Home

Inhoud

Inhoud A tot Z

A. Duffels Patrimonium

B. Verkeersinfrastructuur

C. Economische Bedrijvigheid

D. Huisvesting

Duffel © 2004 - 2019

C. Economische bedrijvigheid.

A. Verdwenen bedrijven    B. Groot-nijverheid    C. K.M.O.

horizontal rule

A. Nijverheid.

Inleidende beschouwingen.

Op dit ogenblik is onze gemeente een vrij sterk geïndustrialiseerde entiteit. Dit was niet altijd het geval en zelfs de ganse provincie Antwerpen heeft lange tijd haar typisch agrarisch karakter bewaard. Dit in tegenstelling met de Waalse provincies, waar de industrialisatie zeer snel op gang kwam en met Oosten West-Vlaanderen, waar de textielnijverheid reeds geruime tijd voor een zekere graad van industrialisatie zorgde.

Hoe sterk Duffel achterbleef bij de provincie Antwerpen, blijkt uit volgend gegeven: te Duffel werkten in 1910 slechts 16,6 % van de mensen in de industrie, terwijl dat in de ganse provincie Antwerpen al 39,9 % was.

De periode rond de eeuwwisseling vertoont een zeer sterk veranderde wereld. Enkele grote, technische verwezenlijkingen uit de negentiende eeuw vormden hiervoor de grondslag. Voor de industrie was vooral de ontwikkeling van belang van de stoommachine, van de explosie- en verbrandingsmotor en van de elektrische motor. Verder maakt ook de techniek om informatie over te brengen een grote sprong voorwaarts. In 1845 werd reeds een vergunning verleend voor het aanleggen van een telegraaflijn langs de spoorweg Brussel-Mechelen-Antwerpen. Deze lijn werd geopend op 9 september 1846. In 1880 werden in België de eerste telefooncentrales in dienst genomen. De telegraaf en de telefoon zijn zeker zo belangrijk voor de uitbouw van de industrie als hoger genoemde motoren. Zij lieten immers toe om de nodige informatie sneller op de juiste plaats te brengen, waardoor men beter op de eisen van de klanten kon inspelen en de productiemiddelen constanter kon gebruiken (minder stilstand van de machines).

In die periode ontstonden in het Antwerpse vele belangrijke firma's, die ook in onze gemeente personeel rekruteerden en dit nog doen, denken wij maar aan Bell Telephone opgericht in 1882 en aan Gevaert opgericht in 1891. Vele pendelaars vonden ook hun weg naar het Brusselse en het Mechelse.

Door de snelle industrialisatie van de Antwerpse regio werden ook vele kleine steden en gemeenten in deze spiraal meegezogen (o.a. Mechelen, Turnhout, de Rupelstreek). In die periode zocht de industrie naar gemakkelijk bereikbare plaatsen, waar een voldoende potentieel aan goedkope arbeiders voorhanden was. Duffel met zijn sterk agrarisch karakter, met zijn vele onderbetaalde landarbeiders en met zijn uitstekende ligging vormde een ideale inplantingsplaats.

Naar Boven

A. Verdwenen bedrijven.

1. Steenbakkerijen.

De Duffelse ondergrond bevat een zeer dikke kleilaag. Het is de voortzetting van de Rupelklei. Deze laag komt op sommige plaatsen bijna aan de oppervlakte. Daarom draagt een hele streek in Duffel de naam van "potaardenvelden". Tot de l9de eeuw werden de woningen van particulieren meestal opgetrokken rond een houten gebinte; de buiten- en binnenmuren bestonden uit een wissen vlechtwerk met leem bestreken. Witte steen en baksteen gebruikte men toen alleen voor voorname gebouwen, zoals kerken, abdijen, kastelen en herenhuizen... Maar weldra verschenen de steenbakkerijen in onze streken en in snel tempo verving men de lemen huizen door stenen woningen. Het wordt algemeen aanvaard, dat de monniken van de St.-Sernardus-abdij van Hemiksem het steenbakkersbedrijf in de Rupelstreek hebben ingevoerd !

