ARCHITECTUUR EN LANDSCHAP
Architectuur
Banale silo? Logge massa? Nutteloos "waterhoofd"? Hoewel de watertoren een belangrijke rol speelt in het dagelijkse leven, bekijkt men hem met een afwezige en ongeïnteresseerde blik. Door velen wordt hij ervaren als een noodzakelijk kwaad, als alledaags of lomp, om niet te zeggen lelijk en hinderlijk.
Een oude
discussie : het probleem van de vorm en de functie
Het bouwwerk "watertoren" stelt het probleem van schoonheid en waarheid in de architectuur, en daardoor is hij ook een geschikt voorwerp van onderzoek over het "conflict" tussen hot nuttige en het mooie, tussen functie en vorm.
Hot eeuwige debat over de gevolgen van het bouwprogramma voor ziin plastische uitdrukking werd voor de beschouwde periode vanaf 1882 gevoerd binnen de Engelse groep Arts and Crafts, later ook bij O. Wagner en A. Loos tijdens de Wiener Sezession in 1897, en nog later bij H. Van de Velde te Weimar in 1902. De discussie laaide opnieuw op bij de stichting van het Bauhaus en het manifest van W. Gropius in 1919, en passioneerde vanaf 1928 de leden van het eerste Congrès International d'architecture Moderne (CIAM) waar Le Corbusier theoretiseerde.
De spreuk "schoonheid door waarheid" zei niets anders dan het meer bekend geworden "de vorm volgt de functie'.
In die periode echter was de ruzie tussen ingenieurs en architecten al praktisch bijgelegd, maar ze was soms hevig geweest. Ze had de bouwkundigen die gevormd werden in instituten voor technische opleiding, Iijnrecht geplaatst tegenover de architecten die in de academies de regels reproduceerden van een officiële kunst. Hun wederzijdse ideeën hadden tijd nodig om toenadering te vinden, en ten slotte te versmelten. Dit was zeker het geval voor bouwwerken zoals de watertorens, die eigenlijk noch tot het domein van de architectuur, noch tot dat van de bouwkunst gerekend werden. De bouw van een watertoren was immers in de grond een zaak voorgespecialiseerde ingenieurs. De gewone architect was er niet op voorbereid zijn techniciteit aan te kunnen.
Het is dan ook tekenend dat over het algemeen maar weinig architecten met naam watertorens ontworpen hebben, zeker in Wallonië met zijn groot aantal kleine waterleidingdiensten. Men moest wachten tot na de Eerste Wereldoorlog vooraleer dit gebouwtype een plaats kreeg in de gewone oefeningen van de architectulirscholen, zij het dan nog vooral via de omweg van de sitologie en de aandacht voor het uitzicht.
Op één of andere merkwaardige uitzondering na, toont de geschiedschrijving overigens duidelijk aan, dat de zorg om het esthetische aspect en om de architecturale vormgeving van de watertorens pas dateert van de jaren vijftig van deze eeuw, wat toch vrij laat is als men bedenkt dat zij al gedurende minstens 70 tot 80 jaar gebouwd werden. Het is pas tijdens deze laatste periode van intense bouwactiviteit geweest dat de waterleidingbedrijven en de administraties zich "officieel" met het probleem hebben ingelaten en naar aanvaardbare oplossingen hebben gezocht. Dit denkproces viel samen met een algemene contestatie van het functionalisme : het laatste CIAM werd in 1959 in alle verwarring ontbondon. Het verried de heersende crisis en viel samen met de hervorming die zich onder verschillende benamingen een beetje later in alle sectoren van de bouw zou manifesteren: integratie, post-modernisme, erfgoed, culturalisme, enz.
Het zou in deze context
misplaatst zijn te beweren dat alle watertorens in onze provincies er
aantrekkelijk uitzien. Men moet bovendien vaststellen dat ons patrimonium niet
rijk is aan uitzonderlijke monumenten van eclecticisme zoals dat in sommige
Duitse of Nederlandse steden wel het geval is. De Belgische watertoren is
conventioneler en beperkter, minder duur en relatief weinig spectaculair.
Deze bijdrage zal niet zozeer de bouwtechniek of de functie behandelen, waarvan de evolutie elders in dit werk uitvoerig werd beschreven, dan wel de architectuur of de vorm. Dit zal geschieden over de indeling in bouwperiodes heen, wat niet inhoudt dat de complexiteit van het bouwprogramma wordt onderschat. Hierbij zal niet zozeer aandacht worden besteed aan het vrij grote aantal nogal geslaagde subvarianten die de ontwikkeling van het genre afbakenen dan wel aan getuigen die illustreren in hoeverre de stijlstromingen in de architectuur tussen 1880 en 1980 al dan niet gevolgd werden. Het zou overigens interessant zijn uit te maken wat de persoonlijke rol van deze of gene ontworper geweest is in de verondersteide evolutie van de vormtypes. Hiertoe zou men echter de auteurs van deze water torens moeten kennen, wat zelden het geval is.
Enkele beschouwingen over de integratie van de watertoren in het landschap zullen ten slotte het panorama voltooien.
