Geschiedkundig overzicht van de watertorens
De watertoren is een reservoir waarvan de bodem hoger is dan de grondpeil. Zulk bouwwerk bestaat uitzonderlijk uit twee delen : de reservoir, zogezegd of kuip is in het kuipdeel inbegrepen, alsook de bouw van de steun of het onderstel is in de torenzuil inbegrepen. Uitgezonderd deze elementaire delen moet de watertoren natuurlijk de toevoer en afvoer leidingen inhouden alsook de leiding van overstort en leegloop van de reservoir, de toegangsmiddelen om aan de reservoir en de verluchting te komen (zie afbeelding hieronder). .

Afbeelding uittreksel van: Eenheid in verscheidenheid - Watertorens in Belgïe © NAVEWA 1991
In de water bevoorading heeft de watertoren een dubbele functie. De eerste is een regelaar te vormen tussen de water toevoer die zich zo constant als mogelijk moet houden, ten tweede de dagelijkse distributie van dit water aan de verbruiker te leveren, die overdag een hoog verbruik heeft en een kleiner ’s nachts. Alsook moet hij een minimale druk garanderen in alle water distributie punten van het netwerk.
Deze functies zijn oorspronkelijk verbonden aan de drinkbare waterverdeling van het net welke dateert uit het midden van de achttiende eeuw. Voordien was zijn rol begrensd tot water verdeler. Reeds in de Romeinse tijd kwam het water van de gemetselde waterleiding die de stad aan water bevoorrade in een castellum (aquarum), een hooggeplaatste tank, van waaruit het water verdeeld werd op de verschillende kwartieren. In Nîmes had deze castellum de vorm van een cilindrische tank van waaruit 10 leidingen in lood vertrokken. In Pompéi verliet het water de centrale watertoren en werd over kleinere watertorens verdeeld, over de stad verspreid en bestemd om de verschillende kwartieren te bevoorraden, hetzij door de tussenkomst van de publieke fonteinen die zonder stoppen vloeiden, hetzij door een distributie net naar de private woningen. Deze watertorens opgericht in verscheidene kwartieren van de stad waren samengesteld uit een gemetseld voetstuk waarop een monolithische tank ruste.
Deze simpele uitvoering is tot de negentiende eeuw van toepassing gebleven. Aldus waren de kwartieren van de stad Luik bevoorraad vanaf 1690 door de tussenkomst van watertorens die dezelfde functie hadden als deze in Pompei. De watertoren van de fonteinen Roland was samengesteld uit een stenen toren waar zich binnenin een koperen tank bevond met een diameter van 80 cm en een diepte van 45 cm, van daaruit vertrokken de loden leidingen om de fontein en de private verbindingen te bevoorraden.
In Luik kon men het water afnemen door de aantrekkingskracht vanaf de hoge galerijen gelegen in de Maas vallei. In het platte land, daartegen, zoals bijvoorbeeld in het Vlaanderen en in Nederland moest men het water pompen voor zijn distributie. In de vijftiende eeuw kon men zonder een hoogstaande tank het hydraulische huis in Brugge bevoorraden aangezien het water werd toegevoerd in de stad via fonteinen met lopend water. Rond 1550 het water dat diende voor de brouwerijen van de Nieuwstad in Antwerpen werd met tussenposen geleverd. Een draaimolen diende om het water naar een hoger gelegen tank te pompen; van daaruit vertrok een loden leiding naar elke aangesloten brouwerij. Het water werd tegen betaling geleverd door het openen van een kraan voor de betrokkene brouwerij; hoewel in dit specifieke geval de functie van distributie van de watertoren dominerend gebleven is, werd het belangrijke aspect van “water reserve” duidelijk.
Vanaf 1835 werd dit aspect noch duidelijker opgemerkt wanneer ons land zich begon te ontwikkelen op het spoorwegnet die gegrond was op de stoomtractie. De locomotieven moesten zich regelmatig bevoorraden met water, wat de noodzaak aan een groot water volume in een korte tijdspanne meebracht iets wat onmogelijk was door het gebruik van pompen. De oplossing voor dit probleem werd door de installatie van hoger geplaatste tanken gevonden. Watertorens zoals in de tegenwoordige tijd werden zelden gebouwd: meestal waren het kuipen in hout of ijzer geplaatst op het hoogste verdiep van een normaal gebouw. Dat is de reden waarom op de panoramische schetsen van de stations in deze periode er zelden of nooit watertorens te zien waren. Op het gelijkvloers van deze gebouwen konden de nodige pompen voor de vulling van de tanks geplaatst worden. In de achttiende eeuw was de bevoorrading van drinkbaar water in de plattelandstreken onvoldoende ontwikkelt om het water te leveren aan deze installaties, zodanig dat de spoorwegen compagnies zelf deze bevoorrading hebben overgenomen welke ze tot heden noch uitvoeren.