 

Klei wordt industrieel benut voor baksteen, tegels en dakpannen. Zo bevonden zich bij de eeuwwisseling in onze gemeente vier steenbakkerijen. In hun beste activiteitsjaren werkten er 500 arbeiders in de zomer en ongeveer 300 in de winter. Zoals overal elders waren ook hier de lonen laag (2 á 4 Fr per dag) en was vrouwen- en kinderarbeid alom verspreid. Geen van de vier steenbakkerijen overleefde de Eerste Wereldoorlog. Naast dorpse kuiperijen was dit boven alles te wijten aan de grote concurrentie van de firma's uit de Kempen en de Rupelstreek, waar de exploitatie gemakkelijker was. Daarenboven betekende het feit, dat er voor openbare werken alleen Boomse steen gebruikt mocht worden, een ongelijke concurrentie. Ook hebben de uitbaters niet ingespeeld op de nieuwe ontwikkelingen in deze bedrijfstak. Zo zijn er in onze gemeente nooit ring- of Hoffmannovens geïnstalleerd, terwijl er in de Kempen in 1896 reeds tien ovens van dat type werkten.

 

1.1. Steenbakkerij TER ELST.

In 1802 verwierf August HERMANS, de broer van de latere burgemeester Louis HERMANS, de gronden naast en achter het kasteeltje Ter Elst, waarop deze steenbakkerij gevestigd werd*. De Bestendige Deputatie gaf op 27 juni 1873 toelating om op deze 25 ha een steenbakkerij op te richten.

Het was echter in 1879 dat de heer Jan Camille FUNCKE, notaris te Capellen (Groot-Hertogdom -Luxemburg) en zijn compagnon de heer CLUYSKENS, de goederen opkochten en er met steenbakken begonnen. In 1880 lieten ze een tunnel onder de Stationsstraat graven, om de klei uit de put naar de fabriek te voeren.

 

Met het oog op export naar Engeland werden in 1881 vergrotingswerken uitgevoerd. Enkele Duffelaars bewaren nog als historisch souvenir een baksteen of een dakpan, waarin Ter Elst Duffel Belgium is gebakken. De verwachtingen werden echter niet ingelost en het arbeidersbestand viel van 300 eenheden terug op een 40-tal. Dit was niet zo zeer te wijten aan economische verschijnselen, maar vooral aan een rechtszaak tussen de heren FUNCKE en CLUYSKENS enerzijds en de familie HERMANS anderzijds. Zo kwamen de steenbakkerijen in 1882 weer in het bezit van de "N.V Hermans", doch deze hield ze gesloten tot 1888.

Op 15 oktober 1888 werd de N.V Briqueterie de Ter Elst opgericht, die in 1889 reeds 200 arbeiders te werk stelde. Het bedrijf was bijna volledig gericht op uitvoer naar Engeland en floreerde zo, dat men in 1890 een aanvraag deed, om in open lucht steen te bakken. Wat echter niet toegestaan werd.

In 1892 werkten er ruim 300 arbeiders, doch van dan af ging het zeer snel bergaf, vooral na de invoering van de ringovens in de Kempen. In 1899 werd de N.V Briqueterie de Ter Elst in faling gesteld, doch onder de benaming Briqueteries Anversois de Duffel ging zij opnieuw in hetzelfde jaar van start. De inbreng van nieuw kapitaal en het wegvallen van beide plaatselijke concurrenten, zoals wij verder zullen zien, liet toe de firma draaiende te houden tot aan de Eerste Wereldoorlog. Door intensieve bombardementen werden de installaties onherstelbaar beschadigd. De put van wel 50 m diep met alle machines en materiaal erin schoot onder water. De productie werd niet meer hernomen.

