de beschermingswijze EEx "o" mogen niet worden gebruikt.
De Ministers die respectievelijk Energie en Arbeidsveiligheid onder hun bevoegdheid hebben kunnen ieder voor wat hem betreft, bij besluit, andere beschermingswijzen vastleggen voor elektrische machines en toestellen die in elke zone toegelaten zijn.
Aangaande het elektrisch materieel moet de uitbater aan het erkende organisme en de met het toezicht belaste ambtenaren de nodige conformiteits- en/of controlecertificaten kunnen voorleggen.
Voor intrinsiek veilige installaties moeten ofwel systeemcertificaten ofwel een systeembeschrijving, opgesteld door de systeemontwerpers, kunnen worden voorgelegd.
Het certificaat wordt afgeleverd door een erkende instelling die wordt aangewezen door de Ministers die respectievelijk Energie en Arbeidsveiligheid onder hun bevoegdheid hebben.
Elke herstelling van elektrische machines of toestellen, gebouwd volgens één van de hiervoor vermelde beschermingswijzen, die de erdoor geboden beschermingskenmerken niet wijzigen, wordt uitgevoerd door :
- hetzij de fabrikant;
- hetzij een gespecialiseerde werkplaats onder toezicht van de fabrikant of een erkend organisme.
Wanneer de herstelling een wijziging van de beschermingskenmerken voor gevolg heeft, zal de herstelde elektrische machine of toestel worden onderworpen aan een nieuw onderzoek door een certificatie-instelling.
Art. 107 - INSTALLEREN VAN ELEKTRISCH MATERIEEL
01. Installeren en onderhouden van elektrische machines en toestellen
Het installeren en onderhouden van elektrische machines of toestellen, gebouwd volgens één van de in artikel 106 vermelde beschermingswijzen, dient te geschieden door bevoegd personeel, dat de bijzondere vereisten voor installatie en onderhoud eigen aan dit materieel kent.
02. Installeren van elektrische leidingen
Bij het installeren van elektrische leidingen dient rekening te worden gehouden met het vastgelegde zonetype volgens artikel 105 evenals met de andere uitwendige invloedsfactoren, waaronder de mechanische, chemische en thermische factoren.
Constructieve maatregelen moeten zijn genomen om te verhinderen
dat ontploffingsgevaarlijke gassen zich kunnen :
a verplaatsen via buizen, kokers, kabelgoten of -kanalen van een ontploffingsgevaarlijk gebied naar een niet-onploffingsgevaarlijk gebied;
b) ophopen in buizen, kokers, kabelgoten of -kanalen.
Wanneer buizen gebruikt worden als beschermingsgeleider moet gelijktijdig worden voldaan aan de hierna vermelde vereisten :
a) de schroefverbindingen moeten de elektrische continuïteit verzekeren en
b) de elektrische continuïteit mag niet in gevaar gebracht worden door mechanische, chemische of thermische belasting, zoals deze veroorzaakt door de maximum voorzienbare foutstroom en
c) de warmteontwikkeling ten gevolge van de overgangsweerstanden in de schroefverbindingen mag geen aanleiding geven tot ontploffingsgevaar.
03. Aansluiting van elektrische leidingen op elektrische machines of toestellen
De aansluiting van elektrische leidingen en ontploffingsvaste buissystemen op elektrische machines of toestellen is dermate uitgevoerd dat de desbetreffende beschermingswijze gewaarborgd blijft.
De ongebruikte kabel- of buisinvoeren op behuizingen zijn afgesloten met afsluitmiddelen, aangepast aan de desbetreffende beschermingswijzen.
Indien geschroefde buizen op de ontploffingsvaste omhulsels zijn gebruikt, moeten vuursloten met hun afdichtingsmassa's aanwezig zijn.
a) Deze worden geplaatst :
a. 1) in de onmiddellijke nabijheid van iedere buisinvoer in een materieelbehuizing en dit op
maximum 0,45 m van de buisinvoer;
a. 2) op die plaatsen waar voorcompressie kan ontstaan als gevolg van
een inwendige ontploffing.
b) De afdichtingsmassa's worden aangebracht in de vuursloten
nadat de geleiders in de buizen zijn aangebracht.
c) De afdichtingsmassa is dermate aangebracht zodat een gashermetische afdichting wordt verwezenlijkt. Hiertoe zal de lengte waarover ze is aangebracht tenminste gelijk zijn aan de
binnendoormeter van de buis met een minimum van 16
mm. De vulmassa mag bij het uitharden niet inkrimpen
en ze zal bestand zijn tegen de eventueel aanwezige chemische en thermische invloedsfactoren.
d) De aard van de afdichtingsmassa wordt vermeld in een certificaat.
