Bouwhistorie

Volgens studie over Watertorens-Informatieblad-Mr W. Vancraenenbroeck- © NAVEWA April 1990

1880-1900 : Oude types met ijzeren kuip 

In het begin werd een watertoren prototype uitgevonden, gemaakt door een gietijzervat gebouwd op een stenenmuur, die voorzien was om kleine hoeveelheden water op te slaan. Zulke simpele modellen bevinden zich noch in de land en tuinbouw. Via het buitenland (Duitsland, Engeland) weten wij dat zulke systemen bestonden in het begin van de 19 eeuw, in de spoorwegen, waar ze werden gebruikt om het water voor locomotieven te bewaren. Ze werden dikwijls verbonden aan kleine waterputten, met dewelke zij zich dikwijls in hetzelfde gebouw bevonden. Een overeenkomst met de watertorens van de buurtspoorwegen is noodzakelijk (Wasme). Alleen de installatie van het buurtspoorwegen museum  in (Schepdaal) is nog operationeel. 

De vorm voorzien van een gesloten infrastructuur mag beschouwd worden als een basistype voor een reeks van watertorens met gesloten voet, waarvan de ontwikkeling dicht verbonden is aan de uitwerking van de ijzerkuip. In het begin bezitten deze een platte bodem waardoor ze een centrale steun eisen, en door dit feit een zware infrastructuur. In het buitenland zijn verschillende eenheden van deze vorm bewaard gebleven (v.b. Rotterdam-Honingerdijk) maar in België bestond er slechts een enkel exemplaar in Brussel in het ter Camerenbos (1892; grondvorm B) die werden omgebouwd als burelen begin 1990. 

Zelfs na de overgang van de betonbouw, ijzerkuipen met platte bodem worden noch gebruikt voor industrieel watertorenbouw, waar ze door een stalen stelling (type E3) gesteund werden. In Brussegem   van 1950 tot 1969, een ijzerkuip met geprefabriceerde elementen (Braitwaithe) is in gebruik gebleven in afwachting van de bouw van de nieuwe watertoren. Constructie van deze type zijn noch in gebruik bij het Engels leger.

Op technische gebied, het gebruik van platte bodem  geeft duidelijke nadelen. De platte bodem kreeg een buigzame sollicitatie,  een speciale bouw was nodig om het geheel  te dragen met brede muren.  Met de bodem in holle ronde vorm was een oplossing gevonden waarmee geen enkel onregelmatig verzoek tussen kwam. Alleen het metaal is tot tractie onderworpen. Met zulke middelen is het mogelijk te bezuinigen op metaal en ook op het binnenste muurwerk. De uitvinding van hangende of holronde bodem is toe te schrijven aan de Fransman Dupuit in 1854-1855. Vanaf 1857, het lijkt dat de Franse spoorweg watertorens waren uitgerust met de cilindervormige kuip met hangende bodem (Spoorweg van zuid). Deze rust op een achthoekige grondslag, hij is bekleed met een veelhoekige bedekking uit  houten latten met een piramidevormig dak. Zulke watertorens werden opgemerkt op de spoorwegen van Silesië op het einde van het jaar 1860.

Het schijnt dat in de publieke waterverdeling de hangende bodem voor de eerste keer werd gebruikt in Straatsburg in 1878. In België vinden wij die vanaf 1880. De wijze van de ongesloten kuip geeft het type A van lopend gebruik bij de spoorwegen. Zij is dezelfde als bij de Franse spoorwegen. Andere met cirkelvormige voet zoals in Namur-Salzinnes, of met achthoekige voet zoals in Muizen zijn bekent. Een enkel exemplaar heeft een andere bestemming: dit betreft de watertoren van het domein van Mariemont, samengesteld uit een ijzeren kuip op een gemetselde zware cilinder. Hij dateert van 1867 (de oudste watertoren die in België bestaat?). 

