Home

Inhoud

Inhoud A tot Z

B. De Heren van Duffel

C. Beroemde Duffelaars

D. Wonen in Duffel

E. Onze  Straatnamen

F. Volkskunde - Folklore

Duffel © 2004 - 2018

1. De Berthouts    2. a. Heren van Duffel-Perwijs

2. b. Heren van Duffel-Voogdij    2. c. Heren van Duffel-Hoogheid

3. De 3 Duffels onder één heer    4. Het Wapen Van Duffel

horizontal rule

B. De heren van Duffel.

De drie Duffels werden in de loop der tijden ook de Mechelse door een reeks heren van allerlei adellijke Hendrik I wordt de geslachten oppermachtig geregeerd.

1. De Berthouts.

De BERTHOUTS bewoonden aanvankelijk hun kasteel te Grimbergen. Op het einde van de elfde eeuw waren ze zo machtig, dat ze zich gelijk stelden met de graven van Leuven. Deze hadden hun graafschap met dat van Brussel verenigd en regeerden vanaf het begin van de twaalfde eeuw voort onder de naam hertogen van Brabant. In 1143 bonden zij de strijd aan tegen de opdringerige BERTHOUTS.

Het was een lange en harde strijd om het meesterschap. In 1159 legde hertog Godfried III hun kasteel te Grimbergen in as.De BERTHOUTS weken uit naar Mechelen, van waaruit ze hun overgebleven domeinen verder bestuurden.

Welke rol hebben deze BERTHOUTS nu gespeeld in de Duffelse geschiedenis? De Grimbergse BERTHOUTS waren van oudsher de bezitters van de heerlijke rechten van het Land van Duffel (= Duffel-Perwijs, St.-Katelijne-Waver en een gedeelte van Walem). Het Land van Duffel werd eertijds ook Duffel-Land van Grimbergen genoemd. De geschiedenis zegt niet, hoe de BERTHOUTS aan dit bezit gekomen zijn.

De oudst bekende BERTHOUT was Arnold († 1147). Mogelijk zijn zoon Wouter II, zoniet zijn kleinzoon Wouter III, kocht de rechteroever van da HILDINCKSHUSENS of VAN SOTTEGEMS, heren van Ter Elst. In het charter van 1271 is van deze verkoop sprake. De BERTHOUTS bezaten nu twee van de drie Duffels.

In 1219, bij de dood van Wouter IV van Grimbergen (of I van Mechelen) erfde Wouter V (of II) het Land van Mechelen, waaronder Duffel-rechteroever, terwijl Hendrik I, de tweede zoon, o.a. het Land van Duffel, dus Perwijs, toegewezen kreeg. Zodoende werden de twee Duffels opnieuw gescheiden.

Wouter IV van Grimbergen werd ook Wouter I van Mechelen genoemd, omdat hij te Mechelen het politiek gezag van zijn huis vestigde. Wouter IV, en nazaten, worden daarom ook de Mechelse BERTHOUTS genoemd. Hendrik I wordt de eerste Duffelse BERTHOUT geheten.

Ter informatie: men mag het Land van Mechelen niet verwarren met de Stad of Heerlijkheid Mechelen. Politiek gezien, had deze laatste niets met het Land van Mechelen gemeen. De Stad of Heerlijkheid Mechelen was een afzonderlijk leen, dat als een eiland in het Hertogdom Brabant lag. Het Land van Mechelen werd ‘van Mechelen’ genoemd, alleen maar omdat de dorpen waaruit het bestond, in het bezit waren van de BERTHOUTS, die tevens heren van Mechelen waren. Het Land van Mechelen omvatte: Aartselaar, Rijmenam, Schelle, Beerzel, O.-L.-Vr.-Waver, Putte, Berlaar, Waarloos, Schriek en Grootlo, Bonheiden, Niel, Reet en Duffel-rechteroever. In vele teksten wordt Duffel-rechteroever dan ook Duffel-Land van Mechelen genoemd.

In Duffel-Voogdij hebben de BERTHOUTS, geen van alle, ooit voet gehad!

Naar Boven

2. Territoriale rechtsmacht van 1219 tot 1571.

Van 1219 tot 1571 hoorden Hoogheid, Perwijs en Voogdij in algemene regel aan drie verschillende heren toe. Daarom geven wij er voor deze periode de voorkeur aan de drie Duffels afzonderlijk te behandelen.

a. Heren van Duffel-Perwijs.

Na vijf Hendrikken Duffelse BERTHOUTS ging Perwijs over in het huis van HOORN, door huwelijk van Katharina BERTHOUT, dochter van Hendrik V, met Diederik VAN HOORN, heer van Perwez. Dit Waalse Perwez lag ten grondslag aan het woord Perwijs.