Het utilitarisme van de beginperiode
De voorbeelden op het terrein tonen aan dat alles rond 1880 begon volgens een strikt functionele aanpak, waarbij men zich beperkte tot het essentiële en tot goedkope industriële materialen zoals baksteen en plaatijzer Dit "archaîsche" type vond vooral toepassing bij de spoorwegen, waar er gedurende lange tijd verschillende exemplaren van werden gebouwdg, bij voorbeeld te Charleroi (1915), te Oostende (1920), te Brugge (1922), te Ronet (1931), te Marchienne (1945) en zelfs bij het arsenaal te Mechelen (1946). De toepassing van, of de vervanging door een betonnen kuip (type Intze) rond 1920-1925, zou dit beeld, dat zo vertrouwd was tot de afschaffing van de stoomtractie rond 1950-1960, niet noodzakelijk wijzigen. Ook bij particulieren werd hij aangetroffon, met name bij tuinders en in enkele steden : er resten dergelijke exemplaren te Brussel (Terkameren, 1880), te Gent (1881), te Luik(1886 en 1895), en te Tongeren (1903); deze van Châtelineau (1896) en Geldenaken zijn verdwenen.
De opbouw is weinig kostbaar en zonder veel versiering. Hij toont de functie in haar ruwe vorm of toch bijna. Vaag herinnert één of andere met arduin afgelijnde opening of een sierlijst of verbindingsrol onder de kuip aan gelegenheidsacademisme. In de openbare sector domineert immers ondertussen het neoclassicisme bij de bouw van stadhuizen, stations, marktplaatsen, scholen, enz. Dezelfde stijl werd destijds ook toegepast bij de bouw van de meeste fabrieken en industriële gebouwen, waarmee het concept van de watertoren tot rond 1900 toch verwant is. Het verbaast dan ook niet dat deze laatste uitgesloten wordt van de architecturale stroming, en als hij deze bij gelegenheid toch een beetje volgt, dan is het in termen van neoclassicisme in de brede zin. De aanpassing van de watertoren van 1895 in Blankenberge is in die zin indicatief: de kuip, geplaatst zonder ommanteling op een zuil uit natuursteen en baksteen met vage eclecticistische trekjes, zou worden vervangen en verborgen achter een nieuwe bovenbouw in beton.
Plaats van het eclecticisme ?
Het eclecticisme triomfeerde nauweiijks, zeker op dit gebied. Verre van zelfs! Eigenaardig genoeg heeft de neogotische of meer in het algemeen de neomiddeleeuwse beweging, die zich bij ons na 1863 vooral in religieuse middens toch sterk ontwikkeide, weinig weerslag gehad op het thema van de watertorenbouw, terwijl zijn torenvormig volume zich uitstekend leende tot de beeldvorming van een kasteel of burcht. Zo nu en dan kwam dit tot uiting, zoals op de citadel van Namen (1913) en op de Brugse vesten (1922-1924). De eerste, uitgevoerd in lokale kalksteen van de Maas, vermengt een vaag eclecticisme met de verwijzing naar een donjon; de tweede is geheel uit baksteen, traditioneel bouwmateriaal uit Vlaanderen, en ontworpen als een vestingtoren van de oude stad. De opgaande Iijn, doorgetrokken in het uitkragende hangtorentje, werd goed uitgewerkt in de vorm van een wachttorentje. Elders zou dit effect echter een illusie zijn. De aanwezigheid van een hangtorentje en in mindere mate de uitkraging van de kuip volstaan niet om het bouwwerk een historisch tintje te geven: de watertorens te Grâce-Hollogne (1912), Embourg (1922) of Xhovémont (1929) hebben niets van eclecticisme. Het oude reservoir van leper, getekend met finesse door architect E. Temmerman in 1896, voegde aan het decor van zijn metselwerk een reeks motieven toe met neogothische allure : deur, dubbele of vierbladige vensteropeningen, spitsbogen, kroonlijst. Die van Oostende geldt tevens als getuige van de gedeeltelijke invloed van de eclecticistische stroming op enkele exemplaren van het genre.
In deze context
verdient de watertoren van de Sint-Lucasschool te Ramegnies-Chin een speciale
vermelding. Hij werd in 1904 opgetrokken volgens de plannen van de Doornikse
architect Paul Clerbaux voor het toenmalige instituut van de Broeders van Passy-
Froyennes. De details zijn van een vaag middeleeuwse inspiratie, evenals de
algemene allure en de overkapping, die een zinken kuip van 40 m³ herbergt.
Slechts twee watertorens zouden de invloed van de art nouveau ondergaan hebben : de eerste is de thans afgebroken betonnen watertoren die fabrieksbaas Arthur Brancart in 1919 (!) voor de privé-watervoorziening van de marbrietwijk te Fauquez (Virginal-Samme) bestemde, en de tweede is de (eveneens privé-)toren van Tour en Taxis te Brussell. Op het eerste gezicht wekt deze vaststelling verbazing wanneer men de voorliefde van Brussel voor deze stijl bedenkt, en haar faam als "hoofdstad" van die stroming. Maar anderzijds openbaart zij ook de geringe wisselwerking tussen enerzijds de intentie van deze met een eufemisme als "kunstwerken" betitelde bouwsels en anderziids de stijlstromingen in een architectuur die het heersende academisme van zich afschudde.