Wanneer elektrische geleiders in ontploffingsvaste buissystemen worden aangelegd, zullen de buizen aangebracht tussen de materieelbehuizing en de voormelde vuursloten,
een voldoende mechanische sterkte hebben om te weerstaan aan een eventuele inwendige ontploffing. Hiertoe zijn ze uit metaal met geschroefde verbindingen en ofwel naadloos ofwel continu naadgelast.
Voormelde geschroefde verbindingen zijn dermate uitgevoerd dat een eventuele inwendige ontploffing geen ontploffing van een uitwendig aanwezig ontplofbaar gasmengsel voor gevolg kan hebben.
Buigzame buizen die een onderdeel vormen van een ontploffingsvast buissysteem moeten speciaal voor deze doeleinden gebouwd zijn.
04. Intrinsiek veilige installaties
Een intrinsiek veilige stroombaan is dermate geïnstalleerd dat de toegestane grenswaarden, aangeduid in het certificaat, voor capaciteit, inductantie en de verhouding van inductantie op weerstand niet overschreden worden.
Wanneer meerdere intrinsiek veilige stroombanen galvanisch met elkaar tot een systeem verbonden worden, moet ook het samenstel van elektrische parameters voldoen aan de eisen van intrinsieke veiligheid.
Constructieve maatregelen zijn genomen opdat intrinsiek veilige stroombanen niet blootgesteld zouden worden aan magnetische of elektrische velden die de intrinsieke veiligheid van deze stroombanen nadelig kunnen beïnvloeden.
Intrinsiek veilige elektrische leidingen zijn ruimtelijk gescheiden aangelegd van de niet-intrinsiek veilige elektrische leidingen.
Deze bepaling geldt niet wanneer de leidingen in kwestie zijn voorzien van een bijkomende beschermende mantel of omhulsel waardoor een gelijkwaardige scheiding wordt verzekerd.
De aansluitklemmen ondergebracht in intrinsiek veilige stroombanen zijn op een betrouwbare wijze (b.v. afstand groter dan 50 mm of een tussenschot) gescheiden van deze ondergebracht in niet-intrinsiek veilige stroombanen. Wanneer deze scheiding een zuiver ruimtelijke scheiding is, wordt door de plaatsing van de klemmen en door de toegepaste bedradingsmethode ieder onderling galvanisch contact voorkomen.
Meerdere intrinsiek veilige stroombanen mogen in eenzelfde buigzame elektrische leiding zijn aangebracht, indien de desbetreffende leiding dermate is aangelegd dat een onderlinge galvanische verbinding door mechanische beschadiging wordt voorkomen.
Intrinsiek veilige stroombanen zijn dermate gemerkt dat ze duidelijk te onderscheiden zijn van niet-intrinsiek veilige stroombanen.
Wanneer dit gebeurt door middel van een kleurcodering wordt hiervoor lichtblauw gebruikt.
05. Overstroombeschermingstoestellen
Wederinschakeling van overstroombeschermingstoestellen onder foutomstandigheden is verboden.
Elk beschermingstoestel dat automatisch de stroom onderbreekt moet vervangen worden door een waarschuwingsinrichting indien het snel uitschakelen van het elektrisch materieel een groter gevaar zou vormen dan dat veroorzaakt door de aanwezigheid van een gevaarlijke atmosfeer. Organisatorische maatregelen zijn getroffen om onmiddellijk aan de gemelde gevaartoestand te verhelpen.
06. Veiligheidsonderbreking
Buiten de gevaarlijke zones zijn op doelmatig gekozen
plaatsen veiligheidsschakelaars, zoals voorzien
in artikel 235, aangebracht die toelaten de voeding van het elektrisch materieel te onderbreken behalve van dit waarvan de afschakeling een groter gevaar zou vormen dan het ontploffingsgevaar.
07. Uitzonderlijke tijdelijke bedrijfsomstandigheden
Onder uitzonderlijke tijdelijke bedrijfsomstandigheden mag draagbaar en verplaatsbaar elektrisch materieel worden gebruikt dat niet ontworpen is voor gebruik in de desbetreffende zone onder voorwaarde dat afdoende organisatorische maatregelen zijn getroffen om de veiligheid met betrekking tot het ontploffingsgevaar van een ontplofbaar mengsel van gas, damp of nevel en van lucht te waarborgen.
In dit opzicht mag het elektrisch materieel van normale industriële constructie zijn, mits doeltreffende controlemetingen aangepast
aan de omstandigheden worden uitgevoerd inzake de afwezigheid van een ontplofbaar gasmengsel op alle plaatsen waar dit materieel wordt gebruikt. De controlemetingen worden uitgevoerd door middel van gecertificeerde en gekalibreerde meettoestellen. Deze toestellen zullen worden gekozen in functie van de oorspronkelijke gevarenzone en van de kenmerken van het ontplofbaar mengsel van gas, damp of nevel en van lucht.
De controlemetingen worden uitgevoerd vóór de aanvang der werkzaamheden.
