|
|
|
|
F. Volkskunde - Folklore - Heemkunde. Weinigen zijn het eens over de omschrijvingen van de begrippen Volkskunde en Folklore. Als wetenschap is de Volkskunde pas in de 19de eeuw volwassen geworden, nadat er tijdens de romantiek grote belangstelling voor was ontstaan. Het woord komt voor het eerst voor in een verzameling oud-Duitse volksliederen (1806). De Engelsman W.J. THOMS gebruikte de term Folklore (de wijsheid van het volk) in 1846, om te wijzen op het volksgeloof, legenden en gebruiken. Beide termen zijn nog in gebruik, maar met Volkskunde wordt doorgaans de studie bedoeld en met Folklore het complex van verschijnselen, die onder een volk in omloop zijn of de vervorming van deze verschijnselen, die op kunst- en ambachtsmarkten tot uiting komen en bij de wetenschapsmensen een kwalijke bijklank hebben gekregen. In Nederland en Vlaanderen kwam de Volkskunde omstreeks de eeuwwisseling tot volwassenheid, daarbij sterk door Duitsland beïnvloed. Het toenemend belang van deze wetenschap kwam o.a. tot uiting door de instelling van leerstoelen aan de universiteiten van Amsterdam, Gent en Leuven en de oprichting van musea in o.a. Bokrijk, Luik en Arnhem. Daarnaast bestaat de Heemkunde, die geen wetenschap is, en - naar het Duitse Heimatkunde - het samenbrengen inhoudt van alles wat er over een bepaalde stad, gemeente of lokaliteit voorhanden is. Hoezeer we vasthouden aan tradities, wordt voldoende aangetoond door de massale aanwezigheid van deelnemers en toeschouwers bij folkloristische gebeurtenissen . Het daarmee gepaard gaan van verkleden en vermommen is een kenschetsende menselijke trek. Volkskunde en Folklore omvatten o.a.: - oude tradities en nieuwe gebruiken; - feesten; - volksmuziek, volksliederen; - gebruiken, die bij de levenskring behoren; - vormen van spel en sport; - klederdracht en volksdans. In Duffel leeft de Folklore intens, gesteund op een reeds eeuwenlange traditie. Zij wordt op verscheidene manieren tot uiting gebracht. Reuzen en reuzenpoppen, die in onze stoeten worden rondgedragen of bij kermissen of jubilea uitgaan, zijn een specifiek Vlaams verschijnsel. Later verspreidde deze gewoonte zich in enkele steden van Frans-Vlaanderen, Nederland en Spanje. De meeste reuzen deden hun intrede tussen de jaren 1450 en 1500 en hebben dus een eerbiedwaardige leeftijd. Wanneer de Duffelse reuzen ‘geboren’ werden, is onbekend. Wel weten wij dat ze niet mee opstapten in de stoet van het honderdjarig jubileum van de kapel in 1737. Maar gezien reuzen eerder aardse paradesymbolen zijn, valt dat voor die tijd best te begrijpen. Voor het eerst lezen we iets over hen in een verslag van 1819. Op een buitengewone vergadering van het schepencollege op zondagvoormiddag 11 juli 1819 bracht burgemeester SPRUYT het bericht van een doorreis van Z.M. Koning Willem, die zou plaats hebben op woensdag 14 juli. Men zou de koning met alle mogelijke eer begroeten. Er werd besloten de bevolking nog dezelfde dag na het lof te verwittigen bij uitroeping en door affiches. In dit verslag staat het volgende in het Frans vermeld: ‘De figuren, die men reuen noemt, zullen een omgang doen bij de aankomst van zijne Majesteit’. Ons reuzengezin telt zeven leden. - reus als oudste en grootste meet 3,40 meter; - reuzin, zijn gemalin, ettelijke jaren jonger, haalt 3,25 meter; - Janneke (2,46 m) en Mieke (2,90 m) zijn de twee reuzenkinderen; - Moor en Morin * meten elk 2,90 meter; - Kinne-Baba (samenvoeging van Kinneke en Baby) is de jongste telg en meet 2 meter.