Een eerste
vermomming : bekieding en Co
De oorspronkeiijke uitvoering van de watertoren werd nauwelijks aangepast om hem meer "aanvaardbaar" te maken in een stedelijke omgeving die in volle ontwikkeling was. In het beste geval werd als eerste stap een houten lattenwerk aangebracht, dat het banale uitzicht van de ijzeren kuip moest verbergen. Dit is het geval te Châtelineau (1896) en naar alle waarschijniijkheid te Luik (1886-1895) vóór de plaatsing van een nieuwe bekleding in PVC. Maar de vrijstaande kuip is op hetzelfde ogenblik in gebruik gebleven, bij voorbeeld te Blankenberge (1895) of te Fleurus (1899). Spoedig echter werd deze eenvoudige bekieding om technische redenen vervangen door een mantel in motselwerk die zo werd geplaatst dat hij aansluiting geeft aan het volume van de voet. Het resultaat is ofwel een min of meer cilindrisch geheel met een weliswaar log maar samenhangend voorkomen, waar spaarzame accenten getuigen van een voorkeur voor neoclassicisme; ofwel een soort vakwerk in metaal, opgevuld met baksteen, dat een min of meer directe afstammeling is van het ijzeren gebinte dat in kassen (Kew, 1844), hallen (Crystal Palace, 1850), bruggen (o.a. Bristol, 1830-1831) en torens (Eiffel, 1889) veelvuldig in het nieuwe Europa was toegepast.
Bij deze twee formules om een zelfde kuipommanteling te realiseren, treft men kleureffecten aan die voortvloeien uit het gebruik van verschillende materialen, zelfs van geëmailleerde baksteen die op het einde van de vorige eeuw succes oogstte. Overigens zou de keuze van het kleurenpatroon aan de motser zijn overgelaten. Deze procédés werden in België vooral waargenomen tussen 1901 en 1910. Inderdaad was de kuip te Vilvoorde, volgens een prentkaart afgestempeld in 1901, omgeven door een metalen structuur op achthoekig plan, versierd met motieven in geverniste baksteen. Het geheel rustte op een opengewerkte schacht, eveneens uit ijzer. De vroegere watertorens van Zinnik en 's-Gravenbrakel, ontworpen in 1909, zijn gekenmerkt door een spel van gekleurde baksteen (zonder email ?). Twee goede voorbeelden van het genre, overigens geklasseerd als monument in 1990, staan sedert 1906 in Eigenbrakel; oen andere staat ook te Haine-Saint-Paul (jaartal?); deze van Turnhout (1902) is eraan verwant. AI in 1898 ontplooide deze baksteenbouw zijn uitbundige expressie in de verbazingwekkende, min of meer neogotische watertorens van de stations van Antwerpen.
Zij hebben duidelijk iets van een architecturaal alibi. Dit belet niet dat zij aantonon dat in zekere mate rekening werd gehouden met de invloed die een watertoren op het landschap uitoefent. Waarom anders opteren zij voor een gedeeltelijk verbergen van zijn functie, terwijl het onderscheid voet/kuip van het hoogreservoir deze tot dan toe juist zonder omwegen had uitgedrukt?
Met het
beton: (tiideiijke) terugkeer naar het bouwen
Het beton, dit nieuwe materiaal, vrucht van opeenvolgende experimenten en theoretische studies gedurende een goede veertig jaar, is zich rond de eeuwwisseling echt beginnen verspreiden. Ingenieurs, zijn "peters" als het ware, maakten er onmiddeliijk gebruik van om watertorens te ontwerpen. De vervaardiging hiervan zou een snelle evolutie ondergaan. Herinneren we er terloops aan dat de Intzekuip, in 1881 gebreveteerd door de Akense professer Ofto lntze (1843-1904), al in 1898 door Edmond Coignet uitgevoerd werd in gewapend beton.
Het was de bedoeling om dit goedkopere en veelbelovende nieuwe materiaal te gebruiken volgens zijn eigen logica en met als enige esthetische bekommernis, zijn correcte en zuivere toepassing. Het resultaat: een cilindrische kuip wordt gedragen door een zichtbaar skelet van palen in cirkelvormig of veelhoekig verband die onderling verbonden worden door twee of drie ringbalken naargelang van de hoogte van de pijler. Het geheel geeft de indruk dat de uitkragende kuip zonder meer op de draagstructuur werd gezet. Deze rationele opstelling, ontdaan van elke gekunsteldheid en emotie, verscheen te Fosses-la-Ville vanaf 1902. Tijdens de volgende decennia zouden zodanig veel exemplaren in verschillende varianten worden gebouwd, dat dit type in de ogen van het grote publiek en in de kinderlijke verbeelding ais symbool zou gaan gelden voor de watertoren. Het feit dat de kuip gedurende geruime tijd uitkragend gebleven is en dit in recente tijden opnieuw zou worden, heeft hiertoe bijgedragen.
Andere vroege voorbeelden van bouwwerken in gewa- pend beton zijn o.a. te zien in de Brabantse gemeenten Waterloo (1904), Vorst (1904), Ohain (1906), Elsene (1909), evenals in de Henegouwse stad Thuin (1905). Vrij vroeg al werd om technische en daarna om visuele redenen de ruimte tussen de balken opgevuld met al dan niet geschilderd metselwerk.