De bedekking van de kuip deed zich bij voorsprong met een houten belatting voor, dit vormde een licht erkervormig model (grondvorm C). Deze nam een cilinderige vorm zoals de twee gelijke watertorens in Gent-Kattenberg of stelde een veelhoekige vorm voor zoals in Tongeren of in Tamines. Deze laatste watertoren, op het ogenblik afgebroken, was niets anders dan een wijze bedekt zoals het type A met achthoekige voet, idem als de vorm van de spoorwegen in het zuiden, zoals voordien beschreven. Een speciaal geslaagde ontwikkeling van dit model gaf de oude watertoren van Chatelineau die voorzien was van een fronten portiek.

In het begin van deze eeuw is de ontwikkeling verder gegaan met een aantal beperkte watertorens waarvan de kuip was bekleed met metselwerk in plaats van hout. In Turnhout de veelhoekige bekleding van de watertoren was gesteund door een metalen bouw. De torenzuil bekwam een verticaal  scharniergewricht door het gebruik van een reeks vensters. De vergelijking met het voorbeeld van een variant waarvan men meerdere exemplaren in het buitenland vindt.

De nadelen van de hangende bodem zijn bijzonderlijk verbonden door de moeilijkheden betreffende het krombuigen van de ijzeren plaat die van oorsprong plat is en van het uitglijden van de kuipboord op de cirkelvormige balk verdeling, welke zeer vroeg ontdekt werden door Otto Intze, professor aan de technische hogeschool in Aken. Hij stelde een drastische oplossing voor, langs een kant de hangende bodem te vervangen door een kegelvormige bodem, langs de andere kant de steunring verplaatsen naar een lager gelegen punt. Deze is vrijgesteld door de vervanging van een deel der centrale bodem door een bolvormige plaat. Deze bouwwijze, gepatenteerd in 1883, betrefte niet alleen de voorgenoemde nadelen maar gaf ook de mogelijkheid om 20-25% te sparen aan metselmaterialen door de vermindering van de diameter aan de cirkelvormige balk verdeling. Watertorens met Intze kuip zijn voorgekomen in België in de jaren 1890 (grondvorm D). Met deze bouwwijze ontstond een typische metamorfose van de spoorwegen, bestaande uit een brede ijzeren kuip met een kegelvormige bodem op een cilindervormig of licht kegelvormig voetstuk. De zeer bekende watertorens bij het station Antwerpen-Oost behoren tot dit type. Na 1900, bij het verbruik van de publieke waterverdeling werden dezelfde watertorens gebouwd maar bekleed met een veelhoekige mantel uit profielijzer of in steen zoals deze in Turnhout. De bekleding is kenmerkend voor deze watertorens, soms merkwaardig  door gekleurde stenen waarvan men de invloed van de nieuwe kunst herkent. Nog bestaande en met juistheid gerangschikt zijn de twee watertorens van Braine-l’alleud (l’Ermite en Saint-Sébastien). Een ander exemplaar, maar matiger, was in Velaine (Sambreville) bewaard gebleven maar deze werd afgebroken in 1999. De mooie watertorens van Berchem-sainte Agathe en Liège-Vennes werden ook  afgebroken, de laatste in 1989.

In het begin van deze eeuw is een type ontstaan met een volledige andere vorm: rond een constructie, bestaande uit een Intze kuip op een voetstuk, heeft men een stenen mantel rond gebouwd (type B. Zuil grondvorm). Bij Hilversum in Nederland bevind zich een mooi voorbeeld van zulke constructie, vroeger opgebouwd door “La compagnie Générale des conduites d’eau” in Luik.             

In België kent men lage varianten in veelkleurig metselwerk in de streek van Charleroi, zoals in Lodelinsart, Dampremy, Haine-Saint-Paul en Montignie-sur-Sambre. Die van ‘s-Gravenbrakel is in een meer recente bouw geïntegreerd. Dit model mag beschouwd worden als de voorloper van verschillende zuilvormige watertorens (onder typen B1/A en B1/B), die ontworpen werden in de jaren dertig, in dewelke de bouw van de interne betonnen steun ook werd omgetrokken met een buitenlaag. 

Er blijven maar enkele exemplaren van kuipen met kegelvormige bodem, eerste verbetering aangebracht door Intze, namelijk het voorbeeld van een watertoren langs de spoorweg in Charleroi waarvan de kuip rust op een open bouw in betonbalken. In feite betreft het hier een zuiveringsinstallatie waarvan de bodem kegelvormig is om gemakkelijker de modder te concentreren en af te tappen. 