Art. 108 - BESCHERMING TEGEN TEMPERATUURVERHOGINGEN EN VONKEN
01.Algemeenheden
Constructieve maatregelen zijn genomen om te vermijden dat in ontploffingsgevaarlijke gebieden elektrische installaties oorzaak zijn van het ontstaan van gevaarlijke temperatuurverhogingen of vonken te wijten aan :
- hetzij lek- of foutstromen;
- hetzij zwerfstromen;
- hetzij galvanisch contact met actieve delen;
- hetzij elektrostatische ontladingen;
- hetzij ontladingen veroorzaakt door cathodische beschermingsinstallaties.
02. Lek- of foutstromen
Met betrekking tot de lek- of foutstromen zijn de hierna vermelde maatregelen genomen :
a) de aanwending van een TN-C netstelsel is verboden in eender welke zone van een ontploffingsgevaarlijk gebied;
b) de aanwending van een TT netstelsel is verboden in
de zone 0 en toegelaten in de zones 1 en 2 mits toepassing van een automatische differentieel-stroominrichting met een aanspreekstroom bepaald volgens regels van goed vakmanschap;
c) bij aanwending van een TN-S netstelsel dient dit in eender welke zone te worden beschermd
door een automatische differentieelstroominrichting met een aanspreekstroom bepaald volgens regels van goed vakmanschap;
d) bij aanwending van een IT netstelsel dient de elektrische installatie in eender welke zone te worden bewaakt door
een isolatiebewakings-toestel dat, bij iedere eerste isolatiefout waarbij het isolatieniveau onder het toegelaten niveau daalt :
- de elektrische voeding onmiddellijk uitschakelt in zone 0;
- de fout onmiddellijk signaleert in de zones 1 en 2.
03. Zwerfstromen
Met betrekking tot de zwerfstromen zijn de hierna vermelde maatregelen getroffen :
a) metalen machine- en toestelbehuizingen en de in hun nabijheid aanwezige vreemde geleidende delen zijn door een bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding met elkaar verbonden;
b) de geleiding van de bijkomende potentiaal-vereffeningsverbinding is tenminste gelijkwaardig aan deze van een koperen geleider met een doorsnede van 10 mm2.
04. Galvanisch contact
Maatregelen zijn getroffen om ieder ongewild contact met actieve delen te voorkomen.
Werkzaamheden voor opstelling afregeling, onderhoud en herstelling aan of in de nabijheid van onder spanning staande actieve delen mogen enkel worden uitgevoerd indien :
a) de nominale spanning van de delen in kwestie maximaal 1.000 volt bedraagt en
b) voorafgaandelijk maatregelen zijn getroffen om de werkzaamheden zonder gevaar te laten verlopen en
c) de werkzaamheden van dringende aard zijn en beperkt blijven tot werkzaamheden in de zones 1 of 2.
Deze bepalingen gelden niet voor intrinsiek veilige installaties.
05. Elektrostatische ontladingen
Met betrekking tot de elektrostatische ontladingen zijn maatregelen getroffen om de accumulatie van statische ladingen te voorkomen.
In dit opzicht :
a) wordt de oppervlakteweerstand van machine- en toestelbehuizingen en leidingen in kunststof dermate gekozen dat
geen gevaarlijke elektrostatische oplading te vrezen valt (R kleiner dan of gelijk aan 109);
b) is de waarde van de contactweerstand van de bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding tussen de metalen machine- en toestelbehuizingen en de in hun nabijheid aanwezige vreemde geleidende delen kleiner dan of gelijk aan 106.
06. Cathodische bescherming
Met betrekking tot de ontladingen veroorzaakt door cathodische beschermingsinstallaties met opgedrukte stroom zijn de hierna vermelde maatregelen getroffen :
a) de overgangsplaatsen, tussen de cathodisch en de niet cathodisch beschermde buisleidingen, bevinden zich buiten de gasontploffings-gevaarlijke
gebieden.
Indien aan deze bepaling niet kan worden voldaan, zijn constructieve maatregelen getroffen om vonkvorming als gevolg van een toevallige overbrugging te voorkomen;
b) de overgangsplaatsen, tussen de cathodisch en de niet cathodisch beschermde buisleidingen welke deel uitmaken van een laadinrichting van ontvlambare vloeistoffen of gassen, zijn aangebracht in het vast gedeelte van de verlaadinrichting.
Art. 109 - INDUSTRIELE ACCUMULATORENBATTERIJEN
01. Toepassingsgebied
De voorschriften van dit artikel zijn van toepassing op de industriële accumulatorenbatterijen zoals bepaald in artikel 63.
