DE WATERTOREN

In het grote geheel van de infrastructuur voor productie en distributie, is een watertoren, alhoewel hij er een onmisbare rol speelt, slechts een schakel, een eerder bescheiden schakel nog wel, als men de globale investeringen voor de installaties beschouwt: tientallen duizenden kilometer transporten distributieleidingen, zuiveringsstations, pompstations en bovengrondse reservoirs nemen inderdaad het overgrote deel ervan voor hun rekening.

De leidingen zijn onzichtbaar. De reservoirs zijn ingegraven onder een met gras begroeid heuveltje, putten en waterwinningen zijn discreet opgesteld, en zuiverings- en pompstations spreken niet tot de verbeelding. Stuwdammen zijn wel spectaculaire maar bevinden zich een eind buiten de bewoonde gebieden.

De watertoren, silhouet op het hoogste punt aan de rand van de gemeente of massa die verloren staat in het stadsbeeld, maakt hoe dan ook deel uit van het leven in het centrum van de gemeente. Alhoewel hij eenvoudig een vergaarbak is, denkt men over hem dikwijls alsof hij de voortbrenger van de watervoorraad is. Vertrouwd en toch een beetje mysterieus, is hij voor iedereen het symbool van de overvloed en de duurzaamheid van de drinkwaterbevoorrading.

De onderdelen

De watertoren en het reservoir vervullen, zoals eerder al aangetoond, eenzelfde rol ais sturing en reserve en ais regelaar van de druk in het net. Enkel het ontbreken van enig reliëf in de zone waar het reservoir moet worden gebouwd is er verantwoordelijk voor dat het op een toren dient te worden neergezet.

Structureel is een watertoren bijgevolg een kuip die op een steun rust. Daarbij komt onder deze steun, nog de fundering die aanzienlijk is gezien het grote volume van het kunstwerk.

Om de leidingen te beschermen moeten ze worden gelegd in een gesloten ruimte, vanaf de grond tot aan de kuip. Als het er al niet de enige ondersteuning van vormt, helpt deze schacht dikwijls om het reservoir te schragen. De schacht bestaat uit vloeren met regelmatige tussenruimten. De opgelegde bedekking van 1m grond boven de buitenleidingen houdt in dat deze laatste bij het binnenkomen in het bouwwerk, een kelder nodig hebben, die overigens dikwijls ook noodzakelijk is opdat de fundering in de ondergrond de nodige weerstand zou ontmoeten. Een wenteltrap, soms echter ook gewoonweg een ladder, geeft toegang tot alle niveaus, vanaf de kelder tot boven de kuip.

De kuip wordt gekenmerkt door haar inhoud, door haar gemiddeld peil (het peil van het vlak dat het volume in twee gelijke delen verdeelt en dat het basisniveau is voor de berekening van het net), het peil van de overloop en het bodempeil. De kuip heeft meestal een dubbele wand, die tegelijk het water en de structuur zelf tegen de invloed van de buitentemperatuur isoleert en de nadelige invloeden ervan vermijdt, zowel op het vlak van het uitzicht, ais van de gedragingen van het kunstwerk en van het optreden van lekken. De kuip wordt overdekt met een toegankelijk dak dat, bij recentere uitvoeringen, met een kroonlijst, een borstwering of een leuning omgeven is, op een hoogte die veilige inspectie en herstelling mogelijk maken. De kuip wordt doorsneden door een koker waarin de trap een plaats krijgt.

De kuip wordt verlucht met luchtkokers om de lucht boven het wateroppervlak te kunnen verversen en condensatie te vermijden. De verluchtingsopeningen zijn voorzien van traliewerk en insectenhorren. De natuurlijke verlichting is gedempt; de punten met kunstlicht worden gevoed met zeer lage spanning.