Ongetwijfeld wijzigt dit niet direct de volumetrie, maar het leidt tot een opbouw die verwijst naar de zuivere zuilvorm. Niettegenstaande de omvang van het gebouw, de behandeling van zijn gebinte, zijn slank uiterlijk, zijn ruw karakter of het voorkomen van de kuip - ten minste als zij zichtbaar is -, onderging het basistype op architecturaal vlak gedurende lange tijd nauwelijks echt interessante ingrepen. Als zovele variaties op hetzelfde bekende thema raakte hij verspreid over het ganse land, met inbegrip van de spoorwegen vanaf de jaren 1920 en privé-bedrijven, waarbij dikwijls gekopieerd werd uit gemakzucht of bij gobrek aan inspiratie. De bekisting was voor hergebruik vatbaar en daardoor minder duur. Opnieuw zou men dus tot na de oorlog moeten wachten vooraleer dit type in onbruik raakte en men, onder invloed van andere elementen, zou gaan nadenken over de pseudo-vermomming die dikwijls moest dienen om de aandacht af te leiden van de al te frequente armoede van het monumentale concept. Enkele uitzonderingen nochtans verzachten de algemene indruk van somberheid die van de skeletbouw uitging.
De Grondels
Wat een
verschil tussen de armzalig rationele betonnen constructies (60 m3) van het
goedkoopste allooi, zoals de watertoren van Stierlinsart (1902) te
Fosses-la-Ville, en de nauwelijks jongere werken van de gebroeders Grondel,
ingénieurs-constructeurs te Gent! Beide torens zijn nochtans afgeleid van
dezelfde basisvorm. Het bedrijf van de Grondels bouwde tussen 1907 en 1925
verschillende watertorens volgens het systeem Hennebique (brevet van 1892). Een
speciaal ondorzoek zou zich moeten richten, als het nog kan, op de archieven van
de firma Grondel. Deze zou volgende 8 watertorens gebouwd kunnen hebben :
Zeebrugge 1907; Hasselt 1910 en 1911 ; Saint-Marc 1913; Bonsecours vóór 1913;
Saint-Gilles bij Luik 1914; Hechtel (Leopoidsburg) 1923; Mechelen 1925;
Saint-Ghislain, datum onbekend. Bij deze bouwwerken wordt de functie duideiijk
tot uiting gebracht door de uitkragende kuip te scheiden van de voet die ais een
open balkenstructuur is uitgevoerd. De manier echter waarop de verbindingen
tussen de verschillende onderdelen werden uitgevoerd (sokkel, consoles en basis)
en de zorg waarmee het beton werd toegepast (bestreken of geschilderd) geven ze
een vleugje elegantie dat doet denken aan de rondingen en de afwerking van art
nouveau-gebouwen. We weerhouden hier vooral de bouwwerken van Hasselt
(1910-1911), Saint-Marc bij Namen (1913) en Saint-Gilles bij Luik (1914).
Typisch aan dit laatste is bovendien de nogal monumentale traphelling in
gewapend cement van na 1930, die aanzet tussen eigenaardige symbolische visfiguren.
De arts déco
Andere werken vertonen de invioed van de arts déco. Veel zijn er niet. Suiten het vroege voorbeeld van Chaumont-Gistoux uit 1923, dateren de andere van de vier jaar vóór de Tweede Wereldoorlog. Het gaat vooral over Sart-Dames-Avelines en Boom (1936), Quevaucamps (1937), Brasschaat, Herve, Manage, Overijse en Eeklo (1938). In een meer beperkte expressie vermelden we La Bouverie (1937) en Wépion (1938) die bijna identiek zijn aan deze te Pâturages. Rond de jaren dertig al vertoonden sommige watertorens op de betonnen ommanteling van het cilindrische of veelhoekige volume, een spel van horizontale en verticale verdelingen dat enigszins op deze ontwikkeling wees. Dit was namelijk het geval geweest te Fléron, 1929, Quenast, 1931 en Montegnée-Thyba, 1935. Nu echter werden de effecten van de versiering en van de structuur volgzaam gecombineerd en verrijken zij elkaar zonder de functionele verdeling tussen de onderdelen van de watertoren teniet te doen. Ornamentele accenten doen de ingang, de balustrade of de basis beter uitkomen. Zo staan de opgaande Iijnen in de steunmuur van de schacht, in contrast met de ringbalken van de kuip, vooral aan de aanzet van deze laatste. Voor enkele torens is het zeker dat een architect bij het ontwerp betrokken was : bij voorbeeld F. Henne te Chaumont-Gistoux of R. Foucart te Sart-Dames-Avelines. Andere exemplaren werden voor de Nationale Maatschappij gebouwd, wat aangeeft dat een redelijke consensus bereikt werd ten gunste van een echte watertorenarchitectuur. Waarschijnlijk heeft het nakende wereidconflict een streep gezet onder een beweging die misschien vruchtbaarder had klinnen worden. Hier en daar bleef hiervan een echo overleven (Ransart, 1952 e.a.).
Naast de watertorens zelf, vallen hier en daar ook details van metalen deurlijsten op, die de stempel van de arts déco dragen. De invloed van deze stijl zou nog lang voelbaar blijven na de piloot-tentoonstelling die in 1925 te Parijs het zgn. moderne karakter ervan moest bezegelen. In elk geval vindt men er bij ons voorbeelden van tot in 1938. Ze zouden worden afgelost door een niet onaardige geometrie met nauwelijks vernieuwende tekening die een laattijdig kubisme afstraalt.
