TECHNIEK VAN DE MANDOLINE

Terug naar de hoofdpagina



INFO     DIRIGENT  LEDEN    GESCHIEDENIS REPERTORIUM OPTREDENS   FOTO'S    LINKS    MANDOLINETECHNIEK   




TECHNIEK VAN DE MANDOLINE NAAR AANWIJZINGEN VAN KEITH HARRIS
Mandolinepedagoog en leerling van Mevr. Marga WILDEN-HUSGEN
Genoteerd door Jan TANGHE


1. DE HOUDING


We zetten ons enigszins vooraan geplaatst op een stoel. We plaatsen beide voeten op een voetbankje dat in de breedte voor ons staat. We houden de knieen bijna tegen elkaar, waartussen de mandoline stevig geklemd wordt. De mandoline rust nu stevig in de schoot, tussen de knieen en de buik geklemd. Er wordt hiervoor gebruik gemaakt van een zeemleren vel, dat het uitglijden van de mandoline verhindert. Zo hebben we beide handen vrij om het instrument te bespelen. Bij een goede houding moet het immers mogelijk zijn, de mandoline stevig vast te houden zonder hulp van beide handen. De mandoline wordt zo vastgehouden dat het bovenblad ongeveer loodrecht t.o.v. de grond staat ; de arm of hals van de mandoline is schuin links naar boven gericht met de kop van het instrument ongeveer of schouderhoogte. Nota : het voetbankje kan ook geplaatst worden zoals bij de gitaar , d.w.z. het voetbankje staat schuin in de lengte voor ons, waarop de linkervoet geplaatst wordt. De rechtervoet blijft dan op de grond. Men moet voor zichzelf aanvoelen welke de beste methode is. Men kan ook beurtelings beide houdingen aannemen om vermoeidheid of verkramping te voorkomen.

2. HET PLECTRUM

Het plectrum is bij voorkeur vervaardigd uit synthetisch materiaal. Het is ongeveer 0,8 mm dik en de voorzijde versmalt naar de punt toe. Vooraleer te gebruiken dient het plectrum zorgvuldig geslepen te worden aan de vier zijranden van de punt, tot deze rond en gepolijst is. We gebruiken hiervoor schuurpapier, eerst grof, dan fijner, vervolgens slijpen we het op een blokje hout en tenslotte polijsten we het met leder. Dit is van groot belang om een mooie warme klank te kunnen produceren en geen vervelende bijgeluiden te maken.

3. DE RECHTERHAND

We vertrekken vanuit de zithouding zoals hierboven beschreven. We nemen het plectrum tussen de duim en het eerste kootje van de rechterwijsvinger welke 180 ° naar binnen toe gebogen is. De overige vingers worden in een losse vuist samen gehouden. Hoe harder we het plectrum klemmen tussen duim en wijsvinger, hoe harder de klank zal zijn. Vervolgens laten we de voorarm rusten op de rechterzijrand van de mandoline, iets voor de elleboog. De snaren worden bespeeld ter hoogte van het klankgat. De voorarm, noch de hand mogen in contact komen met de mandoline. De rechterhand wordt nu vanuit de pols naar beneden toe gedraaid, waarbij het plectrum de snaren aanslaat.

4. DE AANSLAG

De aanslag kan in beide richtingen gebeuren :
De NEER-slag : symbool : Hierbij worden steeds beide gelijkgestemde snaren aangeslagen.
De OP-slag : symbool : Hierbij wordt doorgaans slechts de bovenste snaar aangeslagen.

A. De neerslag :

Vooreerst laten we het plectrum steunen tegen de onderkant van een willekeurige snaar (behalve de mi-snaar ) teneinde de eronderliggende snaren aan te slaan. Dan draaien we de hand vanuit de pols naar omhoog en laten vervolgens de hand in een kordate valbeweging naar beneden vallen op de te bespelen snaren, waarbij het plectrum beide snaren aanslaat om vervolgens de beweging te beeindigen met het plectrum gesteund tegen de bovenliggende snaar. Het plectrum moet ten aanzien van de snaren zoveel mogelijk een lichte hoek van max. 45 ° vormen. De nu gevormde klank moet zuiver zijn en lang naklinken . Er mag in feite slechts één snaar gehoord worden, niettegenstaande beide gelijkgestemde snaren aangeslagen worden. Om dit te bereiken is veel oefening nodig, waarbij telkens de gevormde klank kritisch dient beoordeeld en verbeterd te worden. We kunnen het in ons bewustzijn zo voorstellen dat de hand als het ware door een gewicht naar beneden getrokken wordt over de beide snaren. We zorgen er ook voor dat de hand vanuit de pols bewogen wordt, dus niet de voorarm vanuit het ellebooggewricht. Deze oefening moet men zolang herhalen tot men alle snaren, zonder ernaartoe te kijken, kan aanslaan in een ritmisch tempo, waarbij men telkens een mooie gelijkwaardige klank vormt. Eenmaal men vertrouwd is met deze techniek van steun - opwaarste beweging - neerwaartse beweging - opnieuw steun , dan kan men dit ook op de mi-snaar toepassen, alhoewel men het nu zonder steun dient te realiseren.