De terreinen van de steenbakkerij werden in 1921 verkocht aan de firma BOLLEKENS uit Antwerpen. De kleiput en de belendende gronden tussen Stationsstraat en spoor kwamen in handen van de zusters Norbertienen. Tot 1 juli 1977 werd de kleiput gebruikt als gemeentelijke stortplaats. Zodoende werd de put gedempt en zal de rijke kleilaag van het Duffels "gelaag" waarschijnlijk verder voor altijd onbenut blijven.

* De terreinen werden door de Franse Republiek als zwart goed, d.i. kloosterbezit, aangeslagen en verkocht op 18 mei 1799. Ze behoorden toe aan de abdij van Tongerlo en waren goederen van het Hof van Ter Elst. Louis HERMANS verkreeg de goederen pas op 17 juli 1802, omdat hij niet eerder betaald had.

Naar Boven

1.2. Steenbakkerij BRIQUETTES DES DEUX NETHES.

In de tachtiger jaren van de vorige eeuw kreeg Duffel op Notmeir een tweede steenbakkerij. Deze bezat een uitgebreid gamma van producten: baksteen, dakpannen, geglazuurde pannen in verscheidene kleuren, kantpannen voor spitsmuren en gevels, vorstpannen, spanten, schouwdeksels, enz...

Vanaf het eerste werkingsjaar (1884) liepen de zaken vlot. Haar producten werden gegeerd. In 1885 werden er - zij het op onregelmatige wijze - 300 arbeiders te werk gesteld. Om de reeds hoger vermelde redenen ging het ook hier snel bergaf. Na een tussentijdse stop en de heropstarting in 1886 kwamen er twee middelmatige jaren (1887 en 1888), waarin 200 personen te werk gesteld bleven. Door over te schakelen op de productie van uitsluitend dakpannen kwam het personeelsbestand in 1890 opnieuw op 300. In 1892 ging het dan definitief de verkeerde kant op en de werkhuizen werden in 1894 afgebroken.

 

1.3. Steenbakkerij VERBEECK.

Op 10 mei 1896 richtte de heer Eugeen VERBEECK uit Boom een aanvraag tot de Bestendige Deputatie, om op Notmeir tegenover de Sechsboshoeve een steenbakkerij te mogen oprichten. Dit werd hem op 8 november van hetzelfde jaar toegestaan. In 1900 werd de steenbakkerij overgenomen door de heren HERSENT en zoon uit Antwerpen, die er een N.V voor oprichtten onder de naam Mechanische Steenbakkerijen.

Ze kende een zeer moeilijke start en kwam in feite nooit tot echte bloei. De wegen, waarover de stenen moesten vervoerd worden tot men de kasseiweg Antwerpen-Mechelen-Brussel bereikte, waren toen zo slecht, dat men praktisch altijd drie paarden diende te gebruiken. Terecht zegden de Duffelaars: "Die van het achterste geleeg voeren zich dood." Wat inderdaad ook gebeurde. De kleiput werd daarna nog veel gebruikt als zwemgelegenheid, wat echter sommigen fataal werd!

 

1.4. Steenbakkerijen DE BEUCKELAER EN Cie.

Op 17 juni 1898 verkreeg de heer DE BEUCKELAER de toelating van de Bestendige Deputatie om bij Notmeir een pannen- en steenbakkerij te beginnen, "het voorste gelaag" genoemd. De oudere Duffelaars hebben deze kleiput nog gekend. Hij lag tussen de huidige papierfabriek en Sidal. De papierfabriek heeft de put als reserve-waterput gebruikt. Een lang leven is ook deze steenbakkerij niet beschoren geweest. De papierfabriek, de kopergieterij en de nikkelfabriek kwamen gedeeltelijk op haar terreinen tot stand. Reeds voor 1907 was alle activiteit op de werf stil gevallen.

