Home

Inhoud

Inhoud A tot Z

B. De Heren van Duffel

C. Beroemde Duffelaars

D. Wonen in Duffel

E. Onze  Straatnamen

F. Volkskunde - Folklore

Duffel © 2004 - 2014

1. Kastelen    a. Ter Elst    b. Muggenberg c. Rooienberg    d. Bemortel    e. Het Kasteel van Voogdij

2. Herenhuizen    Kasteel Wouwendonck    Kasteel De LochtVilla Hermans    Kasteel Perwijs    Kasteel Mouriau Kasteeltje in de Mijlstraat    Villa VAN CAMP

horizontal rule

D. Wonen in het Duffel van toen.

In het kerkelijk jaar 1985-'86 werd het 500-jarig bestaan gevierd van het hoogkoor in de St.-Martinuskerk. In de toenmalige vergunningsakte tot koorbouw lezen wij dat ‘het oude koor te klein was geworden en ingenomen door de zitsels van de vele edellieden, die het grootste deel van het jaar alhier op hun schone kastelen doorbrachten’. Deze kastelen stonden meestal waar ze gemakkelijk te verdedigen waren, namelijk in de broeken aan de boorden van de Nete.

De families van drossaards en schouten en de heren van laathoven bewoonden te Duffel statige herenhuizen of -hoeven. Sommige rijke geslachten bezaten hier een huis van plaisantie, d.i. een lusthof of buitenverblijf. De meeste van deze woningen leven nog alleen voort in de overlevering, of in de herinneringen van oudere Duffelaars. Sommige bouwwerken bleven gelukkig nog bewaard!

Kenmerkend voor het Duffels dorpssilhouet van weleer waren de windmolens. Met de torens van Ter Elst, St.-Martinus e.a. wedijverden zij in het beeld, dat de reizigers van ons dorp kregen, wanneer zij van ver naderden, te voet, met de diligence, of met een schuit langs de Nete.

In de schaduw van dat alles stonden de schamele, veelal lemen eenkamerwoningen van de werklieden en de laag gehurkte hoeven van het landvolk. Onder de zware mokerslagen van de Tachtigjarige oorlog hadden zij het hard te verduren gekregen. In het jaar van de vinding van het miraculeus beeldje van O.-L.-Vrouw (1637) lag Duffel er troosteloos bij: uitgebrande huizen en braakliggende gronden. Tussen de brug en de Zandmolen in de Mechelsebaan, stonden nog slechts enkele woningen overeind. Door de toeloop van bedevaarders in de jaren na de vinding van het Lievevrouwebeeldje, steeg de vraag naar overnachtingen. Dit stimuleerde de bouw van herbergen en afspanningen.

Wanneer wij in de achttiende eeuw onder de Oostenrijkse Habsburgers gekomen zijn, breekt een periode aan, waarin de woningbouw floreert. Er wordt nu meer en meer in steen gebouwd. De kabinetskaarten van graaf DE FERRARIS, getekend tussen 1771 en 1778, geven een vrijwel aaneengesloten bebouwing te zien vanaf de St.-Martinuskerk tot aan de Kapel. Voor het overige: veel hoeven, her en der verspreid. In die jaren was de bevolking trouwens bij ordonnantie verplicht aan landbouw te doen.

Van een gemeente met een sterk uitgesproken agrarisch karakter is Duffel ondertussen geëvolueerd tot een uitermate geïndustrialiseerde entiteit. Enkel de Mijlstraat heeft de landelijke aard van weleer nog enigszins weten te bewaren.

Naar Boven

1. De Kastelen, verblijfplaatsen van de Heren.

a. Ter Elst.

De prilste oorsprong van het kasteel Ter Elst is niet gekend. Volgens sommige auteurs behoort het tot de oudste gebouwen van onze provincie. Zijn historie gaat met zekerheid terug tot de elfde eeuw. Ter Elst was toen bezit van de HILDINCKSHUSENS of Heren VAN SOTTEGEM (bouwers van de St.-Martinuskerk).