B. De opslag :
Het plectrum rust op de hogergestemde snaar. We maken een opwaarste beweging vanuit de pols, waarbij we de te bespelen snaar met het plectrum aanslaan. Hier is het doorgaans niet nodig beide snaren aan te slaan. Hierdoor ontstaat een variatie in de klank, waarbij beurtelings neer en opslag elkaar opvolgen, welke typisch is voor de mandoline. Door de heen en terugslag in snel tempo op te voeren, bekomt men de zogenaamde « tremolo » welke alleen na langdurige oefeningen kan verkregen worden.

OPMERKING : de techniek van de aanslag is een zeer belangrijk onderdeel van het mandolinespel, zonder dewelke men nooit een goede klank zal bekomen. Men moet ervoor opletten dat men de hand spoepel houdt en ontspannen. Indien er verkramping optreedt, dan moet men de oefening onderbreken.

5. DE LINKERHAND

De houding van de linkerhand en -arm is te vergelijken met de gitaarmethode. We laten de linkerhand volledig hangen naast het lichaam ; vervolgens brengen we de voorarm ongeveer in een rechte hoek t.o.v. de bovenarm. We laten de hand aan de pols hangen. We draaien vervolgens de hand naar de mandolinearm toe, zodanig dat de vingers boven de snaren komen en de duim de hals of arm van de mandoline achteraan raakt. De duim wordt los en gestrekt achter de hals gehouden ter hoogte van de 1e of 2e vinger. De vingers worden gespreid zodanig dat de kneukels volledig evenwijdig zijn met de fretjes van de mandoline. We plooien de vingers mooi rond, zodat het eerste lid van de vingers loodrecht boven het vlak van de snaren komen. We letten er goed op dat de vingers in de juiste positie komen te staan . We drukken nu met de vingertop de snaren aan in het juiste vakje, doch juist achter het fretje van het volgende vak. Dus niet in het midden van het vak. Een vervelend gevolg van het mandolinespel is wel de pijn die de beginner ervaart in de linkervingertoppen. Wegens de tamelijk scherpe snaren van de mandoline (vooral mi en la snaren) snijden ze enigszins in de vingertoppen. Het komt erop aan niet op te geven, en zoveel mogelijk door te gaan met spelen, tot de vingertoppen een zekere vereelting hebben, waarna er zich geen problemen meer voordoen.

6. SYNCHRONISATIE VAN LINKER EN RECHTERHAND

Het is van groot belang dat het aanslaan van een noot met het plectrum op het juiste moment gebeurt . Dit moet exact samen gebeuren als de vinger van de linkerhand de snaren aandrukt . Ook hier moet veel op geoefend worden , zodat men een zuivere klank bekomt.

7. UITVOERINGSWIJZEN

Staccato : de noot wordt aangeslagen en onmiddellijk werd afgedempt, door de druk op de druk op de linkerhand weg te nemen.
Legato : de noot blijft doorklinken tot aan de volgende noot en beide noten worden aan elkaar gebonden. Tremolo : de noot wordt door heen en terugslag steeds herhaald, tot men een aangehouden toon bekomt.

7. KLANKKLEUREN :

Normaal wordt de klank gevormd door de mandoline te bespelen ter hoogte van het klankgat. Naargelang men speciale effecten wil bekomen zijn er volgende mogelijkheden :
Sul tasto : boven de toets, geeft een zachte warme klank
Al ponticello : naar de kam toe, geeft een minder warme klank
Metallico : helemaal naast de kam , geeft een droge, metaalachtige klank
Pizzicato : hierbij worden de snaren met de rechterhand naast de kam afgedempt, waarbij een zeer droge , korte klank verkregen wordt.

8. TABELATUUR :

De vier (dubbele) snaren van de mandoline van boven naar onder zijn :
De E-snaar ( mi )
De A-snaar (la)
De D-snaar (re)
De G-snaar (sol)
Er dient zo veel mogelijk vermeden worden om met losse snaren te spelen. Hietoe dient gebruik gemaakt te worden van de linkerpink, om op het zevende vak de toon van de hogere snaar te spelen. Het gebruik van de pink stelt de beginner veelal voor einige moeilijkheid, daar deze vinger de minste kracht kan uitoefenen bij het indrukken van de snaar. Ook hier is enige doorzetting noodzakelijk. Ook hier is de juiste positie van de linkerhand van groot belang.

Terug naar de hoofdpagina