Na vier generaties VAN HOORNS bracht Elisabeth VAN HOORN, door haar huwelijk met Jan I VAN ROTSELAER, Perwijs in het huis VAN ROTSELAER.

Van Jan II VAN ROTSELAER ging het gezag over op diens zoon Hendrik die vroegtijdig stierf, en door zijn zuster Elisabeth vervangen werd. Bij haar overlijden liet deze aan haar tweede echtgenoot, Thomas SCHOTELMANS, levenslang het vruchtgebruik over, maar de heerlijkheid kwam in handen van haar achterneef, Jan III uit het huis VAN MERODE.

Diens opvolger, Hendrik VAN MERODE, kocht in 1558 Duffel-Hoogheid af van Philips II, en verenigde aldus de rechten op Perwijs en Hoogheid in één hand. Jan IV VAN MERODE, zoon van voornoemde Hendrik, stond in 1571, in ruil voor de heerlijkheid Impde, deze beide Duffels af aan Willem III VAN MERODEVUELEN, heer van Duffel-Voogdij, die op deze wijze de eerste heer van geheel Duffel werd.

b. Heren van Duffel-Voogdij.

Deze heerlijkheid hoorde in vroegere tijden toe aan de abdij van Nijvel. Op welk tijdstip en welke abdis van Nijvel deze heerlijkheid heeft verkregen, is onbekend.

De abdis liet het besturen door aangestelde voogden: de benaming Voogdij herinnert aan deze ambtsbevoegdheid. De oudst bekende voogd was Arnold VAN WESEMAEL. De VAN WESEMAELS waren machtige potentaten, die het gebied tenslotte zelf inpalmden. De mannelijke afstammelingen Jan I en II noemden zich heren van Voogdij, gedeeld of in betwisting met de VAN STALLES.

Joanna VAN STALLE was gehuwd met Rogier VAN PIETERSHEIM. In de vijftiende eeuw werd Duffel-Voogdij dan ook enige tijd Duffel onder Rogier VAN PIETERSHEIM genoemd. Voogdij wordt soms ook Duffel-Zandhoven geheten, vanwege de indeling in dit kwartier.

Daar zij kinderloos stierf, liet Joanna VAN STALLE haar bezittingen na aan haar neef Rijkaert II uit het huis VAN MERODE. Na Jan I VAN MERODE, zoon van Rijkaert, gingen de rechten op Voogdij over op Willem I uit het huis VAN MERODE-VUELEN. Het was diens achterkleinzoon, Willem III, die uiteindelijk de drie Duffels onder één heer samenbracht.

c. Heren van Duffel-Hoogheid.

Tot 1331 bleven de Mechelse BERTHOUTS in het bezit van Duffel - Land van Mechelen.

Na de dood van Floris BERTHOUT komt het Land van Mechelen in het huis VAN GELDER, door huwelijk van Sophie BERTHOUT, dochter van Floris, met Reinaert VAN GELDERLAND. Sophie sterft nog vóór haar vader in 1329. Haar oudste dochter, Margriet VAN GELDER, erfde na de dood van haar grootvader de Stad en Heerlijkheid Mechelen. Mathilde VAN GELDER, zuster van Margriet en tweede dochter van Reinaert, erfde het Land van Mechelen. Zij was gehuwd met Jan VAN KLEEF. Aldus werd het Land van Mechelen enkele jaren Land van Kleef genoemd.

Na de dood van Mathilde erfde haar nicht, Joanna VAN GULLIK, het Land van Mechelen of van Kleef. Zij huwde Jan VAN ARKEL. Voortaan wordt het Land nu genoemd: Land of Kwartier van Arkel.

Door gesjacher met het Land van Mechelen onder Mathilde VAN GELDER kleefden er schulden op dit Land. In een poging om die schulden af te lossen, raakte Jan VAN ARKEL in heel wat moeilijkheden en processen verwikkeld, zodat hij, bij akten van 16 en 17 januari en 17 februari 1427, het Land van Mechelen diende af te staan aan één van zijn schuldeisers, Jan II VAN WESEMAEL, heer van Duffel-Voogdij.

Na verdere twisten met de nazaten van Jan VAN ARKEL, de graven VAN EGMOND, werd het Land van Mechelen bij vonnis definitief toegewezen aan Jan II VAN WESEMAEL in 1459. Deze had geen erfgenamen en gaf het aloude Land van Mechelen terug aan zijn leenheer, de soeverein van die tijd: Karel DE STOUTE, Hertog van Bourgondië. Vandaar de naam Hoogheid. Men sprak ook van Duffel onder de Hertog, later van Duffel onder de Keizer of onder de Koning en van Duffel onder de overheer.