In vroeger tijden stond het kasteel in het midden van de Nete. Doch door de grote aanslibbingen van de rivier, en door het indijken van schorren, staat het nu op de rechteroever. Het was een kasteel van eerste klas, geflankeerd door zeven torens, alle met verschillende karakteristieke windwijzers, wat eertijds de macht van de heer aanduidde. Het had een ruime binnenkoer, en stond geheel binnen zijn eigen grachten. Het was omgeven door een heerlijke warande, begrensd in het noorden door de straten naar Notmeir en naar de kerk (lees Stationsstraat), in het oosten door het Donkerleiken (nu Netelei, en eertijds grens met kasteel Muggenberg), in het zuiden door de Nete, en in het westen door de Wouwendonkse beek.

De heerlijkheid ging van zijn oude bezitters over naar de families VAN LEEFDAAL en VAN IMMERSEEL (Lier). Van deze kocht Wouter BACK, prelaat van Tongerlo, het kasteel in 1356. Nagenoeg vijftig jaar later, in 1404, verschenen de witte herders te Duffel. Het kasteel diende toen als pastorie, en als verblijf voor de abten op doortocht naar Brussel en elders. De prelaten, vooral Werner VAN HALLEER (1477-1487) en Jan VAN WESTHOVEN (1487-1501 ), hebben voor de verbouwing en de verfraaiing van hun kasteel gezorgd. Alles werd opgetrokken in de typische stijl der Norbertijnen: in rode bakstenen met witte sierbanden.

De huidige gerestaureerde overblijfselen behoren tot de verbouwing op het einde der vijftiende en begin der zestiende eeuw. Dat was de bloeitijd voor Ter Elst. In die tijd immers was Mechelen met zijn parlement en Prinsenhof de feitelijke hoofdstad der Nederlanden, en bood Ter Elst meermaals een rustige verblijfplaats aan de landvorsten.

Zo heeft Margaretha VAN YORK, van 1477 tot aan haar dood in 1503 jaarlijks enige weken te Duffel geresideerd. Van 1482 af was zij gelast met de opvoeding van Philips DE SCHONE, toen 3 jaar oud. De gevolgtrekkingen liggen voor de hand: de prinselijke karossen uit Mechelen voerden de jonge Philips mee naar Duffel, om er samen met zijn grootstiefmoeder ieder jaar zomerverblijf te houden. Philips moet Ter Elst prachtig gevonden hebben, want kort na zijn huwelijk vroeg hij aan de prelaat van Tongerlo of de abdij het kasteel niet wou verkopen. De prelaat ging hier echter niet op in. In 1506 overleed Philips.

Viel hiermee het doek over Ter Elst als hertogelijke residentie? Geenszins! De vijfjarige zoon van Philips, de latere Keizer Karel V, werd onder de hoede gesteld van zijn tante, Margaretha VAN OOSTENRIJK, die in 1507 landvoogdes van de Nederlanden werd. Zij verbleef omzeggens gans haar leven te Mechelen, en zette de traditie, ‘s zomers te Duffel te resideren, verder. Zodoende maakte ook de minderjarige Karel V kennis met de heerlijkheid Ter Elst.

Keizer Karel hield van Duffel: ten bewijze hiervan kende hij aan de laatbank van Ter Elst een eigen zetel toe; de ingezetenen van Duffel-Hoogheid waren vrij van gewone koningsbeden of belastingen; hij schonk aan de Duffelse wevers het monopolie van een laken (sargie), dat nergens mocht gemaakt worden dan in Duffel en Spanje alleen; hij deed de vriendelijkste brieven schrijven betreffende de St.-Mertenskapel op de Kwakkelenberg, en bevestigde de statuten van de Lazernijkapel, die met Duffel vergroeid was. Deze kapel was gesticht door LAZARUS, een officier van Karel DE STOUTE, overgrootvader van Karel V.

Men kan zonder aarzeling zeggen dat Keizer Karel een halve Duffelaar is geweest, zo goed als een halve Mechelaar. En waar historici noteren dat Karel slechts twee talen kende: Frans en een beetje Mechels, zijn wij, iets chauvinistisch, geneigd eraan toe te voegen: en een beetje Duffels, hier geleerd van de hoveniers en de landlieden.