De waterdichtheid van de betonnen kuipen wordt verkregen door een inwendige bekleding van cementmortel, zelden door een losse plastic folie. Verf op basis van epoxyharsen, met kathodische bescherming, bedekt het inwendige oppervlak van metalen kuipen. Een bliksemafleider ten slotte zorgt voor de bescherming van het gebouw tegen blikseminslag.

Het hydropneumatisch reservoir, het alternatief voor het reservoir op toren, is een sferische op de grond geplaatste stalen kuip. De lucht in de sfeer boven het wateroppervlak wordt met een compressor op gelijke druk gehouden. Dit kunstwerk heeft dezelfde functie ais een watertoren met een hoogte die gelijk is aan deze druk, uitgedrukt in meter waterkolom. De veiligheid vereist echter de opstelling van een elektronengroep om te vermijden dat deze functie bij onderbrekingen in de elektriciteitslevering gestoord zou worden.

Hydraulische uitrusting

De binnenleidingen van een watertoren zijn van staal, met vastgeklonken hechtingen. Hun diameter is dikwijls beperkt vergeleken met deze van de buitenleidingen die in het kunstwerk uitmonden. Een spaarzaam gebruik en een zo klein mogelijk gewicht van de te behandelen onderdelen compenseren grotere ladingsverliezen op enkele tientallen meter leiding. Zij worden met epoxyverf bekleed, of gemetalliseerd en geschilderd, of nog, warm met plastic overtrokken.

De aanvoerleiding doorkruist de kuip tot op het niveau van de overloop en bevoorraadt deze onder de vorm van een straal in open lucht. Om te vermijden dat het verlies aan vrij koolzuur door deze beluchting, het water kalkafzettend zou maken, wordt de aanvoerleiding soms verlengd tot op de bodem van de kuip. Een afsluit- kraan, aangedreven door een vlotter, elektrisch of hydraulisch bediend, sluit de leiding af wanneer het peil van de overloop bereikt wordt.

De distributieleiding haalt het water door een rooster uit een geul op de bodem van de kuip. De diameter van de distributieleiding is groter dan deze van de aanvoerleiding, omdat rekening moet worden gehouden met de piekdebieten die zij moet vervoeren.

Op de voedings- en distributieleidingen is er, na hun aankomst in de kelder, een afsluiter voorzien. Zij zijn ook met een volumetrische watermeter of een elektromagnetische debietmeter uitgerust, die de debietcurve registreren. Een speciale bemetering voor kleine debieten, onder de vorm van oen omloopleiding rond de hoofdwatermeter op de distributieleiding, levert tijdens de nacht gegevens over waterverliezen in het net. Een verbinding tussen de twee leidingen laat dank zij een stel afsluiters toe de distributie te blijven verzekeren terwijl de kuip buiten dienst wordt gesteld. Anderzijds maakt lozing via de overloop het mogelijk het wateroppervlak door het water zelf te laten reinigen.

Bij eindbouwwerken komt een enkele aanvoer-distributieleiding in de watertoren aan, waarin het water dan eens in de ene, dan weer in de andere richting stroomt. Deze leiding wordt echter onder de kuip in twee vertakt, om een noodzakelijke verversing van het water mogelijkte maken. De distributie-aftakking bezit een anti-terugslagklep die belet dat de kuip langs de bodem wordt gevoed. Een overloopleiding voert het overstroomdebiet naar het riool of naar een nabijgelegen gracht of waterloop af, ingeval de automatische afsluiter op de toevoerleiding niet zou werken. Onder de kuip komt de leegloopleiding samen met de overloopleiding.

Alle leidingen onder de kuip, dehalve deze van de overloop, worden thermisch geïsoleerd om ze buiten de invloed van de vorst te houden.

Een detector-registreetoesel dat op het waterpeil van de kuip staat opgesteld, geeft op afstand, bij eenvoudige oproep, het vullingspeil van de watertoren aan.