02. Algemeenheden
a) De oplaadinrichting van de verplaatsbare accumulatorenbatterijen is derwijze opgevat dat de oplading
automatisch wordt gestopt bij het bereiken van de volledig opgeladen toestand
van de erop aangesloten accumulatorenbatterij.
b) De ventilatie, hetzij natuurlijk hetzij kunstmatig, van de ruimte voor vaste of van de laadruimte voor verplaatsbare accumulatorenbatterijen verzekert een
voldoende verluchting van de ontsnappende electrolyseproducten uit deze accumulatorenbatterijen. Deze verdunning heeft een minimale vorming van een ontplofbaar waterstof/luchtmengsel tot gevolg en beperkt tevens de afmetingen van de ruimte, onmiddellijk rond de accumulatorenbatterijen, waar nog een ontplofbaar mengsel bestaat. Bovendien vermijdt zij de aanwezigheid van een dergelijke ontplofbare atmosfeer in de niet geventileerde zone.
De voorkeur dient verleend aan een natuurlijke ventilatie.
c) De vaste en verplaatsbare accumulatorenbatterijen mogen slechts opgesteld zijn in gewone ruimten wanneer de naleving van het punt b. een
kunstmatige ventilatie vergt tijdens het laden.
d) Accumulatorenbatterijen ondergebracht in batterijkasten, -koffers of gelijksoortige ruimten mogen naar hun opstellingsruimte toe worden geventileerd, indien
de afgevoerde producten niet meer ontplofbaar zijn.
e) De elektrische toestellen die tot de ontsteking van een ontplofbaar waterstof/luchtmengsel aanleiding kunnen geven (b.v. vonkend materieel) zijn opgesteld :
e. 1) buiten het volume omschreven door een vertikale cilinder waarvan de wand 0,50 m buiten de rand van het geheel van de accumulatorenbatterijen
uitsteekt en die gelegen is aan de bovenkant van deze accumulatorenbatterijen met een hoogte van 0,50 m;
e. 2) buiten de afvoerluchtstroom tussen de accumulatorenbatterijen en de luchtuitlaatopeningen.
De voorschriften van het punt e.1) zijn niet van toepassing op de vaste accumulatorenbatterijen ondergebracht in batterijkasten, -koffers of gelijksoortige ruimten voor zover :
- ze geplaatst zijn in één voor hen voorbehouden compartiment en
- dat de scheidingswand tussen deze accumulatorenbatterijen en de elektrische toestellen geplaatst in dezelfde batterijkast, -koffer of gelijksoortige ruimte, geen enkele opening heeft waarlangs een ontplofbaar mengsel kan doorstromen.
f) De aansluitleidingen tussen de laadinrichtingen en de erop aangesloten accumulatorenbatterijen moeten
kortsluit- en aardsluitveilig zijn aangelegd.
Bij gebruik van verplaatsbare aansluitleidingen moeten het middelzware polychloropreen mantelleidingen met rubberisolatie (H07RN-F) zijn of daaraan gelijkwaardig.
g) De toegangen van de ruimten voor vaste accumulatorenbatterijen, van de laadruimten voor verplaatsbare accumulatorenbatterijen, van de batterijkasten, van de batterijkoffers en de gelijksoortige ruimten welke accumulatorenbatterijen bevatten, zijn voorzien van duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare aanduidingen met betrekking tot :
- het rookverbod;
- het verbod om open vuur te maken en/of werkzaamheden te verrichten die aanleiding tot vonken kunnen geven.
h) Wanneer werkzaamheden aanleiding kunnen geven tot het vormen van vonken of gebruik maken van open vuur zijn aangepaste maatregelen genomen om elk ontploffingsgevaar te vermijden.
03. Ruimten voor vaste accumulatorenbatterijen
a) Ontruiming
De deuren openen in de richting van de vluchtweg.
b) Elektrostatische ladingen
De aardingsweerstand van de vloeren van de batterijruimten mag
maximum 108 bedragen.
04. Voorschriften voor batterijkasten, -koffers en gelijksoortige ruimten welke accumulatorenbatterijen bevatten
a) De batterijkasten, -koffers en gelijksoortige ruimten welke accumulatorenbatterijen bevatten zijn voorzien
van ventilatieopeningen ter hoogte van het batterijcompartiment.
b) De batterijkasten, -koffers en gelijksoortige ruimten alsook hun draagconstructies moeten uit
onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd.
Art. 110 - GEVAARLIJKE ZONES
01. Bepalingen
Iedere ruimte van ondernemingen, die personeel tewerkstellen dat onder toepassing valt van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, waar gevaar voor stofontploffing bestaat wordt geklasseerd, volgens de regels van goed vakmanschap, in een zone 20, 21 of 22, naargelang de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn in deze ruimte van een ontplofbaar mengsel van stof en lucht.