In dezelfde chronologische context dienen de structuren te worden vermeld, opgebouwd uit prefabelementen in gewapend beton, en genoemd naar de Belgische aannemer Monnoyer die het systeem even vóór 1900 zou ingevoerd hebben. De sluitstenen worden bijeengehouden door de zetting van het cement, waarbij elke kromming van de flanken, meer bepaald op de voet, geëerbiedigd blijft. Dit levert een geribd uiterlijk op zoals dat van een gecanneleerde zuil- schacht, gedicteerd door de opeenvolging van de bolle ribben en de holten om het gebouw heen. Naast schoorstenen en koeltorens vindt men vooral industriële watertorens op deze wijze uitgevoerd, o.a. te Saint- Nicolas bij Luik (1913), Zeebrugge (1919), Marchienne-au-Pont (1922) of Dampremy (1928). Aldus introduceerde hun aanwending een verticaliserende ritmiek in de watertorenbouw die niet zonder belang is vanuit formeel oogpunt. Toch blijkt men er zich slechts gedurende korte tijd van te hebben bediend (tot rond 1937?).
Regionalisme en esthetische bedoeling
In de jaren
vijftig gingen stemmen op ten gunste van een herziening van de gangbare
vormtypes, met name bij de verantwoordelijken van de provinciale technische
diensten van de Regie der Gebouwen. Zonder echt de voorafgaande formules in
vraag te stellen, hebben ze de bedoeling om het gebouw in zijn landelijk kader
te integreren. Om deze doelstelling te bereiken werd aan de watertoren een
"regionalistisch" of lokaal trekje gegeven, meer bepaald door een
vermindering van het volume, de aanwending van natuursteen en de bedekking met
een "authentiek" dak. Type-plans werden uitgewerkt, en vervolgens
"opgelegd" aan ontwerpers samen met een bijhorend lastenboek. Zo
bepaalt het bijzonder lastenboek uit 1953, opgesteld als formulier door de
Technische Dienst van de provincie Namen, (hfdstk. 1, art. 3): L'entreprise
comprend l'établissement d'un château d'eau couvert en moellons bruts sans
assises régulières ou en béton avec parement en moellons bruts, un
soubassement en moellons équarris en assises réglées ou non. Le château
d'eau aura une section ronde en forme de tour, l'aspect imposé tel que prévu
au plan (..) en s'inspirant de l'avant-projet joint au présent cahier des
charges; en het voegt er verder aan toe (hfdstk. 11, art. 1): Pierre de
taille : sera de l'espèce dite petit granit, marbre ou calcaire
provinciaux de qualité supérieure, de teinte uniforme, taillée aux fins
ciseaux sur toutes les faces vues.
Deze documenten gingen onder meer uit van de architecten L. en L. Stenne uit Verviers die het "rustieke" model verspreidde doorheen Tussen-Samber-en-Maas tussen 1953 en 1957. In hun spoor werden weinig later verwante exemplaren aangetroffen in de provincies Luik en Luxemburg. Zonder de aanmoediging van officiële richtlijnen, gebruikte architect Boghemans de traditionele gele baksteen voor de gemetselde ommanteling van enkele watertorens in Vlaanderen, bij voorbeeld Tielt, 1956, of Gullegem, 1958. Allen getuigen zij van een afwijzing van de strikt functionalistische vormgeving die tot dan toe ruime voorkeur had genoten, en dit op een ogenblik dat het laatste CIAM (1959) de lof steekt van het "modernisme". Het is echter ook de periode waarin de belangstelling voor het platteland opnieuw stijgt, en het aantal tweede verblijfpiaatsen toeneemt. Men zal merken dat het thema van de overdreven bewondering voor een "architectuur zonder architecten" volledig ontwikkeld zou worden door G. Doyon (1969), A. Rapoport (1972), S. Rudofsky (1977), H. Mendras (1980) en andere; in België, reeds door J. François in 1972.
Andere uitingen van dezelfde stijl vindt men zoals gezegd3l' terug bij de vraagtekens die meer en meer geplaatst worden bij de esthetiek van watertorens, en in de ommezwaai die de Nationale Maatschappij der Waterleidingen (NMDW) zelf inzet. Het gewicht van dit waterleidingbedrijf, waarbij de stuwende rol van ingenieur Hennig gebleken is, is inderdaad niet gering vermits dit bedrijf direct of indirect de leiding had over een aanzienIijk aantai werven op een moment van hoogconjunctuur en van een spectaculaire toename van het aantal watertorens.
De nieuwe gedragslijn is duidelijk: plaats aan de architectuur ! Eén van zijn directeurs, R. Hennig (…1981), vatte als volgt de regels samen die voor de NMDW zouden gelden : "zich niet laten opmerken", het landschap niet aantasten; architectuur bedrijven die "uitstekende" vormen en profielen weert en die het bouwwerk aankleedt naar de geest van een toren. De watertoren van Néchin illustreert volkomen deze visie (1955), zoals ook deze van Tourinnes-Saint-Lambert (1959). Door het weglaten van het klassieke onderscheid tussen de kuip en de voet, door de afwezigheid van naakt beton, en door het verbergen van de functie wilde men bekomen dat meer waardering voor de watertoren werd opgebracht (maar was het nog een watertoren?). In de beste gevallen zal dit wel het resultaat zijn geweest. Hij wordt dan een zuiver zuilvormige toren, meestal in baksteen, die tot zijn recht komt door zijn muraal karakter, zijn textuur, soms zijn tint. Zijn verhoudingen zijn beter bestudeerd, en hij krijgt een spits uitlopende dakbedekking die zijn algemeen profiel nog fijner maakt. Voor zover mogelijk komt daarbij nog de zorg om hem de bescheidenheid van een monument mee te geven, of zeifs een begeleiding van struiken die het werk beter moeten plaatsen op de natuurlijke horizon. Tegelijkertijd verlaten de vage historische verwijzingen het hoofdrepertoire. Het verstoppen van het inwendige bouwprogramma achter een in wezen nodeloze mantel doet echter de diepe architecturale creatie teniet en brengt het gevaar mee in een impasse te belanden : is het verstandig en opportuun om op deze wijze de bestaansreden zelf van het gebouwde voorwerp aan het oog te onttrekken?