Materialen en vormgeving

De vorm van watertorens is van nature ingewikkeld. De grote verscheidenheid is het resultaat zowel van de kunst van het bekisten, als van een grondige theoretische en praktische kennis van de uitvoering van de werken en het gebruik van materialen. De weerstand en de corrosiebestendigheid maken van gewapend beton het materiaal bij uitstek voor het bouwen van de moderne watertorens, op voorwaarde dat enkele regels worden gerespecteerd. Dat was het overigens al van bij het begin van deze eeuw.

De structuren in gewapend beton in combinatie met metselwerk treft men aan bij talrijke watertorens. Zij bestaan in essentie uit een cilindrische of kegelvormige kuip met bolvormige bodem, de zogenaamde Intzekuip, die ondersteund wordt door een reeks pijlers gedwarsd door vloeren. De pijlers zijn gefundeerd op funderingszolen, -platen of -palen. De dakbedekking is een sferische of kegelvormige koepel die door middel van pijlers op de voornaamste wand van de kuip steunt. Deze bodem heeft de vorm van een afgeknotte kegel met een helling van 45° terwijl de bodemkoepel een aanzet heeft van 30°; de stralen van de cilindrische wand en deze van de koepel verhouden zich als 7 tot 5. Bij kunstwerken met een kleinere inhoud, wordt de lntzekuip vervangen d oor een cilindrische kuip met koepelbodem. Metselwerk bekleedt volledig het betonnen geraamte, waardoor het bouwwerk het uitzicht van een toren krijgt. Ofwel bedekt het metselwerk de kuip maar dient in de voet enkel als opvulling tussen de pijlers die al dan niet zichtbaar blijven; de paddestoelvorm van de structuur blijft hierbij echter zichtbaar In beide gevallen heeft het metselwerk geen dragende functie. De meest recente watertorens zijn van zichtbaar beton en hebben cilindrische of kegelvormige kuipen. 

Cilindrische kuipen - soms zijn het afgeknotte kegels - hebben een vlakke bodem. Zij worden gedragen door een buitenste cirkelvormige zuilenrij en komen samen in een centrale steun, die de schacht vormt waarin de buisleidingen en de trap zijn ondergebracht. De kolommen van bepaalde bouwwerken zijn radiale membraanwanden die de ribben van de schacht vormen. De vlakke bodem is soms vervangen door een uitwendige, afgeknotte kegel en een kegelbodem die aan de lntzekuip doet denken. De ondersteuning geschiedt in dat geval door een enkele schacht, geplaatst waar de twee schalen elkaar snijden.

Kogelvormige kulpen hebben een hoek van 30° tot 60° ten opzichte van de horizontale. Zij steunen maar op een schacht. De kuipbodem is een kegelvormige schaal. Een voordeel van dit soort kuip is de geringe verandering van het waterpeil in het meest gebruikte deel van het volume: het gemiddelde niveau bevindt zich inderdaad op 1/5 van de theoretische totale hoogte van de kegel, onder het niveau van de overloop. Driekwart van het totale volume stemt overeen met een niveaudaling van slechts 2/5. De dakkoepel of -kegel daarentegen heeft een grote reikwijdte.

Door de mogelijkheid tot vormen en lassen is staal een ander geschikt materiaal voor de uitvoering van oppervlakken met enkele of dubbele kromming die men bij watertorens aantreft. Maar de kwetsbaarheid van staal voor corrosie vereist zeer bijzondere voorzorgsmaatregelen. Deze bouwwerken hebben een sferische of ellipsoïde vorm en staan via een afgeknotte kegel in verbinding met een meestal cilindrische koker, die op zijn beurt bij het grondvlak zelf verbreedt tot een afgeknotte kegel om aan het geheel voldoende stevigheid te geven bij hoge windsnelheden.

De kuip wordt thermisch geïsoleerd en bekleed met gevormde aluminiumplaat.