Naar Boven

2. De Nikkelfabriek.

Op de plaats, waar zich eertijds de steenbakkerij "De Beuckelaer en Cie" bevond, daarna een ijzergieterij en later een kopertrekkerij kwam, en waar nu Sidal staat, vestigde zich in 1906 de firma Usines de Nickel de la Néthe, L. Chavanne et Cie. De Nete was ook hier weer de bepalende transportweg voor de aanvoer van grondstoffen. De ertsen, die de fabriek verwerkte, werden in Nieuw-Caledonië (Oceanië) gedolven en met eigen schepen (3 stoom- en 3 zeilschepen) naar Duffel gebracht. Ze was de enige nikkelfabriek in België. De productie bedroeg 4 tot 5 000 kg per week. Hiervan werden ongeveer 65 000 kg per jaar geleverd aan de Munt in Brussel voor het slaan van onze pasmunt. De overige productie werd voor dezelfde doeleinden geleverd aan Duitsland, Engeland, Rusland en China... Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stelde dit bedrijf ongeveer 500 personen te werk.

Na 1918 werd, omwille van transportmoeilijkheden (een heen- en terugreis vergde 3 maand voor een stoomschip en 9 maand voor een zeilschip) een deel van de fabriek naar Nieuw-Caledonië overgeplaatst. Zo diende in de fabriek te Duffel het metaal nog enkel geraffineerd te worden. In 1939 werden nog 112 personen te werk gesteld. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de aanvoersweg van grondstoffen afgesneden, zodat alle bedrijvigheid ophield.

 

Naar Boven

3. De gebroeders Bollekens.

In 1858 stichtten de gebroeders Eugéne I en Franpois-Jéröme BOLLEKENS in de Jesusstraat te Antwerpen een bedrijf, dat zonneblinden, houten rolluiken en mouluren produceerde.

Tien jaar later vinden we ze terug in de Appelmansstraat en daarna in de Pelikaanstraat, waar ze stoommachines inschakelden voor het vervaardigen van metalen onderdelen voor hun rolluiken.

Tot 1895 bleven de gebroeders vennoten, waarna Frangois-Jérome de uitbating alleen voortzette, geholpen door zijn drie zonen:

- Eugéne II, die de administratie zou verzorgen;

- Isidore, die de leiding nam van de productie, en

- Joseph I, die de verkoop en de contracten met de klanten onderhield.

De drie gebroeders volgden hun vader op in 1905. In 1909 werd het bedrijf uitgebouwd met een vliegtuig- en aanhangwagenafdeling "JERO", genoemd naar hun vader Jéróme. De firma stelde in augustus 1914, 250 personen te werk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog produceerde men in Frankrijk Belgische militaire vliegtuigen, maar plots (1917) liet het Belgisch leger hen vallen. Niemand wist waarom! Na de oorlog keerden de gebroeders naar Antwerpen terug waar ze heel wat onheil aantroffen en ook geen klanten meer vonden. De drie gebroeders verdeelden in 1923 de terreinen en de gebouwen in de Pelikaanstraat:

- Eugéne II betrok samen met zoon Charles het ouderlijk huis. Ze zetten het rolluikenen zonneblindenbedrijf verder.

- Isidore en Joseph II openden een garage. In 1923 vestigde Eugéne II zich tevens in het gunstig gelegen Duffel.

Zijn zoons Henri, Joseph II en Franpois II werkten in zijn bedrijf. Men produceerde industrieel koetswerk en stuurcabines voor zwaar verkeer. Als in 1950 Eugéne II BOLLEKENS overleed, verdeelden de vier broers de twee firma's:

- Henri, Joseph II en Frangois II erfden de fabriek in Duffel,

- terwijl Charles bleef blinden en rolluiken vervaardigen te Antwerpen.