Terug naar het
beton. een architectuur van ingenieurs
Men zou kunnen zeggen: goddank, het beton keert weer!
Tijdens de golden sixties waarin alles mogelijk leek, werd spoedig afgerekend met de toch vrij zwakke carnouflagestijl. De weg hiertoe werd geëffend door de vooruitgang die geboekt werd zowel op het gebied van de beheersing en de verwerking van voorgespannen beton, als op het vlak van heftechnieken voor bouwwerken. Ook was de kritiek op de ommezwaai die de normale vormtypes gekend hadden, steeds sterker geworden. Bovendien betekende de meerkost van de niet-dragende ommanteling in metselwerk een erg zware financiële belasting.
De watertorens gaven dus opnieuw blijk van een meer expressieve opbouw, begeleid door een merkelijk beter uitgewerkt vooronderzoek. Het was de periode van de bouw van stadions, luchthavens, wegbruggen, membraanwanden, zelfdragende schalen en parabolische bogen, dit alles in voorgespannen beton, gesigneerd door Nervi, Tange, Frei, Trabert, Utzon e.a. Kortom, een ogenblik van intense produktie tijdens dewelke de ontwerpers, de ene keer ingenieurs, de andere keer architecten, een volgehouden aandacht besteedden aan de tekening van het silhouet, aan het vernuft van de uitwerking, aan de juistheid van het ontwerp.
Een andere denkwijze manifesteerde zich, en naar de vorm ondervond de thematiek van de watertoren er de gelukkige weerslag van. In België werden hiervan tussen 1955 en 1965 de eerste voorlopers aangetroffen, terwijl nog exemplaren werden gebouwd van het type met zuilvormige toren in de traditionele materialen. Deze gelijktijdigheid moet evenwel niet verbazen: aan de ene kant gebeurde de ideologische verschuiving slechts geleidelijk, maar aan de andere kant was ook de weg die de aanbestedingen volgden omslachtig.
De expressie
van onze watertorens veranderde op opvallende wijze. Als een waaier ontplooiden
zich de verschillende varianten. Het ging hierbij vooreerst om eenvoudige
bouwwerken waarvan de kuip rust op door bogen verbonden pijlers; naast de
eenvoudige betonnen cilinder, "gemoderniseerde" (?) versie van het
torenvormig model in metselwerk zoals te Sibret (jaar?) en Mabompré (1955) bij
voorbeeld, of de eenvoudige op de grond geplaatste balk zoals te Nijvel (1957)
en Perwijs (1965), is er het type met lage arcades waarvan vooral in de
provincie Luik (bij voorbeeld te Soheit-Tinlot) rond 1952 exemplaren werden
gebouwd. Bij andere expressies ging het om gebouwen waarvan de kuip gehesen werd
op opvallende onderling verbonden pijlers (een soort "gezuiverde"
versie van het systeem Grondel van 50 jaar voordien). Mooie verwezenlijkingen
hiervan bestaan te Limal (ontworp van 1964), Rixensart (1959), Seneffe (1981) en in de reeks met geribde kuip in
kunststeen, waartoe Haasrode (1975) en Hannuit (1976) behoren. Hot gaat ton
slotte ook om de paddestoelvormen waar een soms elegante schacht naar een kuip
leidt, die dikwijls de vorm heeft van een afgeknotte kegel, die breed uitwaaiert
met mooie proporties.
In de loop van hot volgende decennium gaven
inventieve projecten aanleiding tot aparte realisaties, soms eerder spectaculair
dan echt mooi. Hierbij laten zich onder meer rangschikken, de diabolo (dubbele
reservoir) van Mont-sur-Marchienne (1973), de correct vlakke kuip van Vilvoorde
(1978), het reservoir met omgekeerde afgeknotte kegel van Sint-Amands (1980) en
de schotelvormige kuip van Pont-à-Celles (1984).
Een gunstige
wedijver heeft vooral bij de grote waterlei- dingbedrijven geresulteerd in de
inplanting van een reeks intéressante betonnen bouwwerken in onze landschappen.
Men mag hopen dat zij de watertoren een toekomst verzekeren die kan blijven
aanspreken, niet zozeer op technisch vlak want dat is een verworvenheid, maar op
architecturaal vlak. Van post-modernisme was echter nog geen spoor te bekennen!