De berekening

De kuipen van watertorens zijn praktisch volledig gevormd uit relatief dunne wanden met omtwentelingssymmetrie. Deze schalen worden berekend met behulp van de membranentheorie, die zegt dat alle inwendige krachton, uitgeoefend door de waterdruk en door het ei- gen gewicht, alleen maar trekkrachten of drukkrachten zijn in de zin van "meridianen" en "parallellen". Dat is het geval bij de lntzekuipen, de kegelvormige kuipen en de bolvormige kuipen van metalen watertorens. Waar de schalen elkaar snijden, worden grote horizontale krachten uitgeoefend. Ze worden door ringen opgevangen die, volgens het geval, in trek of in druk werken.

De wande en de gespannen ringen van de betonnen kuipen krijgen een degelijke bewapening die erop berekend is om voldoende weerstand te bieten, omdat het beton zelf onmogelijk de drukkrachten kan opvangen. De spanningen in het beton moeten beperkt worden om scheuren te vermijden. De doorsneden zijn zeer omvangrijk wat ertoe leidt om bij grote bouwwerken voor deze bestanddelen voorgespannen beton te gebruiken, voorafgaandelijk samengedrukt door middel van kabels of draden waardoor veel minder bouwmateriaal nodig is en een betere waterdichtheid wordt verkregen.

De zijwand van de cilindrische vlakbodemkuipen is in het grondvlak verankerd en ondergaat bijgevolg tegelijk een ringvormige trekkracht en oen buigkracht. De bodem buigt door tussen de steunen, de zuilen en de schacht, waarop hij het volledige gewicht van het water overdraagt.

Staal weerstaat even goed aan trek als aan druk. Deze laatste belasting houdt nochtans het risico in, dat in de membraanwanden waaruit de geheel metalen watertoren is samengesteld, zich het gevaarlijke, zogenaamde kipverschijnsel kan voordoen: men zal dus zorgvuldig moeten bestuderen hoe men de beproeving organiseert en nagaan of plaatselijke verstevigingen moeten aangebracht worden.

De steunen van de kuip krijgen niet enkel de verticale last van het dode gewicht van het water te verwerken, doch eveneens de zijwaartse kracht van de wind, die op haar beurt naar de fundering wordt overgedragen. De zuilen onder een lntzekuip, de pijlers en de schacht onder de cilindrische kuip, worden voornamelijk op druk belast. De kolommen moeten wegens hun grote lengte, op doorbuigen worden gecontroleerd. Zij moeten eventueel onderling verbonden worden om eraan te weer- staan.

De cilindrische schachten van betonnen bouwwerken met kegelvormige kuip en van metalen watertorens, krijgen alleen de verticale druk en deze van de wind te verwerken en worden bijgevolg zowel op druk als op bui- ging belast. Hun relatieve buigzaamheid brengt mee dat zij op resonantie dienen te worden gecontroleerd, een trillingsfenomeen dat door windvlagen wordt veroorzaakt.

De fundering van een watertoren is steeds belangrijk; zij krijgt inderdaad voortdurend een druk van duizenden ton te verwerken. Ze is natuurlijk in de eerste plaats functie van de kwaliteit van de ondergrond. In zeer geschikte grond volstaat een directe fundering op zool. Onder pijlers past men een ringvormige zool toe en onder een schacht een gewone zool of een kleine funderingsplaat. Eventueel kan men overgaan tot het vervangen van de grond door met cement gestabiliseerd zand, wanneer er zich minder goede grond bevindt tussen de fundering en de dragende ondergrond. Grond met slechts een middelmatig draagvermogen vereist een funderingsplaat, een dikke ronde plaat die het gewicht vanuit de steunelementen gelijkvormig over de grond verdeelt. De grondlagen onder de bodemplaat kunnen verbeterd worden door grindzuilen aan te leggen. Ten slotte kunnen nog palen uit gewapend beton geslagen of geboord worden wanneer het terrein op grote diepte bepaald zwak is. Overigens is deze oplossing dikwijls de meest goedkope en de beste, wegens de verzakkingen die platen met grote oppervlakte kunnen vertonen.