De moderne ontwikkeling van de bevoorrading in drinkbaar water kende aan de watertoren de voorgenoemde functies toe van reserve tank en druk regelaar. Deze functies zijn beslissend voor de inhoud en de hoogte. De inhoud is enerzijds het verschil tussen de aanvoer van de productie eenheid en anderzijds de levering in het distributie net. Daardoor is het nodig de dagelijkse gebruiksvariatie in het net te kennen en een schatting te doen over het toekomstig verbruik. Men moet ook rekening houden met eventuele supplementaire verbruiken door de brandweer en in het geval dat de productie onderbroken word, een hoeveelheid te voorzien voor dringende gevallen. De plaats waar de water reserve moet gezet worden hangt af van de minimaalste druk die noodzakelijk is op bepaalde plaatsten van het distributie net, alsook het drukverlies in de leidingen. Door het bestuderen van het reliëf van de streek en de leiding structuur zal men de voordeligste plaats voor de tank en voor de hoogte van de watertoren kunnen berekenen.
De uiterlijke aanblik van een
watertoren is in de eerste plaats bepalend door zijn technische karakteristieken
en nog nauwkeuriger door zijn inhoud en de hoogte van de kuip. Vervolgens zijn
het, de beschikbaarheid van de bouwmaterialen en de vooruitgang van de
burgerlijke bouwkunst die een rol zullen spelen. Het is zo dat, tussen 1880 en
1910, verbeteringen aangebracht werden op gebied van het bouwen van de ijzeren
kuipen die veel invloed heeft aangebracht voor het uitzicht van de watertoren,
terwijl met de opkomst van het gewapend beton, gevolgd door de “précontraint”
beton, duidelijk de recente watertoren bouw heeft beïnvloed.
Het financieel aspect is dicht aan deze evoluties verbonden. De versmalling van de torenzuil, mogelijk gemaakt dank zij de Intze bodem op het eind van de achttiende eeuw, betekende een aanzienlijke kostprijs vermindering door het verminderde volume aan metselwerk. Onlangs is de overgang tussen de watertorens, van het zuiltype in metselwerk tot aan de bouw van de paddestoelvorm in beton, nog voordeliger geworden door het verschil van de kostprijs van een gebouw in metselwerk en een ander in beton met glijdende bekisting.
Het is duidelijk dat het gebruik van versiering elementen de prijs van een watertoren omhoog trekt. Tegenover andere landen zoals Duitsland en de Nederlanden waar de steden monumentale watertorens gebouwd hebben, merkt men op dat in België weinig geld werd uitgegeven voor de versiering van deze bouwwerken. Van de overgang tot het beton spruit een nuttige maar gestereotypeerde stijl uit, die generaal gezien als onesthetisch aangevoeld werd. In 1939 word in Frankrijk, als gevolg van deze evolutie, een wedstrijd georganiseerd over het bouwen van watertorens voor kleine steden en gemeenten. Een analyse over deze concepten laat vaststellen dat :
- het voet is smaller dan de kuip, versterkt door pseudo-nervaturen;
- Veelhoekig voet met cilindrische kuip;
- Volle wand vervangen door een zuilenrij op een cirkelvormige of veelhoekige bodem.
Men merkt op dat de
verschillende elementen aangebracht door deze franse concepten een invloed
hebben gehad voor het bouwen van de Belgische watertorens tot in de jaren
zeventig.
Als vierde invloedgevende factor
op het uiterlijk zicht van de watertorens zou men de momentele architectonische
stijl kunnen noemen. Het is aldus dat men op het einde van de achttiende eeuw de
neoklassieke of eclectische elementen vindt. In het begin van de twintigste eeuw
doet de invloed van de nieuwe kunst zich voor door het gebruik van gekleurde
stenen op bepaalde watertorens, terwijl de soms veelvuldige versiering van de
jaren dertig laat denken aan de deco kunst.
In dit context tekent zich de ontwikkeling historie af over de bouw van watertorens in België. Zij is kenmerkend, enerzijds door de verschillende bouwtypes die zich in het buitenland hebben voorgedaan, juister gezegd in Frankrijk en in Duitsland, anderzijds door de eigene plaatselijke kenmerken op gebied van watertoren bouw maar die nochtans stijlen gebruikt hebben van andere landen.