De zijsprong
van het Staal
Een andere uiting van knappe ingenieurskunst, met na- me gebaseerd op de ontwikkeling in de ruimtevaart, bij voorbeeld via de NASA, wordt geleverd door de korte generatie watertorens die volledig in staal werden gebouwd. Zij heeft zich voornamelijk gemanifesteerd van 1959 tot 1975, toen de industrieparken in de mode waren, met een piek van 65 % tussen 1968 en 1972. De Ateliers de Construction de Jarnbes te Namen hadden zich op dit vlak, zoals in andere sectoren van de burgerlijke bouwkunde en de machinebouw, tot specialisten opgewerkt; zij hebben er 21 exemplaren van gebouwd.
Tegenover sommige nadelen van technische aard, vooral te wijten aan een plots doorknikken bij de "tewaterlating", bood het genre een belangrijk financieel voordeel ten opzichte van oplossingen in beton. Toch kwam hij vooral in gebruik in het buitenland, onder meer in de Verenigde Staten, waar men dergelijke reservoirs in de hoogte heeft gecombineerd, overigens met een mooi resultaat.
Bij ons behoren de beste verwezenlijkingen tot het één-buizige type (kuip voor maximum 2.000 m³), onder meer te Seneffe (1971) en te Rhisnes (1975). De produktie van deze torens werd om diverse redenen nogal bruusk afgebroken, waarbij de concurrentie een rol heeft gespeeld.
Er is in deze reeks een logica die volkomen representatief is voor een juiste technologische benadering. De vrijmoedigheid van de massa en van het materiaal, de bijna gemillimetreerde nauwkeurigheid van de bewerking en de precisie van het paswerk leveren veelal een visuele kwaliteit op die groter is dan deze bij andere bouwmaterialen. Het profiel komt tot zijn recht door de elegante "houding" die de min of meer afgeplatte bol beter tot uiting doet komen. De schittering van het aluminium werkt niet noodzakelijk op de zenuwen van de omgeving; zij speelt met de weerkaatsing van de lucht en voegt onmiskenbaar een esthetische noot too aan het gebouwde object. De verleiding die ervan uitgaat is dezelfde als die die men bij high tech ervaart.
Bij deze watertorens is de architectuur eigenlijk niet zo ver verwijderd van de architectuur die de voorvechters van het beton in dezelfde periode ingang doen vinden. In beide gevalien imrners heeft de nieuwe ontdekking, of de gunstige "bekentenis", een terugkeer opgeleverd naar de waarheid, deze van de bestemming van het bouwwerk, en deze van het correcte gebruik van het hiertoe gekozen materiaal.
In beide kampen ontlook in en doorheen de bouw een architectuur die de kunst van de ingénieur verenigde met de verzuchtingen van de architecte.
Een voorwerp in cle
orngeving
Het is zonder
meer duidelijk dat de invoeging van een watertoren in het landschap in vele
gevallen cen probleem zal opleveren. Zo kan men er nog steeds toe genoodzaakt
worden om bij bestaande watertorens het
bouwwerk zo te verpakken dat de functie ervan wordt weggewerkt, of als het om
een nieuwe watertoren gaat, van bij het begin een bouwwerk te ontwerpen in zijn
toekomstige site. Soms kan men beide werkwijzen combineren.
De reacties tegen de bouw van een watertoren kunnen inderdaad hevig zijn! Hier volgen drie voorbeelden. In het kader van de wedstrijd van 1939, hekelde de beroemde Auguste Perret (1870-1954) het genre in deze karikaturale termen : "Sedert een eeuw verminken de watertorens, die betonnen wratten op poten, het landschap en nemen naast stations, gastanks en graansilds een ereplaats in in het museum van de architecturale gruwels". Bij de installatie van een nieuwe watertoren te Wépion in 1981 riep een editorialist die de "indringer" introduceerde, uit: "Nieuwgekomen op het plateau dat hij kruisigt door zijn ongewoon élan, zal de watertoren van de Taille-aux-Joncs - want men moet hem wel bij zijn naam noemen - geen lauweren verwerven van de Commission des Sites mosans et champêtres". Veel vroeger al stigmatiseerden de opschriften op postkaarten de vroegere watertoren van Sint-Agatha-Berchem, deze "utilitaire paddestoel", ironiserend: "De architecten mogen nog zo hun uiterste best doen, maar een watertoren zai altijd de plaats waar hij staat bederven. Gelukkig behoort die op deze postkaart al tot het verleden" ... Wel dan ?
Het kan nu eenmaal niet anders dan dat een watertoren opvalt! Alleen al zijn werkingsprincipe - het gebruik van natuurlijke zwaartekracht voor de waterdistributie brengt verplichtingen mee - plaatst hem op een verhoging, een kam, een hoogvlakte, kortom op een hoog punt van het stedelijke of landelijke landschap. De beste illustratie hiervan wordt wellicht gegeven door de opeenhoping van watertorens die de gemeenten rond Luik verkozen op te richten op de hoogte van Sainte-Walburge in driekwart eeuw: niet minder dan 5 torens werden tussen 1886 en 1968 bij mekaar gezet binnen een straal van 300 m! De heuvels die de kuip van Namen omringen, dragen deze van de Citadel (1913), Saint-Marc (1913), Belgrade (1923) en Erpent (1932 en 1980). De nieuwe watertoren van 's-Gravenbrakel (1979) omhult de oude (1909), en te Châtelineau heeft deze van 1959 het bouwwerk van 1896 uitgeschakeld. Overal dicteert de site zijn regels. Men kan er dan ook niet naast kijken! Temeer daar tijdens de loop van de decennia, door de technische vooruitgang en het toegenomen waterverbruik zijn afmetingen vergroot zijn. Zijn silhouet is hoe dan ook één van de meest vertrouwde elementen geworden van onze visuele omgeving, in die mate dat men niet blind kan zijn voor zijn aanwezigheid. Eentonigheid heeft onverschilligheid tot gevolg...Sommige watertorens doen of deden dienst als uitkijktoren zoals te Heist-op-den-Berg (1956), Battice (ontwerp van 1962) of Philippeville (1970). Beweert men niet dat deze van Dorinne afgewerkt werd tijdens de Tweede Wereldoorlog om te dienen als observatiepost voor de Duitse troepen in de Condroz? Indien er geen gevaar aan verbonden was om de deuren voor iedereen open te stellen, dan zouden vele watertorens als uitkijktoren in het toëristische circuit kunnen worden ingeschakeld.