Zeer vroeg kreeg Intze het idee voor de industrie om de watertanken op de schoorsteen te zetten. De Intze kuip was daarvoor ideaal. De oudste watertoren van dit type dateert van 1885. Een later exemplaar met een metalen kuip werd noch in België gebouwd in 1930 voor La vielle-montagne in Balen-Wezel

Ondanks de Intze kuip succes en zijn doeltreffende rol bij het bouwen van watertorens in de periode tussen 1890-1910, gaf deze bouwstijl nog nadelen verbonden aan de verschillende buigingen van de bodemplaat. Professor Barkhausen van Hannover ontwikkelde in1898 een kuip met een halfronde hangende bodem, waarvan het gewicht op de bouwsteun verdeelt word over de loodrechte steunen tussen cilinder en bodem. Door dit feit is ze speciaal goed aangepast om op een open voet gebruikt te worden. Deze kuipvorm, bekent als de Barkhausen kuip (open), is in ons land zeer weinig gebruikt. Bij Herstal (rue du Bourriquet) bevond zich een typisch exemplaar tot 1984 met een metalen profiel infrastructuur. Een tweede exemplaar is noch in gebruik bij General motor in Antwerpen

Van de bolvormige ijzeren kuipen zoals deze die ontstond in Duitsland in het begin van deze eeuw is in België geen enkel exemplaar bekend. Deze kuip was via een kegelvormige balk gesteund door een open  of gesloten infrastructuur (stelling).

1900-1920 : de vroege betonbouw

De in Parijs wonende Belg Hennebique heeft op het einde van  de vorige eeuw een bouwwijze uitgevonden van dewelke de plaat balksysteem een monoblok constructie werd door verbindingen te maken tussen de bestanddelen (beugels) in gewapend beton. Deze beugels zijn van buiten uit zeer merkbaar bij eerste constructies (Hennelbique beugels). Een van de eerste watertoren die werd uitgerust met deze nieuwe methode was in Newton-le-Willows (Engeland) in 1904 alsook een bijna identieke in Hasselt in 1910. Gedurende de periode van 1902 (Fosses) tot 1930 (Lot), werden watertorens gebouwd in gewapend beton, tijdens deze evolutie werd een belangrijke rol gehouden door de firma Grondel van Gent, die de vergunning had voor het Hennelbique systeem. Wij merken nochtans een evolutie op van de eerste uitvoeringen naar de slanke en versierde watertorens, welke voor een groot deel het gevolg is van een verminderde volume van de draagbare structuur. De watertoren van Luik-Sint-Gillis (1923) is daar een voorbeeld van. Hoewel op het eerste zicht uitgerust met een Intze kuip, in werkelijkheid heeft hij een platte bodem. De afwerking is kenschetsend door de deco kunst elementen, deze stijl was modern tot de jaren dertig.

Vanaf ongeveer het begin van deze eeuw werden ook Intze kuipen in beton gebouwd. De eerste exemplaren met een opengewerkte voet dateren van de jaren twintig in België. Exemplaren in een meer sobere stijl bevinden zich in de industrie, namelijk in de bedrijven Glaverbel in Roux  en Zeebrugge en in de metaalindustrie van Hoboken-Overpelt te Olen-sint-Joseph. Deze twee types van watertorens werden gerangschikt  onder de grondvorm E.

1920-1940 : de skeletbouw

Tijdens de jaren twintig en dertig werden een reeks sobere watertorens gebouwd met een  karaktertrek op de Hennebique bouw. Ze zijn vervaardigd uit zes of acht steunen in gewapend beton geschikt in een cilinder of piramidaalvorm en verbonden door cirkelvormige balken.