Reuzen mogen niet zwaar wegen, want ze moeten door mensen gedragen worden. Een goede reus moet beweeglijk zijn. Hij moet mee in een optocht kunnen stappen, hij moet kunnen dansen en buigen...
* Tijdens de Spaanse bezetting ontstond er zonder twijfel een omgang tussen Duffelaars en Spanjaarden. Deze laatste vertelden over hun reuzenstrijd tegen de Moren. De verhalen werkten zeer zeker op de verbeelding van onze voorouders. Vandaar waarschijnlijk het ontstaan van ons zwart reuzenpaar, dat enig is in zijn soort!
De oorspronkelijke, houten geraamten van de Duffelse reuzen waren in 1935 totaal versleten, zodat in 1936 aan twee jongens van Sint-Amands, oud-leerlingen van de vakschool voor wissen- en rietwerk van Bornem, gevraagd werd om de huidige geraamten te vlechten. Nu bestaat hun stevig draagstel uit bamboe en riet. In 1937 werden de kleren van de reuzen vernieuwd door Mevrouw Clothilde RESSELER, ter gelegenheid van de Mariastoet. De koppen uit gekneed Papier zijn parels van boetseerwerk en echte antiquiteiten! Vermelde optochten. In 1905 stapten de zeven reuzen mee bij de grote feesten ter ere van Moederken DIDDENS, die toen een eeuw leefde. Daarna werd het een tijdje stil rond de reuzen van Duffel. Ze werden in de vergeethoek gezet en zouden eerst na de Eerste Wereldoorlog terug te voorschijn gehaald worden. Dit gebeurde o.a. bij de grote Mariaommegang van 1937 ter ere van de 300ste verjaardag van de vinding van het wonderdadig beeldje van O.-L.-Vrouw van Goede Wil. Op zondag 12 september 1948 trok een luisterrijke stoet door Duffel. Men vierde het 75jarig bestaan van de Koninklijke Toneelmaatschappij ‘De Toneelvrienden’, en men herdacht ook de Boerenkrijg die 150 jaar tevoren had plaatsgevonden. Bij die gelegenheid werden ook tien reuzendragers gehuldigd met hun jubileum. Ter gelegenheid van dit jubileum werden de reuzen nogmaals volledig in het nieuw gestoken. De gemeenteraad stelde de financiële middelen ter beschikking en onder leiding van Clothilde RESSELER en naar schetsen van Fritz CONSTANT togen Agnes STEVENS, Odile DE LAUW en de RESSELER-vrouwen aan het werk. Karel DE COCK herstelde de hoofden en Paul MUTTERT maakte een prachtig nieuw borstharnas voor de reus. Op 16 februari 1958 waren de reuzen opnieuw van de partij, om Josephine CROISIERS als honderdjarige te vieren. Het was een ongeschreven wet, dat de Duffelse reuzenfamilie het grondgebied van Duffel niet mocht verlaten. Maar daar is na de Tweede Wereldoorlog verandering in gekomen. Zo werd het mogelijk, dat de reuzen op 31 augustus 1958 naar de Wereldtentoonstelling in Brussel togen, waar ze overigens om hun danspasjes een daverend applaus kregen. In 1964 werd het uitzonderlijk record van 25 jaar samen onafgebroken dienst van burgemeester Emiel VAN HAMME, gemeentesecretaris R. CROES en de drie schepenen H. SMULDERS, A. VERRELST en L. VERSCHUEREN gevierd. Bij dit zilveren ambtsjubileum hoorde een stoet. De vijf gevierde gingen mee... in reuzengestalte. Ze werden vervaardigd door de bekende Antwerpse stoetenbouwer, Frans VAN IMMERSEEL. Op 10 mei 1964 trokken de vijf nieuwe reuzen door ‘hun gemeente’ vergezeld van de oude Duffelse reuzenfamilie. Eveneens zag men daar de raket naar de maan (van Sidal), het Ros Beiaard en het Rad van Avontuur. Recentelijk kwamen de reuzen nog buiten, op 10 mei 1973, bij de opening van de nieuwe bibliotheek, op 9 juli 198, ter gelegenheid van ‘Het Jaar van het Dorp’, bij de inhuldiging van het Muggenbergpark, en laatst op 23 maart 1986, stapten ze mee op in de tiende carnavalstoet ingericht door het Carnavalcomité der Socialistische Gepensioneerden. Ter die gelegenheid werden de koppen van de reuzen opgekalefaterd door Albert TEUGELS.