Wegens ongunstige tijdsomstandigheden en de pensioengerechtigde leeftijd van de vennoten, zetten ze in 1972 de carrosserie-afdeling te Duffel stop en werd de vennootschap in december ontbonden. Een tiental personen vielen hierdoor zonder werk. Het rolluikenbedrijf te Antwerpen werkte nog voort. Tewerkstelling: in    1937 - 94

                                                                1949 -138

                                                                1970 - 17

Naar Boven

4. De Gebroeders PUTTENEERS.

In 1931 ontstond aan de Lintsesteenweg de firma van de gebroeders PUTTENEERS. Aanvankelijk vervaardigden ze prachtig gebeeldhouwde artikelen, zoals lusters, staanlampen, handspiegels en juwelendozen, maar wegens de opkomende crisis schakelden ze weldra over op kleinere huishoudelijke en godsdienstige voorwerpen, zoals kruisbeelden, wijwatervaatjes, pijpenrekken en krantenbakken. Op haar hoogtepunt verschafte deze firma werk aan een 40-tal arbeiders en bedienden. De bedrijfsgebouwen werden verkocht aan een ondernemende landbouwerszoon uit Kasterlee, die er het grondontsmettingsbedrijf DE CEUSTER oprichtte.

 

5. RATH en DOODEHEEFVER (nu ERDE-groep).

In 1951 begon de firma RATH en DOODEHEEFVER in de voormalige Tegelfabriek, die haar bedrijvigheden had gestopt in 1948, met het bedrukken van behangselpapier. De grondstof werd aanvankelijk betrokken van de Duffelse papierfabriek, later van Langerbrugge. Op 6 augustus 1951 werd met het drukken gestart.

In de zeventiger jaren stelde dit bedrijf een 100-tal personen te werk.

In 1973 verhuisde de firma naar de derde industriezone te Erembodegem. Door een verschuiving van aandelen werd de fabricatie in 1985 overgebracht naar Genval waar naast behangselpapier ook vinyl en textiel wordt bedrukt.

6. Oliefabriek.

Waar zich nu het domein "de Locht" bevindt, was vroeger een fabriekscomplex. Baron DE FAUCONVAL DE BERNARIA richtte er in 1856 een papierfabriek op. Daarna kwam er een stokerij, een meststoffabriek, een kaarsenfabriek ("den bougie") een oliepletterij en margarinefabriek ("oliekot"). Het ging geen van deze bedrijven voor de wind: er gebeurden zeer veel ongevallen. Daarom richtte mevrouw DE FAUCONVAL in 1856 er een kapelletje op voor Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand.

 

Naar Boven

7. Chocoladefabriek RENAUX.

In 1890 startte de familie Paul RENAUX in de Stationsstraat tegenover de lagere school van de zusters van COVABE een bedrijfje, dat een soort van melkpoeder vervaardigde voor babyvoeding. Het product kreeg de naam farine lactée Renaux. Het recept was uitgedokterd door een schoonbroer drogist, die aanvankelijk ook voor de ingrediënten zorgde. Mit FLORUS was de eerste arbeidster. Er werd lang gewerkt met 6 meisjes en 1 bakker. Tussen 1891 en 1897 behaalde de firma op tentoonstellingen meerdere erediploma's voor hun kwaliteitsproduct. Later produceerde het bedrijf repen chocolade en dekchocolade, grondstof, die bij suikerbakkers diende voor het vervaardigen van pralines, suikergoed en broodsmeersel en bij de bakkers voor het afwerken van koffiekoeken. De pralinemakers Leonidas, Gudrun e.a. waren goede klanten.

Een andere afdeling produceerde uit dekchocolade holgoedchocolade-artikelen voor de Sint-Niklaas- en de Paasperiode. De uitrusting liet toe om meer dan twee miljoen stuks per dag kleurrijk in te pakken en te verzenden. Dit alles geschiedde de laatste jaren volautomatisch. Na Marcel RENAUX leidde Freddy RENAUX, kleinzoon van de stichter, de fabriek tot in 1973.

Daarna werd de firma overgenomen door General Biscuit België (De Beukelaer-Parein Herentals). Het bedrijf werd failliet verklaard op 24 december 1976. Het overkopgaan lag waarschijnlijk aan een samenloop van omstandigheden o.a. het plotse overlijden te Brussel van de bezieler, en de verdediger van de belangen van Renaux in de beheerraad en aan vroeger gesloten contracten met Italië, die verlieslatend werden door een zeer lage dollarstand.