De erkervormige betonnen kuip is gesteund door betonnen balken in kruisvorm geplaatst of straalsgewijze gesteund op verticale balken. De ruimte tussen de timmerwerkbalken zijn met metselwerk gevuld, dikwijls gecementeerd of geschilderd. Door hun lage kostprijs zijn deze watertorens in het buitenland aangesloten voor de waterverdeling in de industrie, waar de schoonheid niet telt maar wel de economische redenen. Men komt ze inderdaad ook in België tegen in de industriële streken van Wallonië, maar ze dienen in de eerste plaats voor de drinkbare publieke waterverdeling.

De typische exemplaren met cilindervormige voet (type C1) merkt men gewoonlijk in België in de provincie van Luik op. De meeste van deze bouwwerken, zoal die van Cheratte, hebben meestal kleinere maten, enerzijds door de kleine inhoud van de kuip (50-150m³), anderzijds door hun ligging (vlakte). We komen ze door dit feit tegen in de Condroz of rond Luik met verschillende torenzuilen, stenen metselwerk, betonnen balken met metselwerkvulling, soms gecementeerd of geschilderd. De watertorens van Ans-Xhovémont en van Embourg bezitten bovendien typische versierelementen zoals ophangende torentjes, welke op een elegante wijze het probleem van de toegang tot de kuip oplost en dat de mogelijkheid maakt om de toevoer  en verdelingsleidingen te behouden.

Tussen de watertorens met de grootste inhoud (200-800m³), is deze van Thuin de opmerkzaamste wegens de versieringselementen, onder meer een verbazend schilderwerk van groene muurpanelen in kontrast met witte structuurbalken, de uitvoering van de kanteelvormige leuning, en het dak in koepelvorm. Een ander opmerkzaam voorbeeld is de watertoren van Montegnée-Thyba bij Luik, waarvan de zware indruk nog sterker is door een te zwaar portiek, en dit ondanks enkele decoratieve elementen zoals de boogvormige voorstelling op de hoogte van de onderste boordkuip.

Men kan een reeks watertorens, type C2, met een licht overhellende kuip en verticale tekeningen op de voet beschouwen, wat de vorm betreft, als een verbeterde uitvoering van het type C1 zoals eerder beschreven.

In die watertorens is de verticale aanblik dikwijls versterkt door een reeks vensters of versierende elementen, men merkt de cirkelvormige balk niet op. De watertorens van Chaumont-Gistoux (1923), Jesus-Eik (1938) en Quevaucamps (bouwjaar ?) zijn verbazend door hun rijke versiering, en namen de deco kunst elementen aan. Andere typische voorbeelden van deze vorm, hoewel soberder, zijn de  watertorens van Hamme (1930), Herve (1938) et Anderlues (1938?). Wat de twee laatste betreft werden de verticale balken half-zuilig uitgevoerd, tussen dewelke een metselvulling en vensters werden verwezenlijkt. 

De grote weerstand van de veerkracht aan het raamwerk laat een grotere overhelling toe van de kuip dan van de vorige typen. Wij rangschikken deze stijl van watertoren onder het type C4. Hij is ook gekenmerkt door een torenzuil van betonnen balken met een metselwerk vulling, en waar de erkervormige kuip belangrijk is, ontstaat een waarde van rf>1,3. De oudste van deze watertorens dateert van1920. Een typisch voorbeeld van de groep met cilindervormige voet is de watertoren van Schaltin-Frisée. Kenmerkend zijn de exemplaren met een licht piramidevormige torenzuil afkomstig uit het zuiden van de provincie Luxemburg, namelijk la Gaume: Heinsch, Tintigny, Sainte-Marie-sur-Semois, Etalle, Udange…..Meer ontwikkelde exemplaren bevinden zich bij La Louvière, te St Niklaas en Wetteren