* * Volks, maar kunstig is jaarlijks zijn tentoonstelling van zelfvervaardigde en aangeklede poppen in zijn tuin, in de Franselei 25, tijdens de Pinksterdagen. De reuzendrager van Duffel. De families VERLINDEN en CAERS zijn sinds jaren de fiere dragers van onze reuzen. Zij vormen als het ware een soort gilde. De eerst gekende drager van de reus was Pieter-Frans VERLINDEN, hij deed dit rond 1850, en de jaren erna. De opvolging werd een traditie die van vader op zoon werd voortgezet. Zo zijn we nu aan de vijfde generatie VERLINDENS toe. Als huidige dragers van de reus fungeren de gebroeders Eddy en Fançis VERLINDEN en hun neef Jozef VERLINDEN. Ook de familie CAERS levert sedert mensenheugenis reuzendragers. Vast staat dat reeds Robert CAERS overgrootvader, die rond de eeuwwisseling stierf, met de reuzen op stap ging. Grootvader en diens broer zetten elk met hun zonen de traditie verder. Begin juni 1973 werd Robert CAERS op het gemeentehuis voor zijn gouden jubileum gevierd, vijftig jaar met de reus ten dans. Vanzelfsprekend waren de reuzen van de partij, wat voor de gevierde alvast een hele eer was. Vanaf 1973 volgde kleinzoon Marc de gehuldigde op en vertegenwoordigt dus de zesde generatie reuzendragers uit de familie CAERS. De familie CAERS nam in al die jaren steeds reus Janneke op de schouders. Reglement van de reuzendragers Dit reglement werd opgesteld op 5 maart 1961 in het lokaal VAN SAET, Kwakkelenberg 8, te Duffel. 1. Iedere reuzendrager moet de gemeente Duffel bewonen. 2. De oudste reuzendrager wordt aanzien als de vader van de reuzen. 3. Het niet-bijwonen van een vergadering zal beboet worden met 20 fr., af te houden bij de eerstvolgende rondgang. 4. Elke drager moet zorgen voor zijn reus, en hem binnenbrengen in de staat waarin hij is buiten gegaan. 5. Het is verboden tijdens de rondgang te veel alcoholische dranken te gebruiken. 6. Iedere reuzendrager, die zijn activiteiten als drager stopzet, heeft het recht een plaatsvervanger aan te stellen. 7. Inbreuken tegen bovenstaande reglementen kunnen door de algemene vergadering beboet worden en zelfs met uitsluiting bestraft. Er leeft in Duffel een oude traditie, waarvan niemand met zekerheid de oorsprong kan aanwijzen: de laatste zondag van september trekt de Duffelse jeugd de straat op met ballonnekens, uitgeholde bieten en eertijds met lichtbakken. Vanwaar dit folkloristisch feest? Vermits terzake geen geschreven bronnen te vinden zijn, lopen de meningen sterk uiteen. - Het zou vroeger ‘Prinskensdag’ geweest zijn en de geboortedag herdenken van onze eerste Prins. Dit is nochtans te betwijfelen, vermits deze geboortedag tijdens de maand juli viel. - Mogelijk is het een gewoonte geweest, dat na de bietenoogst, de boerenjeugd ter gelegenheid van het oogstfeest, deze vruchten uitholde en verlichtte. - Volgens een andere bron