Toen de tijd der hertogelijke residenties een einde nam, volgde een kalme periode, waarin door de prelaat benoemde ambtenaren van zijn leen- of laathof, het kasteel bewoonden. Ter Elst ontsnapte weliswaar aan de brandstichtingen van Maarten VAN ROSSEM in 1542, maar in 1584 werd het afgestookt door de calvinisten. In die tijd van ellende en zwarte armoede werd Ter Elst weer pastorie. In de Retorsietijd* trokken ook de pastoors uit het omliggende zich op Ter Elst terug, uit vrees opgepakt te worden. In die periode werden de kinderen op Ter Elst gedoopt. Hoe het kasteel er dan uitzag is niet te achterhalen, doch de herstelling door de prelaten zal zeker grote onkosten meegebracht hebben, want op de platen van Baron J. LE ROY, uit de tweede helft der zeventiende eeuw, staat het slot weer afgebeeld met vier vleugels, zeven torens en een binnenkoer.

Ter Elst bleef pastorie tot aan de Franse omwenteling. Dan werd het aangeslagen, en als zwart goed verbeurd verklaard. In 1799 kocht Louis HERMANS, Antwerps advocaat, het kasteel van de Franse Republiek voor 250 000 fr. Drie jaar later nam HERMANS bezit van zijn kasteel.

* Retorsietijd = tijd der vergeldingsmaatregelen van Holland tegen de Zuidelijke Provincies die aan Spanje trouw gebleven waren.

Onder de familie HERMANS werden drie vleugels afgebroken, en slechts de rest, het deel met vijf torens, dat wij kennen van oude prentkaarten, werd behouden. Zoon August Hermans biedt in 1839 het domein Ter Elst publiek te koop aan. In de notariële aankondiging lezen we:

‘... Een schoon en aangenaam buitengoed, met nieuw herbouwd kasteel, hebbende schone moderne zalen, met trumeaux spiegels en marmeren schouwen, verscheidene beneden- en bovenkamers, moderne trapzaal, keuken met pompen van regen- en putwater, zolders en kelders, andere gebouwen a/s stallingen, remisiën, hovenierswoning, twee pachthoeven met schuur, hovingen met kluis en paviljoen, menigvuldige fruitbomen in volle dracht, schone vijvers voorzien van een groot aantal vissen, aangename wandelingen en dreven, dit alles omringd met brede hofgrachten, daarbij extra schone landen, vloeibeemden, weiden en bossen, rondom beplant met ongeveer 1000 schone opgaande olmen, essen, eiken en andere bomen... ‘

Pas veertig jaar later, in 1879, werd het domein uiteindelijk verkocht aan Jan Camille FUNCKE, die ter plaatse een steenbakkerij liet starten. In 1882 kwam het domein Ter Elst in het bezit van de N.V. HERMANS, waarna het in 1888 verkocht werd aan de N.V. BRIQUETERIE de TER ELST. In 1899 ging alles bij verkoop over naar de BRIQUETERIES ANVERSOIS de DUFFEL. Het kasteel was nog gaaf en bewoond tot 1914. De familie INNIGER was mede van de laatste bewoners van het kasteel. In die vooroorlogse periode lag het kasteel te midden van de droogloodsen van de steenbakkerij.

De Eerste Wereldoorlog betekende de doodsteek voor het kasteel Ter Elst: in de oktoberdagen van 1914 werd het tijdens vijandelijke beschietingen zwaar beschadigd. Kort na de Eerste Wereldoorlog deed Gouverneur Holvoet een ernstige poging, om het kasteel met provinciale gelden te laten herstellen met de bedoeling er een gemeentehuis in te richten. Het toenmalige gemeentebestuur weigerde. In 1912 werden het kasteel en de belendende gronden verkocht aan de Firma Bollekens.

Met de jaren takelde het beschadigde kasteel af tot een ruïne. Toen in 1971 het gemeentebestuur deze aankocht, werd een eerste stap gezet naar het behoud. In de zeventiger jaren werd de kasteelruïne geklasseerd en de restauratie aangevangen. Op 3 september 1982 tenslotte werden de fraai gerestaureerde overblijfselen ingehuldigd door Gaston GEENS, voorzitter van de Vlaamse Executive.

Naar Boven

b. Muggenberg.

Wanneer deze burcht gebouwd werd, is nog niet uitgemaakt. Uit een oorkonde weten wij dat ze in de veertiende eeuw toebehoorde aan het adellijke geslacht BAUW. Zij lieten vermoedelijk het kasteel bouwen. De familie BAUW was ook de grote begiftiger van de bouw van het gotische hoogkoor van de St.Martinuskerk in 1486. Zij heeft haar grafkelder in deze kerk, voor de trappen van het hoofdaltaar.