Tewerkstelling:  in 1940        29

                            in 1962     114

                            in 1975     151

 

Naar Boven

B. Groot-nijverheid.

1. Papierfabriek van Duffel.

 

De eerste papierfabriek ontstond te Duffel in 1854. Zij ging enkele jaren later teniet. De thans bestaande kartonfabriek (toen papierfabriek) werd gebouwd van 1905 tot 1907 op de plaats, waar voorheen de steenbakkerij "De Beuckelaer en Cie" stond.

Aan de oorsprong lag de firma G. Morrees en Cie, die te Antwerpen, alleen aan papierverwerking en papierhandel deed. Zij werd gesticht in 1880 en later omgevormd tot de S.A. Papeteries Anversoises G. Morrees et Cie, om ook de papierbereiding te Duffel aan te vatten. Deze maatschappij moest in vereffening gesteld worden en in 1910 ontstond de maatschappij Papeteries Anversoises. Haar kapitaal werd geleidelijk opgevoerd van 2,3 miljoen in 1910 tot 39,75 miljoen in 1930. In december 1932 fusioneerde deze vennootschap met de pas opgerichte Papeteries de Belgique S.A.

Bij haar oprichting telde de fabriek 5 papiermachines. Door de slag aan de Nete in september-oktober 1914 werd grote schade aangericht aan machines en gebouwen, waarvoor de fabriek 5 565 000 Fr schadevergoeding kreeg uitgekeerd.

Tot 1930leverde Duffel hoofdzakelijk dagbladpapier. Duffel en Langerbrugge stonden toen in voor 75 % van de Belgische productie. Daarna zette Langerbrugge deze fabricatie, met één der overgeplaatste machines, alleen verder. De fabriek in Duffel leverde toen hoofdzakelijk behangselpapier, druk-, duplicator- en schrijfpapier, papier voor knippatronen, imitatie perkament (slagerspapier) en grease-proof (boterpapier). De fabricatie vertrok van ruwe papierpate (houtpulp), die per schip, hoofdzakelijk uit Noorwegen en het Memelland (Litouwen) werd ingevoerd. Met 600 werklieden en 65 bedienden bracht men 75 tot 80 ton papier voort per dag.

Maar het bedrijf moest heel wat tegenslagen verwerken.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de productie zeer laag.

In 1949 werd een hypermodern sorteerstation voor oud papier met stofafzuiging geïnstalleerd. Een hevige storm joeg de Nete over de pas verhoogde kaaimuur in 1954 en bracht zware schade toe aan de installaties. In 1958 werd een grootscheepse rnodernisatie aangevat, die leidde tot de fabricatie van 55 000 ton schrijf- en drukpapier en duplexen multiplexkarton per jaar. De afwerking bestond uit het gebruiksklaar maken van papier en karton en omvatte: satineren (extra glad maken van papier), overrollen en op breedte snijden, formaatsnijden, kleuren, triëren en inpakken. Dagelijks verzond men circa 250 ton in binnen- en buitenland.

Het friswater werd tot dan toe uit de Nete gepompt via twee pompstations. Maar vanaf 1959 putte de firma zuiverder water uit één van de bezinkbekkens van de Antwerpse Waterwerken, wat samen met Sidal gebeurde. De toevoerleidingen lopen over de hiervoor speciaal geconstrueerde hangbrug over de Nete. De eerste crisis bracht het aantal werknemers van 625 in 1959 op 393 in 1960, om dan weer langzaam op te klimmen tot 643 in 1967. Met de oliecrisis van 1973 begon voor dit bedrijf opnieuw een sombere tijd. De productie diende in te krimpen en er vielen weldra verscheidene afdankingen: in 1973 stelde men nog 385 personen te werk, in 1978 nog slechts 207!