Watertorens met Intzekuip werden in de “op te vullen” bouwmode in waarde genomen. Er werd reeds in 1906 een kleine watertoren gebouwd, in Ohain, met een gladde cilindervormige Intze kuip, gedragen door acht betonnen balken, ondereen verbonden door dwarsliggers. Twee andere exemplaren van deze soort werden gelijktijdig opgericht in Waterloo (Station en Coleau). Deze bouwstijl heeft zich ontwikkelt in de jaren twintig en dertig naar beter uitgewerkte modellen, waarvan meerdere exemplaren werden gebouwd. Dit is het geval van een typische spoorweg watertoren, gekenmerkt door boogvormige versieringen op de kuipbasis die de verticale lijn  gevormd door de scherpe voetkant verlengt op de kuip. De tussenruimte tussen de draagbalken is aan het begin van de kuip open. Over het hele land zijn voorbeelden verspreid van Oostende tot St-Mard (Virton). Een andere variant met raamwerk, zowel voor de torenzuil als voor de kuip, bevind zich in Limburg (VMW), namelijk in Herderen, Mopertingen, Rosmeer (afgebroken) en Vroenhoven. Terwijl deze modellen kenmerkend zijn door de afwezigheid van versieringen, is het in Oostende (Opexwijk), in Gent (Dr Guislain en St Jozef instituut) alsook in Landen dat men exemplaren met versieringen vind. Het lijnreliëf is hier bijzonder merkbaar door de betonrand boven het fondament en de versierbalken aan de kuipbodem, terwijl de raamafwerking is uitgevoerd bij middel van contrasterende boven en onder drempels. 

De combinatie van een Intze kuip met cilindrische of prismatische torenzuil in het raamgestel  is tot stand gekomen in de jaren dertig. De primitieve vorm van een volledig raamgestel op achthoekige torenzuil bemerkt men zelden : deze in Waver dateert van 1934 en deze van Boom-Bosstraat van 1936. Een groter variant schijnt dicht verbonden te zijn aan de streek van La Louvière. De watertorens hebben gewoonlijk een cirkelvormige voet bestaande uit verticale balken die bedekt zijn met een witte kleur en daardoor contrasteren op de metselvulling in donkerrode steen (b.v. Spy).Op enkele exemplaren zoals in Marche-lez-Ecaussinnes werden de horizontale balkverbindingen vergeten, wat kenmerkend is naar een variant die vanaf 1935 ontstond. In dit geval is de indruk minder op de structuurbalken gelegd welke niet altijd zichtbaar zijn in de torenzuil. Deze uitwerking is versterkt door een minder gecontrasteerde vulling en met een rij verticale vensters ingericht in de muurpanelen tussen de balken. Zulke watertorens bevinden zich spreidsgewijze te Gentbrugge, Alsemberg, Carrières

In de reeks van watertorens met raamgestel is een kenmerkende groep ontstaan door een aantal cilindervormige watertorens in de Condroz die uitgevoerd werden als colonnen (Ramelot, Tihange), ofwel met boogvormige openingen onder de kuipbodem (Strée, Soheit-Tinlot, Rouvreux). In deze watertorens is de balkenstructuur onzichtbaar door het cementeren van de buitenwand, daardoor hebben ze de indruk in beton gebouwd te zijn met een schuivende bekisting. 

Onafhankelijk van de bovenvernoemde schematische evolutie, zijn er een aantal watertorens waar de torenzuil volledig uit beton verwaardigt is.

In Chappelle-lez-Herlaimont werden de panelen tussen het betonnen raamgestel gevuld met vloeibare beton. In de streek van La Louvière komt men een half dozijn watertorens tegen van dit type die allen van de periode 1932-1938 zijn, en die opmerkend zijn door hun romige kleur. Bij enkele van deze watertorens, zoals in Trazegnies, is het raamgestel verminderd door een balkvormige golving  van de betonnen wand die de kuip volledig steunt. Deze bouwstijl is voornamelijk in Frankrijk verspreid.

De oorsprong van de schelpvormige steunbouw werd reeds toegepast ongeveer in 1910 door een snelbouw procedure, die bij aanvang voorzien was voor schoorstenen. Halfronde betonnen platen werden opgehoopt om kloven te vormen welke tezamen verbonden werden door platte platen. IJzeren staven werden in de openingen en in de muurpanelen aangebracht en met vloeibare beton toegedekt; daardoor vormden de verschillende delen een geheel en bekwan men de nodige hardheid. De firma Monnoyer legde in 1906 een patent neer voor zijn geprefabriceerde betonnen blokken waarover een studie werd verwezenlijkt door de ingenieurs Dumasse en Braive. De kenmerkende structuur in kloofvorm bevind zich uitzonderlijk in de industrie waar ze toepassing vond voor het bouwen van afkoeltorens (fabriek van Marchienne, mijnen in Zolder, spiegelglasfabriek van Mol-Gompel) alsook voor de schoorstenen (Nijvel) en watertorens (Mol-Gompel). Deze procedure werd ook veel toegepast voor de niet-industriële waterverdeling. Een eerste voorbeeld van 1908 bevind zich in Brugge-Sint-Michiels (Onze Lieve Vrouw Instituut) en een ander indrukwekkend exemplaar bevond zich in Zeebrugge (bouwjaar onbekend). Een ander voorbeeld in Houtain-Saint-Siméon toont aan dat dit type van watertorens verspreid is over het hele land.