De naam Muggenberg is een verbastering. Op het zegel van Hendrik BAUW staat: BAUW VAN WEEDENBERGH. Weeden is hetzelfde als weiden, laten grazen. Berg betekent burcht of slot, plaats waar men zich veilig kan bergen.

Het kasteel lag op de rechteroever vlak bij de Nete. De hovingen, beemden en gronden eromheen strekten zich uit van het Donkerleiken (Netelei) tot aan het vijvertje van het huis de Pelicaen.

Door het huwelijk van Katharina BAUW met Willem II, heer van Duffel-Voogdij, gingen Muggenberg en Rooienberg en andere toebehoren van deze heerlijkheid zoals de Roeckxhoeve (VAN BREMPT) als bruidschat over in het huis van MERODE-VUELEN, en later naar de markiezen van Deinze. Muggenberg is steeds in handen van de markiezen gebleven, uitgezonderd de jaren 1773-1775, toen graaf DE PESTRE eigenaar was.

Slechts de vier eerste markiezen hebben tot in 1679 het kasteel regelmatig bewoond; de latere heren kwamen hier slechts nu en dan, en verbleven in hun hotel te Brussel, of op hun kasteel te Ham-sur-Heure. Ze verhuurden Muggenberg; de ‘diefkelders’ moesten echter door de huurders steeds ter beschikking gehouden worden van de dorpsofficieren.

In 1700 nam de adellijke familie DE BRUITSMA-VAN GESTEL haar intrek in het kasteel. Ze verbleven er 40 jaar. Deze, zowel als de markiezen, hebben het kasteel onherstelbaar laten vervallen. Vele processen tussen eigenaar en huurder getuigen hiervan.

Latere bewoners waren de schouten Jan VAN MELDERT en BOSQUET, en laatst Bartholomeus BAUR, rentmeester van MERODE en vrederechter te Duffel. Zijn oudste dochter Maria Josephine Francisca BAUR huwde met Petrus Josephus ESPEREN, een eminent Gents fruitkweker, die in de tuinen van Muggenberg lekkere fruitsoorten won en veredelde, o.m.: de Seigneur d'Esperen, Soldat Laboureur, Bergamotte d'Esperen en vele andere variëteiten. Vrederechter BAUR stierf in 1821, en het gezin ESPEREN-BAUR verhuisde hetzelfde jaar naar Mechelen.

Het kasteel werd wat later gesloopt; enkel de Romaanse poort van de kasteelhoeve, de hovenierswoning en de stalling bleven over. Deze laatste getuigen van het slot van de families BAUW en MERODE vielen onder de slopershamer in 1970 bij het aanleggen van de Hondiuslaan.

Hoog bezoek op Muggenberg in 1566. Philips II bestuurde onze landen vanuit Spanje, door zijn landvoogden. De eerste was zijn halfzuster Margaretha VAN PARMA, bijgestaan door kardinaal GRANVELLE. Deze laatste maakte zich zeer gehaat door het bestendigen van de Spaanse garnizoenen en de strenge uitvoering van de Plakkaten tegen de ketterij. De hervormden dreigden met burgeroorlog.

In 1566 sloten 400 edelen, waaronder Jan IV VAN MERODE, heer van Duffel, het Eedverbond der Edelen. In een verzoekschrift aan de landvoogdes drongen zij aan op mildering van de inquisitie en afschaffing van de Plakkaten.

Teneinde een uitkomst te vinden voor de heersende moeilijkheden, belegde Margaretha een bijeenkomst tussen haar vertegenwoordigers: Lamoraal graaf VAN EGMOND en prins Willem VAN ORANJE, en de verbondenen. Op voorstel van ORANJE vond die vergadering te Duffel plaats.