Naargelang hun waarschijnlijkheidsgraad zijn deze zones als volgt ingedeeld :
Zone 20 : ruimte waar een explosieve omgeving in de vorm van
een wolk brandbaar stof in de lucht bestendig of langdurig of vaak voorkomt en
waarin afzettingen van brandbaar stof van onbekende of
bovenmatige dikte kunnen worden gevormd;
Zone 21 : ruimte waar, tijdens de normale werking, een gevaarlijke explosieve omgeving in de vorm van een wolk brandbaar stof in de lucht zich periodiek of toevallig kan vormen of waar in het algemeen afzettingen of lagen brandbaar stof in voldoende mate aanwezig zijn om een explosieve atmosfeer te vormen;
Zone 22 : ruimte waar, tijdens de normale werking, een gevaarlijke explosieve omgeving in de vorm
van een wolk brandbaar stof in de lucht niet in staat is zich te vormen, maar wanneer deze toch voorkomt
dan slechts kortstondig.
02. Vaststelling
De gevaarlijke zones worden bepaald op grond van door de uitbater verstrekte gegevens (plaats van ontsnappingsbronnen, kenmerken van de behandelde producten).
Deze gegevens worden omschreven in een omstandig verslag en vermeld op een of meerdere plannen van het bedrijf of van de installatie.
Deze plannen worden vervolgens goedgekeurd en geparafeerd door de uitbater of zijn afgevaardigde, door de vertegenwoordiger van het erkend organisme bedoeld in artikel 275 en door de met het toezicht belaste ambtenaar.
03. Algemene voorkomingsmaatregelen
Maatregelen worden genomen om de uitgestrektheid van gevaarlijke zones tot een strikt minimum te herleiden
en om het gebruik van elektrisch materieel in voormelde zones zo veel mogelijk te beperken.
Art. 111 - KEUZE VAN HET ELEKTRISCH MATERIEEL
01. Elektrische leidingen
In de ontploffingsgevaarlijke ruimten, zoals bepaald in artikel 110 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, zijn de hierna vermelde elektrische leidingen toegestaan :
- de gewapende kabels, waarvan de wapening geaard is en die een niet metalen buitenmantel omvatten, zoals de kabels van het type VFVB;
- de niet gewapende kabels met een buitenmantel in kunststof, zoals de kabels van het type VVB, op voorwaarde dat ze beschermd zijn door een stalen buis of door een andere evenwaardige voorziening op alle plaatsen waar ze aan mechanische beschadiging zijn blootgesteld;
- de leidingen met minerale isolatie met een geaarde metalen mantel en een niet metalen buitenmantel;
- de soepele kabels met versterkte mantel, zoals de kabels van het type
CTFB-N, op voorwaarde dat de aanwezige uitwendige invloeden hun aanwezigheid rechtvaardigen.
Andere elektrische leidingen dan deze hiervoor bepaald mogen worden gebruikt indien ze tenminste gelijkwaardige veiligheidswaarborgen bieden.
De in bundels geplaatste elektrische leidingen zijn van het niet-brandverspreidende type.
02. Elektrische machines of toestellen
Elektrische machines en toestellen worden gekozen in functie van het type van elke gevaarlijke zone
en van de kenmerken van de ontploffingsgevaarlijke stof/luchtmengsels.
De beschermingswijzen voor elektrische machines of toestellen, zonder inwendige lekkagebron, waarvan de inwendige componenten vonken kunnen veroorzaken of op een temperatuur worden gebracht die de ontstekingstemperatuur van het stof/luchtmengsel kan overtreffen, worden bepaald in functie van het zonetype aanwezig omheen het elektrisch materieel en zijn aangegeven in volgende tabel :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
De oppervlaktetemperatuur van de vlakken waarop zich stof kan neerzetten of die in aanraking kunnen komen met een stofwolk mag noch de glimtemperatuur van het stof verminderd met 75 °C, noch de 2/3de waarde van de ontstekingstemperatuur van het stof/luchtmengsel kunnen overtreffen.
Hiertoe kan het noodzakelijk zijn om bepaalde elektrische machines of toestellen (b.v. elektromotoren, verlichtingstoestellen met ontladingslampen, enz...) te voorzien van interne temperatuurdetectoren.
Constructieve maatregelen zijn getroffen om het onder spanning in- of uitschakelen d.m.v. stopcontacten te beletten.
Aangaande het elektrisch materieel moet de uitbater aan het erkend organisme en aan de met het toezicht belaste ambtenaren de nodige attesten kunnen voorleggen.
Art. 112 - INSTALLEREN VAN ELEKTRISCHE LEIDINGEN
01. Installeren en onderhouden van elektrische machines of toestellen
Elektrische machines en toestellen dienen dermate opgesteld of afgeschermd dat de stofneerzetting erop tot een minimum wordt beperkt en dat reiniging gemakkelijk kan worden uitgevoerd.
Het installeren en onderhouden van elektrische machines of toestellen, gebouwd volgens één van de in artikel 111 vermelde beschermingswijzen, dient te geschieden door bevoegd personeel, dat de bijzondere vereisten voor installatie en onderhoud eigen aan dit materieel kent.