1940-1970 : de zuilvorm

Vanaf de jaren dertig, waar de bouwconstructie met raamgestel zijn hoogtepunt bereikte, merkt men dat de ontwerpers van watertorens minder de klemtoon leggen op het deel dat de kuip inhoud, zoals reeds van gebruik was in het begin van deze eeuw.

Zowel Intze kuip met zware erkers, als de balken met een open structuur, waren bouwkundig gezien als onvoldoende. Het is mogelijk dat het onesthetisch karakter van vele watertorens  in België gebouwd met raamgestel, heeft bijgedragen om een reactie op te wekken, welke langs de ene kant bestaat om het kuipdeel dunner te maken en langs de andere kant het draagstructuur te verbergen. 

De eerste ingreep werd uitgevoerd door alleen de centrale Intze kuip te bewaren waardoor een koepelvormige bodem ontstond. De oudste watertoren van deze soort in België dateert uit 1925 en bevind zich aan de Gentpoortvest in Brugge. Nochtans dateren de meeste van deze watertorens uit het einde der jaren dertig en begin der jaren veertig. Typische voorbeelden zijn de watertorens van Brasschaat (PIPDA) met een licht erkervormige kuip op een torenzuil van loodrechte elementen. Ze dateren van 1938. 

Men kan een uitbreiding van het voetstuk verwezenlijken met een niet draagbare dekmantel. Men kan deze methode duidelijk opmerken door de twee watertorens van Boom uit 1936 (Bosstraat en Willemstraat) te vergelijken. In beide gevallen rust de Intze kuip op een balkstructuur, maar deze van in de Willemstraat heeft de voet omringd met een stenen muur. Hoewel de kuip als de voet dezelfde diameter hebben en de watertoren zuilvormige is, geven verschillende oriëntatielijnen de indruk dat de kuip zich in het bovenste deel bevind. Deze laatste bijzonderheid is karakteristiek voor het type B1/A gebouwd in de jaren dertig. 

Een andere mogelijkheid om de torenzuil zichtbaar breder te maken is het aanbouwen van een schoormuur. Verschillende vormen van schoormuren komen voor in de jaren dertig: schoormuren op de volledige hoogte of tot aan de kuip (type B1/A van Sart-Dames-Avelines); tot aan de onderste kuipboord licht erkervormig (type S1 : Champion); tot aan de halve breedte onder een kuip in zware erkervorm (type S2 : Eghezée). 

Deze beide neigingen leiden in de betreffende periode tot een relatieve vermeerdering van een aantal watertorens van het type “ licht erkervormig” (groep C) en van het veelhoekig type (groep B). 

Wat de eerste vorm betreft is een bouwstijl uitgekomen tussen 1950 en 1970, waardoor zowel de torenzuil als de licht erkervormige kuip werden uitgevoerd zonder verticale tracering en in dezelfde materialen. Men kan de watertorens van Chatelineau (1959) en van Middelkerke (1971) als voorbeeld beschouwen. 

Andere uitvoeringen van deze bouwwijze zijn de zogenoemde “plattelands typen” en “lantarentypen” die tot het type C3 behoren, welke voornamelijk in Wallonië verspreid zijn, onder andere in de provincie Namen, waar de afwerking dikwijls is uitgevoerd uit natuurstenen in plaats van bakstenen (Ermeton-sur-Biert, Hachy). Ze stellen een grotere erkervormige kuip voor waar de platte bodem zichtbaar gedragen word door balken kruisvormig of straalswijzing geplaatst. De variante daterend uit ongeveer 1955 welke men in de provincie Antwerpen vind bevat een Intze kuip die niet zoals gewoonlijk ondersteund is door centrale zuilen. In dit geval is het gewicht van de kuip overgebracht op de wanden via een schuine balkenbouw.