En zo gebeurde het dat, op 18 juli 1566, een stoet van prachtig uitgedoste edelen Duffel kwam binnengereden. Prinsen, graven en ridders, vergezeld van hun gevolg: wapendragers, schildknapen en soldeniers. Wat zullen onze dorpsgenoten van toen hebben opgekeken! Ditmaal geen bende plunderaars, maar een heuse groep vredezoekenden op weg naar hun plaats van bijeenkomst: het kasteel Muggenberg, waar Katharina VAN MERODE hun gastvrouw was. Namens het eedverbond waren aanwezig:

Graaf Hendrik BREDERODE, Heervan Vianen,

Graaf KULENBORG,

Eustace DE FIENNES, Heer van Esquerdes,

Guillien DE FIENNES, Heer van Lumbres,

Charles DE REVEL, Heer van Audrignies,

Charles VAN DER NOOT, Heer van Risoir,

Philip DE MARBAIX, Heer van Loverval,

Bernard VAN MERODE, Heer van Rummen,

Jean LE SAUVAGE, Heer van Essenbeek,

Jean D'ESTOURNEL, Heer van Vendevirlle,

Jan CASENBROOT, Heer van Backerzele,

    secretaris van EGMOND.

Op dezelfde dag was er in onze gemeente nog een andere afvaardiging verschenen: ‘Het Eedverbond der Coopluyden, Borgheren ende Ingesetenen der Nederlanden, de Religie toegedaan’. Ze overhandigden ORANJE en EGMOND een smeekschrift, waarin ze aan deze beide heren bescherming vroegen, alsook de toelating om in vrijheid van geweten hun godsdienst te mogen uitoefenen, en in alle stilte en gehoorzaamheid te mogen leven ‘tot de Generale Staten behoorlijk vergaderd, dit alles ter discussie zouden stellen’. Al is de samenkomst met de verbondenen een maat voor niets geweest, onze dorpsgenoten zullen nog lang nagekaart hebben over dit hoge bezoek.

In augustus 1566 barstte in Vlaanderen en Brabant de Beeldenstorm los. Daarop werd de hertog VAN ALVA naar de Nederlanden gezonden. Alva's Bloedraad veroordeelde de verbondenen, die aan de bijeenkomst te Duffel hadden deelgenomen ter dood. Sommigen gingen in ballingschap, of doken onder, anderen werden gevat en terechtgesteld. In de beschuldiging ten laste van EGMOND stond dat hij, met ORANJE te Duffel zijnde, het ‘Eedverbond der Coopluyden en Borgheren’ in bescherming had genomen en omdat die bescherming slechts de koning toekwam en hij dit niet had laten weten aan de landvoogdes, was hij vervallen ‘in het feit van gekwetste majesteit’.

Hiervoor werd hij ter dood veroordeeld. Hij werd samen met graaf VAN HOORNE te Brussel op de Grote Markt onthoofd op 5 juni 1568.

Jan IV van MERODE ontfermde zich over het lot van Egmonds vrouw, Sabina VAN BEIEREN en haar kinderen. Zijn kasteel in Pietersheim bij Lanaken werd hun nieuwe woonst.

Naar Boven

c. Rooienberg.

Ook van dit kasteel blijft de oorsprong duister. De eerst gekende eigenaar was de familie BAUW. Na de dood van zijn vader, die gehuwd was met Katharina BAUW, erfde Jonker Jan VAN MERODE in 1525 de goederen van Rooienberg en Muggenberg. Meer dan driehonderd jaar later gingen de goederen van de Markiezen van Deinze over naar de Duitse familie VAN ARENBERG, door huwelijk van Gravin Maria Ghislena VAN MERODE met Antoon, prins en hertog VAN ARENBERG. In 1918 werden de bezittingen van de ARENBERGS door het sekwester verkocht.

Wat men nu nog de Rooienberghoeve noemt, is slechts een gedeelte van het vroegere prachtige kasteel, dat uit verscheidene vleugels bestond, zoals blijkt uit een schets van 1716, en uit een tiendekaart van 1730. Het geheel lag breed in zijn grachten omsloten.

Vermelden wij tenslotte, dat Rooienberg tijdelijk tot woning heeft gediend van drossaard SLAETS en dat er een tijd is geweest dat het dorpsarchief er bewaard werd. Heden wordt de hoeve bewoond door de kinderen VAN DIJCK.

Naar Boven

d. Bemortel.