De rechteroever bleef onder de landvorsten tot in 1558, wanneer Hendrik VAN MERODE het van de koning afkocht. Hoe Hoogheid, tesamen met Perwijs, tenslotte overging in het huis VAN MERODE-VUELEN hebben we reeds uiteengezet.

Naar Boven

3. De drie Duffels onder één heer.

Willem III VAN MERODE-VUELEN, eerste heer van geheel Duffel, stierf kinderloos en liet zijn rechten over aan Floris, zijn neef. Floris en zijn opvolgers droegen de titel Markies van Deinze.

Onder het bewind van Floris VAN MERODE werd het wonderdadig beeldje van O.-L.Vrouw gevonden. De markies was zeer begaan met de beginnende godsvrucht: hij liet op eigen kosten een houten kapel timmeren, en legde op 4 aug.1639 de eerste steen van een nieuwe kapel. Omtrent het gezag over de kapel heeft hij echter met de geestelijke overheid steeds een heftige strijd gevoerd.

Op zeker tijdstip kocht het beheer van domeinen Duffel-Hoogheid van Floris af en verkocht het in 1638 door aan Hendrik VAN VARICK, die zijn bezittingen naliet aan zijn zoon Nicolaas, beiden Markgraaf van Antwerpen en burggraaf van Brussel. Op 14 december 1643 kocht Floris zijn voormalig bezit terug en verenigde alzo voorgoed de drie Duffelse rechtsgebieden in zijn hand.

Floris kon een echte Duffelaar genoemd worden: hij was waarschijnlijk te Duffel geboren en op Muggenberg verbleef hij gewoonlijk. In 1652 stierf hij en werd begraven in de grafkelder van de familie BAUW, in de St.-Martinuskerk.

Floris stierf kinderloos en liet al zijn goederen na aan zijn neef Willem IV. Ook deze had geen nakomelingen. Zijn nalatenschap gaf aanleiding tot verscheidene processen. Ten langen laatste gingen al de Duffelse goederen uit het uitgestorven huis van Merode-Vuelen, naar een afstammeling van Merode-Westerlo, naar Maximiliaan-Antoon. Diens afstammeling in rechte lijn, Jan Karel Joseph, de zevende markies van Deinze, verkocht in 1773 de drie Duffelse heerlijkheden, met het kasteel Muggenberg, aan Juliaan DE PESTRE, graaf van Turnhout, die het volgende jaar stierf en zijn goederen naliet aan zijn zestienjarige zoon.

De Merodes zagen met leed dat de rechten op Duffel in vreemde handen waren, en Balthazar Philip, halfbroer van de verkoper, wist de Duffelse goederen opnieuw te verwerven.

Balthazar was de achtste en laatste markies van Deinze, en laatste baron van Duffel. De Franse revolutie maakte een einde aan alle heerlijke rechten. De leden uit het huis van Merode bleven evenwel privé groot-eigenaars te Duffel.

Naar Boven

4. Het Wapen van Duffel.

Het eerste wapen van Duffel werd vergund door Koning Leopold I op 26 februari 1857. Het vertoonde alleen het schepenzegel van Duffel-Perwijs, d.i. drie palen van keel (= rood) op een gouden veld met een vrij kwartier van hermelijn met vijf vlokjes. Dit is thans het wapen van St.-Katelijne-Waver.

Dit eerste wapen werd door Koning Albert op 5 oktober 1928 uitgebreid met het zegel van Duffel-Voogdij: drie zilveren lelies op keel, links, in een gedeeld schild. De schilder van de Adelraad beging toen twee vergissingen: 1 ) het vrij kwartier van hermelijn was te groot getekend, het bedroeg de helft van het rechter schild; 2) de lelies waren afgeknot (= zonder voet), en moesten volledig zijn.

Het wapen werd tenslotte in deze zin gewijzigd door Koning Boudewijn op 8 december 1952, en wordt nu als volgt omschreven: 

Het Duffels wapen sinds 1952.Gedeeld, 1) van goud met drie palen van keel met een vrij kwartier van zilver beladen met vijf hermelijnvlokjes schuin kruiselings geplaatst, en 2) van keel met drie lelies van zilver’.

 

Duffel-Hoogheid voerde op zijn schepenzegel: drie palen van keel op goud, zonder hermelijn. Dit had als derde vak in het Duffels wapen moeten prijken. Doch de Commissie Heraldiek oordeelde er anders over.

 

 

Naar Boven