02. Installeren van elektrische leidingen
Bij het installeren van elektrische leidingen dient rekening te worden gehouden met het vastgelegde zonetype volgens artikel 110 evenals met de andere uitwendige invloedsfactoren, waaronder de mechanische, chemische of thermische factoren.
Elektrische leidingen dienen dermate aangelegd dat de stofneerzetting erop tot een minimum wordt beperkt en dat reiniging gemakkelijk kan worden uitgevoerd.
Indien stof zich in laagvorm op elektrische leidingen kan neerzetten en de warmteafgifte van de elektrische leidingen kan verstoord worden moet de onder normale bedrijfsomstandigheden vooropgestelde maximum toelaatbare stroomsterkte IZ worden verlaagd tot 0,8 IZ.
03. Aansluiting van elektrische leidingen op elektrische machines en toestellen
De aansluiting van elektrische leidingen op elektrische machines en toestellen moet dermate zijn uitgevoerd dat de desbetreffende beschermingswijze gewaarborgd blijft.
De ongebruikte kabel- of buisinvoeren op behuizingen zijn afgesloten met afdichtmiddelen aangepast aan de desbetreffende beschermingswijze.
04. Overstroombeschermingstoestellen
Wederinschakeling van overstroombeschermingstoestellen onder foutomstandigheden is verboden.
Deze bepaling geldt niet voor stroombanen en hun respectievelijke overstroombeschermingstoestellen ondergebracht in een zone 22.
Elk beschermingstoestel dat automatisch de stroom onderbreekt moet worden vervangen door een waarschuwingsinrichting indien het snel uitschakelen van het elektrisch materieel een groter gevaar zou vormen dan dat veroorzaakt door de aanwezigheid van een gevaarlijke atmosfeer. Organisatorische maatregelen zijn getroffen om onmiddellijk aan de gemelde gevaartoestand te verhelpen.
05. Veiligheidsonderbreking
Buiten de gevaarlijke zones zijn op doelmatig gekozen plaatsen veiligheidsschakelaars, zoals voorzien in artikel 235, aangebracht die toelaten de voeding van het elektrisch materieel te onderbreken behalve van dit waarvan de afschakeling een groter gevaar zou vormen dan het ontploffingsgevaar.
Art. 113 - BESCHERMING TEGEN TEMPERATUURVERHOGINGEN EN VONKEN
01. Algemeenheden
Constructieve maatregelen zijn genomen om te vermijden dat in ontploffingsgevaarlijke gebieden elektrische installaties aanleiding zijn tot het ontstaan van gevaarlijke temperatuurverhogingen of vonken te wijten aan :
- hetzij lek- of foutstromen;
- hetzij elektrostatische ontladingen.
02. Lek- of foutstromen
Met betrekking tot de lek- of foutstromen zijn de hierna vermelde maatregelen genomen :
a) de aanwending van een TN-C netstelsel is verboden in eender welke zone van een ontploffingsgevaarlijk gebied;
b) de aanwending van een TT netstelsel is verboden in de zone 20 en toegelaten in de zones 21 en 22 mits toepassing van een automatische differentieelstroominrichting met een aanspreekstroom van maximum 500 mA;
c) bij aanwending van een TN-S netstelsel dient dit in eender welke zone te worden beschermd door een automatische
differentieelstroominrichting met een aanspreekstroom van maximum 500 mA;
d) bij aanwending van een IT netstelsel dient de elektrische installatie in eender welke zone te worden beschermd door
een isolatiebewakingstoestel dat bij iedere fout naar de aarde of naar de massa die een foutstroom veroorzaakt van 500 mA of meer :
- de elektrische voeding onmiddellijk uitschakelt in de zone 20;
- de fout onmiddellijk signaleert in de zones 21 en 22.
03. Elektrostatisch ontladingen
Met betrekking tot elektrostatische ontladingen zijn maatregelen getroffen om accumulatie van statische ladingen te voorkomen.
In dit opzicht :
a) wordt de oppervlakteweerstand van machine- en toestelbehuizingen en leidingen in kunststof dermate gekozen dat geen gevaar voor elektrostatische oplading te vrezen valt; deze bepaling geldt niet wanneer vonkvorming als gevolg van een elektrostatische ontlading niet te vrezen is (R H 109);
b) worden de metalen machine- en toestelbehuizingen en de in hun nabijheid aanwezige vreemde geleidende delen elektrostatisch geaard (R H 106). »
7 MEI 2000. - Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 198, 199, 207, 210, 214, 239, 240, 242, 249 en 251 van het
AREI
Art. 2. In artikel 198 van het Reglement wordt in het 5de lid de tabel vervangen door de volgende tabel :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld op de website van het belgisch
staatsblad
Art. 3. In artikel 199 van het Reglement worden de leden 1, 2 en 3 vervangen door de volgende leden :
« In de buizen en de elektrische leidingen moeten de met vaste isolatiematerialen geïsoleerde geleiders, gemerkt door
een groen/gele kleurcombinatie gebruikt worden :
- als beschermingsgeleider (PE al dan niet verbonden met een aardverbinding);
- als nulgeleider, indien deze eveneens als beschermingsgeleider dient (PEN geleider).