Door hun relatieve lichtheid kunnen metalen watertorens op vrijwel alle terreinen volstaan met een funderingsplaat van beperkte afmetingen.

De fundering in mijnstreken vergt, uit oogpunt van veiligheid, steeds een funderingsplaat uit een stuk, die eventueel op palen kan rusten en berekend wordt aan de hand van bepaalde hypothesen in verband met de bodemverzakking.

De bouw

In zijn klassieke uitvoering, wordt een watertoren gebouwd met behulp van een bouwsteiger.

Wegens de hoogte van het bouwwerk, de grootte van de kuip en de grote belasting die erop wordt overgebracht tijdens de werken, dient deze tijdelijke bouwsteiger stevig te zijn en moet hij in de ruimte een aanzienlijk volume innemen. De montage en immobiliteit ervan vertegenwoordigen een essentieel deel van de lasten die op de werf rusten. Anderzijds vormt de bekisting, als traditionele methode toegepast op meer ingewikkelde vormgevingen en onder moeilijke werkomstandigheden, het gros van de kosten voor de ruwbouw.

De inspanningen van de gespecialiseerde ondernemingen hebben zich dan ook toegespitst op het volledig of gedeeltelijk weglaten van de bouwsteiger en op het rationeler gebruik van de bekisting. De klimmende bekisting laat toe, met opeenvolgende verticale delen, de schacht van de watertoren te bouwen. Ze omvat de noodzakelijke werkloopbruggen en steunt op de structuur zelf. Dat geldt ook.voor de glijdende bekisting, met dit verschil dat deze laatste dag en nacht ononderbroken stijgt, vanaf de grond tot bovenaan de schacht; enkele dagen volstaan om een hoogte van tientallen meter te bekisten.

Deze methodes worden het gemakkelijkst toegepast op prismavormige elementen of elementen waarvan de doorsnede weinig gewijzigd wordt. De tweede methode maakt een ernstige tijdbesparing mogelijk. Hun voordeel is evenwel beperkt omdat zij in de meeste gevallen het oprichten van een bouwsteiger voor de kuip niet vermijden. Dat nadeel kon door de bouwondernemingen, worden opgevangen, hetzij door gebruikte ma- ken van geprefabriceerde, radiaal geplaatste stutten die de kuip ondersteunen en die aan de bovenkant van de schacht zijn vastgemaakt, hetzij door op grondniveau de bekisting samen te stellen rond de reeds gebouwde schacht, waarna ze met kabels tot op de plaats van bestemming wordt getrokken.

Men heeft ook reeds kuipen op grondniveau gebouwd, rondom de as van het bouwwerk. Volgens de ene methode wordt de schacht vooraf in glijdende bekisting gemaakt. De kuip wordt langs de schacht omhooggehesen met behulp van kabels en vijzels die op de top van de schacht staan opgesteld. Eens de kuip op haar plaats is, wordt ze op de schacht vastgemaakt met voor- gespannen elementen. Een andere methode toont hoe de geribde kolommen van de schacht gebouwd worden met zorgvuldig geprefabriceerde betonblokken die met epoxy aan elkaar gekleefd worden, terwijl de kuip omhooggeduwd wordt met opeenvolgende stijgingen van een twintigtal centimeter. Dit gebeurt met behulp van vijzels die steun vinden op het reeds voltooide deel van de kolommen. Bij zowel de ene ais de andere methode is het omhoog brengen van een kuip met een ge- wicht van meer dan duizend ton, het werk van gespecialiseerde ondernemingen.

De bolvormige kuip van de metalen watertorens wordt volledig op de grond samengesteld. De schacht echter wordt op de fundering gebouwd; de kuip, die een vijftigtal ton kan wegen, wordt gehesen en op haar plaats gebracht met behulp van krachtige kranen.