Sedert de jaren dertig is de aandacht getrokken op de veelhoekige vorm. Met uitzondering van enkele cilindrische of veelhoekige watertorens met gladde afwerking in het Waalse landgebied, hebben de meeste een afwerking waar het verschil tussen de kuip en de torenzuil gemakkelijk op te merken is, welke een karakteristiek type van B1/A is. Later zal dit verschil volledig verdwijnen wat tot resultaat heeft de watertank steun te verbergen. Tenslotte bekomt men een veelhoekige watertoren van het type B1/B welke samengesteld is uit een cilindrische of licht kegelvormige mantel in bakstenen, bedekt met een kegelvormig dak, soms bedekt met een puntig bovenlicht op de verluchtingsbuis. Voorbeelden als deze in Tourinnes-Saint-Lambert komt men in het hele land tegen. Andere varianten hebben een dakpaviljoen (Oostende, Battice) of verticale traceringen op de zijwanden. De voorname  verspreiding van deze watertorens is toe te dragen aan de ingenieur Hennig, ambtenaar aan de Administratie van Stedenbouw van het Ministerie van Openbare Werken, welke deze vorm opeiste, namelijk aan de NMDW (Nationale Maatschappij van Waterverdeling welke geregionaliseerd werd in SWDE en VMW. Tussen 1950 en 1970 werden door dit feit meer dan 100 van deze watertorens gebouwd. 

1960-1980 : De Paddelstoelvorm

Een typische watertoren van deze groep is gebouwd uit een betonnen Intze kuip, die gedragen word door een centrale balkenstructuur welke via dwarsbalken de wanden ondersteunen. 

De aanvraag van watertorens met een grote voorraad  inhoud en de betrekkelijke hoge prijs van de veelhoekige (metselwerk) watertorens hebben tot gevolg gehad dat een nieuwe neiging is ontstaan in het voordeel van watertorens met zichtbare kuip, welke zich in de jaren zestig ontwikkelden en dit op het tijdstipt dat de bouw van de veelhoekige watertorens zijn hoogtepunt had bereikt. De watertoren is verminderd tot zijn minimaalste delen: een kuip om het water op te slaan en een steunbouw die deze kuip ophijst om een bepaalde druk te bekomen. Dit kan op drie wijzen uitgevoerd worden: door een centrale steun (type D3), door een zijdelinkse steun (type E2), door de vereniging van deze twee (type E1). In de praktijk merkt men dat het type E2 van minder gebruik is, behalve in de industriële toepassing waar de gemakkelijke toegang tot de kuip niet noodzakelijk is. De watertorens met een schotelvormige kuip van SIDAL in Duffel en zijn verbeterde uitvoering bij Philips te Hasselt zijn daar voorbeelden van.

De paddelstoelvormige watertoren van het type D3/A met een cilindrische kuip zoals deze in Liers-Milmort en Vilvoorde zijn vervaardigt uit een smalle pijpleiding waarop een zware erkervormige kuip rust. Het verschil tussen de hoogte van de kuip en zijn diameter kan zo minimaal zijn met als resultaat een schijfvormige tank zoals in Mechelen-Noord. Zulke watertorens komen vanaf de jaren zestig voor. 

Typisch in betrekking met de jaren zestig zijn ook de (bijna) bolvormige kuipen op een smal voetstuk van het type D3/B. Behalve deze van Berendrecht, waar de kuip op de grond was uitgevoerd in beton en op de torenzuil werd opgehijst, zijn alle andere in staal. Vanaf 1960, toen een eerste exemplaar werd gebouwd in Chertal voor Espérance-Longdoz, werden er een twintigtal gebouwd in het tijdstipt van 10 jaren, de meeste door de onderneming “Atelier de construction de Jambes” in Namen. De kostprijs van deze watertorens was toen ongeveer 6 miljoen franken, hetzij de helft van de klassieke watertorens.