zouden het bevrijdingsvieringen kunnen zijn, ontstaan tijdens de septemberdagen bij de omwenteling van 1830. De overleveringen bevestigen nochtans dat het vóór die tijd reeds in gang was. - Vegen we hier ook nog aan toe, dat in sommige gemeenten (Ranst bv.) eveneens soortgelijke manifestaties bestaan, die hun oorsprong vinden in het feest van dag- en nacht-evening (21 september). Waarschijnlijk werd de traditie van ‘ballonnekenslopen’ een tijdje opgenomen in de bevrijdingsfeesten (krantenverslag dd. 3 oktober 1835) en werd deze lichtoptocht hierdoor veralgemeend en versterkt. Het Belgische volksfeest kostte aan de gemeentekas heel wat geld en na enkele jaren werden de noodzakelijke gemeentelijke toelagen afgeschaft met het spijtig gevolg dat de volksspelen, de zangwedstrijd en de optredens van muziekmaatschappijen geen doorgang meer vonden. De verlichting echter bleef t.t.z. het rondgaan van kinderen met ballonnekens, verlichte bieten en pronkappels, alhoewel op een laag pitje... Rond 1900 bracht vader ROOTHOOFDS (‘De Stoffel’) zijn telgen en de geburenjeugd samen. Hij bezorgde hun mislukte kaarsen uit de bougiefabriek op de Locht en vormde een succesvolle stoet. Eerst werd erin gezongen, maar het volgende jaar kreeg hij reeds versterking van een harmonicaspeler en tenslotte verleende enkele leden van de fanfare ‘De Volksvrienden’ hun medewerking tot leute en plezier van de jeugd en de ouders. De ballonnekensstoet maakt op de laatste zondag van september een tocht door onze gemeente in de vorm van een ‘acht’. Men start bij valavond in de Oostkant, waar men de eerste lus maakt. Men trekt vervolgens de brug over, waar in de West de andere lus wordt gelopen. De optocht wordt ontbonden in de Molenstraat, waar elk kind een ‘bonneke’ ontvangt, waarmee verscheidene, prachtige prijzen, die prijken in de uitstalramen van de Duffelse Middenstanders, kunnen gewonnen worden. Wie geen geluk had, kan dit lootje nog ten goede maken op één van de talrijke molens van jaarmarktkermis. Terwijl de jeugdigen rondtrekken, zingen ze het volgende liedje: Keske in de lanteire den doemp die vliegt er ouit en Nelles * goa zoe geire mee zaan capriske ouit Ze zegge dak kik gestolen em Ze zegge dak kik ne voddeman ben Keske in de lanteire den doemp die vliegt er ouit Edde gaa gie vet keupt dan boter, keupt dan boter Edde gaa gie vet keupt dan boter ba Jeannet Keske in de lanteire den doemp die vliegt er ouit Edde gaa gie smaat (olie) keupt e keske, keupt e keske Edde gaa gie smaat keupt e keske van ‘t profaat. De laatste jaren wordt op het G. Van der Lindenplein een feeëriek vuurwerk afgestoken ter beëindiging van de stoet. Moge deze kinderdroom steeds bewaard blijven! * Die Nelles van het volkslied was Duffelaar TISSON, in de wandeling Zotte Nelles genoemd, en in zijn glorietijd een markante Duffelse figuur. Nelles was de ‘gross-caissedrager’ van St.-Cecilla en toen in de jaren 1882 de Vlaamse sussen naar Brussel gingen protesteren tegen de hatelijke schoolwet van het Liberaal ministerie ROLIN, werden er door het Brusselse gepeupel heel wat instrumenten en grote trommen stukgeslagen. Onze Nelles stapte echter met zijn trom naar Schaarbeek en bracht ze heelhuids terug in Duffel! Onze Nelles was bijlange niet zo zot, als men wel dacht. |