De voormelde kleurcombinatie is aanwezig over de gehele lengte van de geïsoleerde geleiders.
Het gebruik van de groene en/of gele kleur, alsmede het gebruik van één van deze kleuren in een veelkleurige combinatie is verboden in de isolatiematerialen van actieve geleiders met uitzondering van de nulgeleider die de functie van beschermingsgeleider (PEN) vervult.
In afwijking van de voorschriften van het voorgaande lid, is het gebruik van de groene of gele kleur toegelaten in elektrische leidingen die deel uitmaken van bedienings-, controle-, signalisatie- of meetstroombanen voor zover hun geleiderdoorsnede kleiner is dan 1,5 mm2.
Met uitzondering van kabels waarvan het scherm dient als nulgeleider
en van halfvlakke VTLBp-kabels moet de met vaste isolatiematerialen geïsoleerde geleider,
gemerkt door de lichtblauwe kleur, voorbehouden worden aan de nul- of compensatorgeleider (N) in de stroombanen die zulk een geleider bezitten en die niet tegelijk als beschermingsgeleider dient. »
Art. 4. Artikel 207 van het Reglement wordt aangevuld met de volgende rubriek :
« 10.- Vlamverspreidende buizen.
De thermoplastische vlamverspreidende buizen mogen slechts gebruikt worden in geprefabriceerde betonelementen. »
Art. 5. Artikel 210 van het Reglement wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Open en gesloten goten
In open goten mogen enkel kabels worden geplaatst. Andere leidingtypes zijn hierin verboden.
De geleiders die in gesloten goten worden geplaatst zijn tenminste voorzien van een basisisolatie zoals bijvoorbeeld VOB.
Indien geleiders, die enkel van een basisisolatie zijn voorzien, geplaatst zijn in gesloten goten, die zich buiten de lokalen van de elektrische dienst bevinden, zijn deze goten volwandig en voorzien van een deksel dat enkel met behulp van gereedschap kan worden geopend.
De verbindingen voor koppelingen, aansluitingen of aftakkingen worden volgens de regels van goed vakmanschap uitgevoerd
in verbindings- of aftakdozen of aan de klemmen van schakelaars of stopcontacten.
Wanneer in een goot leidingen worden aangewend op verschillende spanningen, moeten de verbindingen voor koppelingen, aansluitingen en/of aftakkingen worden uitgevoerd in
compartimenten die de verbindingen op verschillende spanningen van elkaar scheiden. »
Art. 6. In artikel 214 van het Reglement worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1. de rubriek 01 wordt vervangen door de volgende rubriek :
« 01.- Leidingen verzonken in beton of cement
De leidingen die tenminste gelijkwaardig zijn met het type geïsoleerd met polyvinylchloride met
(zoals de VFVB) of zonder metalen bescherming (zoals de VVB),
mogen verzonken worden in wanden, vloeren en plafonds, voor zover ze bedekt worden met een laag beton of cement van
minimaal 3 cm. »
2. in de rubriek 02 wordt de titel en het eerste deel van het 1ste lid vervangen door de volgende bepalingen :
« 02.- Leidingen verzonken in de muren van lokalen
De leidingen die tenminste gelijkwaardig zijn met het type met thermoplastische mantel, zoals de VVB, mogen verzonken worden zonder buis voor zover dat : »
Art. 7. In artikel 239 van het Reglement wordt het 1ste lid vervangen door het volgende lid :
« Stopcontacten waarvan de nominale stroomsterkte gelijk aan of groter is dan 16 A bij een nominale spanning groter dan 500 V wisselspanning en 50 V gelijkspanning of waarvan de nominale stroomsterkte
gelijk aan of groter is dan 32 A moeten :
- hetzij een onderbrekingsvermogen en een levensduur hebben beantwoordend aan de door de Koning gehomologeerde norm of aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden;
- hetzij voorzien zijn van een mechanische of elektrische vergrendeling die het inbrengen of uittrekken van de stopcontact onder spanning onmogelijk maakt.
»
Art. 8. In artikel 240 van het Reglement worden in de rubriek 01 de leden 3 en 4 vervangen door de volgende leden :
« In de buizen en de elektrische leidingen moeten de met vaste isolatiematerialen geïsoleerde geleiders, gemerkt door een groen/gele kleurcombinatie gebruikt worden :
- als beschermingsgeleider (PE al dan niet verbonden met een aardverbinding);
- als nulgeleider, indien deze eveneens als beschermingsgeleider dient (PEN geleider).