Alles bij mekaar zijn er positieve elementen te ontdekken in de architectuur van watertorens. Verschillende oudere realisaties hebben de allure van een kunstwerk, en dit was toch de bedoeling van de watertorens uit het "neo" -tijdperk! Andere worden wat welwillender bekeken sedert de bemoeienissen van de industriële archeologie beter onthaald worden. Weer andere torens getuigen nog directer van een zorg voor een esthetische vormgeving, wat nog niet betekent dat hun integratie in de omgeving geslaagd of zelfs maar aanvaardbaar zou zijn. Een bezinning over dit aspect van de watertorenbouw is maar tijdens de jongste twintig jaar aan de orde geweest, en dan nog met periodes.
Nu en dan werden experimenten opgezet, hetzij om een betere versmelting te bewerken van de watertoren met de natuur of de stedelijke omgeving, hetzij daarentegen om hem er doelbewust van te scheiden door zijn architecturale of artistieke eigenheid uit te buiten.
Het heeft dan ook geen zin aandacht te besteden aan de grap met de Amerikaanse koffiepot, of het Engelse house on the clouds van 1910, wel integendeel aan werken waar de inbreng van een kunstenaar weliswaar togemoetkomt aan de banaal-traditionele typologie, maar tegelijkertijd "een nieuw verband legt tussen technische logica en ruimtelogica". Een verzoening die niet zonder risico is. Vermits de watertoren gezion wordt, kan men beter van het "object" gebruik maken om hem tot signaal te maken, een beeldhouwwerk of een driedimensionaal schilderwerk opdat het de leefomgeving zou veraangenamen, of zeifs zou verfraaien, en in het landschap zou ageren als "totem" of als grote fontein. Dit gebeurde te Marne-la-Vallée in 1971-1972, met architect Christian de Portzampac en zijn "watertorenplant", en met schilder Maurice Garnier. Men zal zich ook wel de verkennende tussenkomsten herinneren van de schilder Vasarely te Dieppe en van de beeldhouwer Philolaos in het Franse Valence.
In België is de eerste realisatie van dergelijk type het voorwerp van een officiële wedstrijd geweest voor de beschildering van een hydrofoorreservoir te Bierges (Waver), die in 1979 gewonnen werd door Mireille Goffin. Eenzelfde werk van geometrische inspiratie werd eind vorig jaar te Gentbrugge voltooid naar een maquette van beeldhouwer C. Demangel.
Op talrijke andere plaatsen werden vooral vóór de jaren zeventig en in sommige gevallen zelfs vroeger, watertorens omgebouwd of heringericht als woningen, graansilds, vergaderlokalen, gemeentecentra, museumzalen en zelfs als zwembad. Een café werd ingericht in deze van de Bol dair (1938) te Ougrée in 1947, onder verdiepingen die tot woning voor de familie van de uitbater bestemd waren. Nog hoger bevonden zich van 1958 tot 1979 de installaties van de RTBF-Luik ...
Het is een feit dat deze leegstaande ruimten, weliswaar beperkt door hun cirkelvormig of veelhoekig grondplan, een vloeroppervlakte totaliseren die gemakkelijk onderschat wordt. Zij bieden aan de scherpzinnigheid van eventuels klanten een potentieel dat des te interessanter is omdat het bouwwerk de omgeving domineert. Het fundamentele bezwaar tegen een comfortabele bestemming blijft echter : hoe kan men de beveiliging verzekeren van een voor de bevolking vitale waterbron tegen wandaden van een onverantwoordelijke of tegen een vergissing van een enkeling, zonder het ontwerp binnenin een bouwwerk in functie in het gedrang te brengen? Moet men er daarom toe besluiten enkel "dode" watertorens in te richten? En tegen welke prijs? Is er geen vergeiijk mogeiijk? Interessant thema ter overweging...
Los van elke
nostalgie of zucht naar het verleden zou een reeks exemplaren moeten worden
geselecteerd die de morfologische evolutie van de watertoren illustreert. Deze
moet beletten dat het bouwwerk "watertoren" als dusdanig als onderdeel
van het openbaar bouwkundig erfgoed zou verdwijnen. AI bij al heeft de
watertoren toch gedurende meer dan een eeuw bijgedragen tot het dagelijkse
welzijn van een natie en heeft hij bovendien bouwwerken opgeleverd die zonder
meer deel uitmaken van de architectuurgeschiedenis. Hun bescherming dringt zich
dan ook op.