De watertorens waarvan de kuip rust op zuilen en een centrale torenzuil, met andere woorden die afkomstig zijn van de Hennelbique bouw van het type E, komen pas terug na 1950, namelijk voor grotere inhoud. Het is tijdens deze periode dat professor Riessauw van de Staatsuniversiteit te Gent de slanke watertorens uitvindt van De Panne en Gent. De kuipbodem is vlak en word door een centrale torenzuil gedragen omringt door acht rechthoekige zuilen. Tijdens de jaren zestig worden in de provincie Antwerpen een reeks monumentale watertorens gebouwd van de PIDPA waarvan de kuipinhoud 3000 m³ kan bereiken (Oevel-Punt). Bij sommige van deze watertorens heeft men van beneden uit gezien een indruk van lichtheid omdat de torenzuil zijdelinks geplaatst is (Hemiksem-Scheldeboord). Gelijkvormig aan deze, maar typisch door de bekleding met rode bakstenen, zijn de watertorens van de CILE in Magnée en in Grâce-Hollogne bij Luik. 

1970-1990 : De Kegelvorm

Tot in de jaren zestig voerde zich het bouwen van de watertoren zowel van het geheel als van de verschillende delen in principe uit volgens een cilindrisch/prismatisch profil of licht kegelvormig. De watertoren van Nijlen, gebouwd in1963, is de voorloper van een nieuwe ontwikkeling. De betonnen kuip met platte bodem, welke de vorm heeft van een verkorte omgekeerde kegel, rust op zuilen die ook op een kegelvormige wijze gebouwd zijn, welke aan het geheel het inzicht heeft van een verkorte omgekeerde kegel. Verschillende watertorens van dit typeE1/B komen de volgende jaren in de provincie Antwerpen voor aan de PIDPA. In de jaren zeventig verschijnt een variant van het type E1/B bij de SNDE en aan de TMVW. Men komt er bijvoorbeeld in Haasrode, Hannut en Lebbeke tegen, waar ze karaktertrekkend zijn door een slanke vorm, bekroond met een geribde kuip bedekt met platen uit kunststenen. Bij enkele van deze watertorens raken de zuilen de centrale torenzuil aan en bekomen daardoor de functie van schoormuren. Ze zijn gerangschikt onder het type S3. 

In de periode van 1970 tot heden heeft men ook de kegelvorm toegepast op andere types dan E1, namelijk op de zuilvorm B en op de paddestoelvorm D3 (respectievelijk B1/C en D3/C) In Gent (SIDMAR) bevind zich een zuil in de vorm van een verkorte omgekeerde kegel met een veelhoekige schotel. Dit typisch voorbeeld van het type B1/C dateert uit 1974. 

Een speciale vorm, kenmerkend voor een landschap, waarvan de eerste exemplaren dateren van 1969 (Oostduinkerke, Roksem) maar waarvan de constructie voornamelijk in de jaren tachtig uitgevoerd werd is de typisch cantharel vorm, karaktertrekkend zoals van dezelfde naam : de paddestoel (lat. Cantharellus), door een smal en hoog voetstuk waarop een omgekeerde kegel bevestigt is (Fleurus, 1983) Zulke watertorens behoren tot het type D3/C en zijn voorzien om watervolumes tussen 1500 en 3000 m³ in te houden, ze zijn volgens een andere methode gebouwd. In de eerste plaats werd de torenzuil opgericht, daarna word de kuip op de grond samengebouwd en opgehijst bij middel van een vijzel zoals een geprefabriceerd element. 

Van dezelfde soort, hoewel duidelijk verschillend, is een reeks watertorens van de PIDPA samengesteld uit een rechtstaande verkorte kegel (kuip) en een omgekeerde verkorte kegel (voetstuk). In dit speciaal geval is de kuip in beton “précontrain” opgehangen door trekstangen aan een cirkelvormige balk boven de centrale zuil. Deze methode werd toegepast vanaf de periode  1973 (Herselt) tot 1980 (Sint-Amands).