Op het grondgebied van St.-Katelijne-Waver, nabij de grens met Duffel langs de Duffelse Steenweg, stond eertijds een belangrijke burcht: de Bemortel. Volgens sommige historici moet deze burcht beschouwd worden als de hoofdzetel van de Duffelse BERTHOUTS. De oppervlakte binnen de hofgrachten bedroeg meer dan 5 ha. Daarop prijkte een uitgebreid gebouwencomplex, dat o.m. bestond uit een zware vierkante toren, een wapenzaal, een kapel, een schepenhuis en een gevangenis. De oudste vermelding van de Bemortel dateert van 1296, toen de abdij van Grimbergen verplicht werd aan Hendrik III BERTHOUT cijnsgeld te betalen. In het begin van de veertiende eeuw kwam het kasteel in handen van de familie VAN HOORN. Maria VAN HOORN moest de Bemortel voor 20000 kronen verkopen aan Antoon VAN BOERGONDIE. Deze benoemde Quinten CLARENSONE tot kastelein met de opdracht het vervallen kasteel weer bewoonbaar te maken.

Tussen 1415-1570 en 1607-1703 verbleef de drossaard van Duffel en Walem op de Bemortel. Daar vergaderde ook de schepenbank van het Land van Duffel. Wegens de onzekere tijden (opkomst van het protestantisme) geraakte de drossaard in financiële moeilijkheden en kon hij de Bemortel niet meer onderhouden. Op 10 juni 1569 stortten de woontoren en enkele andere gebouwen in. Dat gebeurde toen de vierschaar het proces van KILIAAN tegen zijn zuster Margriet VAN KIELE behandelde. Van 19 mei 1573 af werd er geen rechtspraak meer gehouden. De kasteelhoeve werd verpacht en de Bemortel als vluchtschans ingericht.

Op 31 januari 1585 werd de Bemortelschans op last van Alexander FARNESE ingenomen en werden haar bewoners vermoord. In 1597-98 werd het vervallen kasteel. grondig hersteld. Het werd een huys van plaisantie en kwam tijdelijk in handen van de Markiezen van Deinze. Tussen 1778 en 1819 viel het kasteel in puin. Vele landbouwers haalden uit de ruïne allerlei materiaal, om hun boerderijen te (ver)bouwen. Alles werd met de grond gelijk gemaakt en met een laag aarde bedekt. De binnengracht werd gedempt en de huidige Bemortelweg werd dwars over het verdwenen kasteel aangelegd. Vandaag prijkt langs deze weg een kaasboerderij, die werd opgericht op de grondvesten van één van de oude boerderijen, die tot het kasteel behoorden.

Naar Boven

e. Het geheimzinnig kasteel van Voogdij.

In Duffel-Voogdij treffen wij geen kastelen aan, noch in de archiefbronnen, noch in de volksmond. Zouden de heren van Voogdij dan geen verblijfplaats te Duffel gehad hebben? Alleen de plaatsnaamkunde laat toe hierop te antwoorden. De huidige lei naast zaal Alcazar werd reeds in 1404 de Casteelstraete genoemd, en de gronden achter het Rustoord heetten de Casteellanden. Deze kasteelnamen wijzen volgens elementaire begrippen van de heemkunde op het bestaan van een kasteel aldaar. Sporen ervan werden evenwel nooit gevonden. Het kasteel zou reeds in de vijftiende eeuw verdwenen zijn.

Naar Boven

2. Herenhuizen uit het recente verleden.

We brengen hier in herinnering een reeks woningen uit de negentiende eeuw of uit de periode rond de eeuwwisseling. Sommige bouwwerken vielen inmiddels onder de slopershamer, zoals het kasteel van MOURIAU DE MEULENACKER, het kasteeltje van Gaston VAN DEN BERGH (‘t kasteeltje van ‘t baronneke, Liersesteenweg), de villa van de familie DE FAUDEUR (villa van de Juge, Lierse- steenweg), de villa Bloemendal (vroegere woonst van Dr. JACOBS en Dr. W. HOLSTERS, later residentie van de Registratie der Domeinen, Kiliaanstraat). Andere zijn bewaard gebleven: het kasteel Wouwendonck (kasteel van GEVERS), het kasteel van Perwijs, het kasteel van de Beunt (de Locht), de villa van de familie VAN CAMP, en de villa van hoofdonderwijzer Frans ANDRIES.