De voormelde kleurcombinatie is aanwezig over de gehele lengte van de geïsoleerde geleiders.
Het gebruik van de groene en/of gele kleur, alsmede het gebruik van één van deze kleuren in een veelkleurige combinatie is verboden in de isolatiematerialen van actieve geleiders met uitzondering van de nulgeleider die de functie van beschermingsgeleider (PEN) vervult.
In afwijking van de voorschriften van het voorgaande lid, is het gebruik van de groene of gele kleur toegelaten in elektrische leidingen die deel uitmaken van bedienings- controle-, signalisatie- of meetstroombanen voor zover hun geleiderdoorsnede kleiner is dan 1,5 mm2. »
Art. 9. In artikel 240 van het Reglement wordt in de rubriek 03 het 6de lid vervangen door het volgende lid :
« De afneembare aftakelementen van geprefabriceerde leidingen waarvan de nominale stroomsterkte gelijk aan of groter is dan 16 A bij een nominale spanning groter dan 500 V wisselspanning en 50 V gelijkspanning of waarvan de nominale stroomsterkte
gelijk aan of groter is dan 32 A :
- moeten een beschermingsgraad hebben die ten minste gelijk is aan IPXX-B;
- zijn voorzien van een lastscheidingsschakelaar van de gebruikscategorie AC22A of DC22A beantwoordend aan de door de Koning gehomologeerde norm of aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden;
- laten de toegang tot de inwendige uitrusting alsmede het aanbrengen op of wegnemen van de geprefabriceerde leidingen slechts toe wanneer de lastscheidingsschakelaar is geopend.
»
Art. 10. In artikel 242 van het Reglement worden de rubrieken 09 en 10 respectievelijk vervangen door de volgende rubrieken :
« 09. - Buiten geplaatste verlichtingstoestellen
De buitenverlichtingstoestellen, geplaatst in de invloedsvoorwaarden AD2 tot en met AD4, mogen niet van de klasse 0 of van de klasse 01 zijn.
10. Tijdelijke verlichtingstoestellen
Bij afwijking van de bepalingen van het eerste lid van artikel 19, is het toegestaan om voor tijdelijke verlichtingsinstallaties verlichtingstoestellen te gebruiken bestaande uit lampen met lamphouder waarvan de beschermingsgraad tegen het binnendringen van water IPX0 bedraagt.
Wanneer ze binnen handbereik zijn aangebracht, dienen deze verlichtingstoestellen :
- te zijn gevoed op zeer lage veiligheidsspanning
of
- te zijn beschermd door een automatische differentieelstroominrichting met een aanspreekstroom van maximum 30 mA.
Bij afwijking van de bepalingen van het eerste lid van de artikelen 206 en 218 is het toegestaan
prikkabels op laagspanning met versterkte isolatie, zoals de mantelleiding van het type A05VVH2-F, aan te wenden op voorwaarde dat alle prikgaten afgedicht zijn volgens de regels van goed vakmanschap. »
Art. 11. In artikel 251 van het Reglement wordt in de rubriek 05 het 2de lid vervangen door het volgende lid :
« In huishoudelijke lokalen of plaatsen mag de te verwachten eenfasige kortsluitstroom aan de uitgangsklemmen van de eerste reeks beschermingsinrichtingen tegen overstroom, geplaatst na de algemene differentieelstroominrichting, niet groter zijn dan 3000 A.
Stroomopwaarts van voormelde uitgangsklemmen :
- hebben de aansluitvermogenschakelaars een minimum schakelvermogen van 6000 A;
- hebben de beschermingsinrichtingen tegen overstroom een minimum schakelvermogen
van 3000 A;
- hebben de smeltveiligheden een minimum onderbrekingsvermogen van
3000 A;
- weerstaan de differentieelstroominrichtingen en schakelinrichtingen aan een I2t-waarde van minimum
22,5 kA2s bij een stroom van 3000
A; een specifieke markering van de genoemde inrichtingen verzekert de identificatie van de naleving van deze karakteristieken, namelijk minimum de volgende aanduiding : «
3000 A, 22,5 kA2s », deze karakteristieken zijnde samen aangebracht op eenzelfde vlak, zichtbaar na installatie, zo nodig, na verwijdering van de beschermingsplaten geplaatst in het kader van de bescherming tegen directe aanraking; deze informatie mag behoren tot andere markeringen en aanduidingen voorzien door de erop betrekking hebbende door de Koning gehomologeerde norm of aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden. »
Art. 12. Worden afgeschaft in het Reglement :
1° in artikel 207, in de rubrieken 08 en 09, de subrubrieken c);
2° in artikel 214, in de rubriek 02, het opschrift boven de figuur die de trajecten van de verzonken elektrische leidingen in de muren weergeeft;
3° in artikel 249, in de rubriek 01, het 1e lid.