Het kasteel Wouwendonck is gelegen in de Rooienberg aan de Wouwendonkse beek, vlak bij de voet van ‘de tramberg’. In de volksmond is het beter gekend als het kasteel van GEVERS. Het werd inderdaad door de heer GEVERS gebouwd in 1846, en door de familie GEVERS bewoond. In 1924 verwierf COVABE het kasteel, met toebehoren. Het mooie park achter het kasteel werd één geheel met de tuin van het klooster, om later samen met de kleiput van Ter Elst het domein te vormen van de kloostergemeenschap COVABE. Het kasteel zelf maakt vandaag deel uit van het Instituut voor Verpleegkunde. Als de kasteelheer zijn kasteel inhuldigde, liet hij een wedstrijd voor hoepelrokken organiseren. De dames waren zo breed opgetuigd, dat men niet over het bruggetje van de vijver kon.

Hoe kasteel De Locht evolueerde van directeurswoning tot cultureel en jeugdcentrum schetsten wij in ons boek ‘DUFFEL NU’. Voegen wij eraan toe dat het heemhuis momenteel wordt heringericht als museum.

De villa HERMANS, gelegen aan de spoorweg, werd vóór 1900 gebouwd door Louis HERMANS-DURIEU. Volgens een oude getuigenis van een Duffelaar ‘heeft August HERMANS, later burgemeester, de strook grond van de spoorlijn tussen beide tunnels om niet afgestaan aan het beheer der spoorwegen’. Later, wanneer de tunnels werden gebouwd, heeft de familie HERMANS aan deze schenking herinnerd, ten einde langsheen hun villa een straat te bekomen, de Hermansstraat.

Het kasteel Perwijs brengt ons naar de Linkeroever in de Handelsstraat. Het werd in 1850 gebouwd op de plaats, waar tijdens de Spaanse bezetting een fort of schans stond ter bewaking van de overweg over de Nete. Het kasteel wordt vaak kasteel van de COREBIJTER genoemd. Deze benaming komt van een Brusselse familie, die lange jaren het kasteel als buitengoed bewoonde. De laatste eigenaars waren MORREN, ROMBAUT, en heden architect F. GOOSSENS. De prachtige tuin van het kasteel is sinds 1934 gemeentelijk park.

Het kasteel van MOURIAU DE MEULENACKER, ook kasteel DE POMPELAER geheten, was een indrukwekkend bouwwerk gelegen in een enig mooi natuurkader dat nu bij de Duffelaars bekend staat onder de naam bos van MOURIAU. Deze prachtige omgeving vormde vóór de Tweede Wereldoorlog het decor voor de jaarlijkse ‘Vlaamse kermis’ van de harmonie St.-Cecilia. Later, na Wereldoorlog II, werd het vervallen kasteel, dat niet meer bewoond was, afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe verkaveling.

Het Kasteeltje in de Mijlstraat.

In 1907 onteigende het Ministerie van Landsverdediging in de Mijlstraat een perceel grond van wagenmaker F. LIECKENS, om er een herenhuis op te trekken, die moest dienen als woning voor de opzichter van de werken aan het fort van Koningshooikt. Een jaar later was de woonst voltooid. De Mijlstratenaars noemden het smalend ‘het kasteeltje’. Kapitein BADOUX van de Belgische genie was de eerste bewoner. Deze ijzige en norse figuur was de schrik van de Mijlstraatse jeugd. In 1914 vertrok BADOUX. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed het gebouw af en toe dienst als noodwoning voor daklozen. Na de oorlog werd het bewoond door adjudant JACQUEMAIN. In 1927 werd de villa openbaar verkocht. Menig Duffelaar herinnert zich zeker deze woning als woonplaats van schoolhoofd Frans ANDRIES, verdienstelijke figuur, gewaardeerd in Duffel-Mijlstraat. Merkwaardig aan de woonst is de reusachtige waterput, die enkel water uit de ondergrond mocht geven, gezien de nabijheid van het kerkhof.

Een andere mooie herenwoning is de villa VAN CAMP, Mijlstraat 139. Deze werd in 1893 gebouwd door Petrus VAN CAMP (1833-1903). Als lid van de kerkfabriek en van de gemeenteraad was Petrus VAN CAMP een verdienstelijk pionier voor de Mijlstraat.

Naar Boven