Men probeerde te redden, wat er te redden viel en schakelde over op uitsluitend kartonproductie (triplex-vouwdozenkarton). Maar door scherpe concurrentie op de West-Europese markt kwam het bedrijf niet meer tot het behalen van positieve resultaten. Dit leidde tot de aanvraag van een participatie van het Vlaamse Gewest en de oprichting van de nieuwe N.V Kartonfabriek van Duffel op 1 december 1981. Zij stelt nu 143 personen te werk. Recentelijk werd een programma voor energierecuperatie met succes afgewerkt, zodat het ganse gebouwencomplex door afvalwarmte van het productieproces verwarmd wordt.

 

Naar Boven

2. N.V Scott Continental.

In 1879 begonnen de gebroeders Irvin en Clarence Scott hun papierhandel in Philadelphia (VS.). Legden ze zich aanvankelijk toe op inpakpapier, dan schakelden ze na 20 jaar over op het fabriceren van toiletpapier. Door de dynamiek van de Scottgeneraties werd Scott Paper Company op korte tijd een wereldfirma. Ze kreeg vaste voet in Canada, Mexico, Columbia, Australië, België, Argentinië, Denemarken, Japan en de Filippijnen. Door samensmelting en aankoop van andere bedrijven werd het productengamma uitgebreid. Naast huishoudelijk papier, zoals toiletpapier, keukenrollen, servetten, zakdoeken, luiers en zelfs papieren jurken... fabriceert Scott Paper Company papieren en plastieken kopjes, fotokopiepapier, materiaal voor het bedrukken van stoffen, fotopapier en films. Wat de productie van huishoudelijk papier betreft, bekleedt Scott de eerste plaats op de wereldmarkt.

Op 2 april 1959 werd het Belgisch filiaal Scott Continental N.V. gesticht, gebaseerd op een gelijk-deel associatie tussen Scott Paper Company en de Belgische firma "Papeteries de Belgiques". (Ondertussen werd de Belgische vennootschap echter volledig overgenomen door Scott Paper Company.) Aanvankelijk hield Scott Continental, zich op zijn circa 3 ha groot terrein, bezig met verwerking en verkoop. In 1965 werd ook gestart met de fabricatie in de vestiging te Duffel. Het grootste deel van de grondstoffen komt uit de Scandinavische landen, Canada, de Verenigde Staten en de Belgische Ardennen. In november 1968 werd de fabriek van Tisselt aangekocht. De afgewerkte producten van Scott Continental te Duffel en te Tisselt vinden hun weg in de Benelux-landen en Frankrijk, maar ook buiten Europa.

 

Naar Boven

3. Transpac.

Gegroeid uit de dienst "Studie & Onderzoek" van de Papierfabrieken van België, gaat TRANSPAC sinds 1962 zijn eigen weg. TRANSPAC-Packaging bezit nog een bedrijf te Halen.

De activiteit van TRANSPAC Duffel bestaat vooral in het bekleden van papier en karton met kunststoffen, nl. polyethyleen (PE) en polyvinylideenchloride (PVDC). Deze bewerking heeft tot doel de mechanische eigenschappen van papier en karton te behouden en er de beschermende kenmerken van de kunststoffen aan toe te voegen, zoals waterdampondoorlaatbaarheid, vet-, water-, gas-, aroma- en lichtdichtheid.

Na de bekleding worden de papieren versneden in vellen of rollen.

De voornaamste sectoren waar deze materialen gebruikt worden, zijn:

- de voedingsnijverheid als verpakkingen voor melk, koekjes, gebak, diepvriesproducten, zout, chocolade, enz.;

- de konstruktiesektor voor het vervaardigen van isolatiemateriaal;

- de papier-, glas- en staalnijverheid als vochtwerend verpakkingsmateriaal;

- de fotografische industrie als vochtwerend en lichtdicht verpakkingsmateriaal.

De productiecapaciteit bedraagt 25 000 ton, waarvan 65 % voor export bestemd is, vooral binnen de E.E.G.

Deze productie wordt gerealiseerd door een 200-tal werknemers. De firma is nog in volle expansie, zoals uit de bouw van de nieuwe hall blijkt.

TRANSPAC bezit ook verscheidene vertegenwoordigingen van andere verpakkingsmaterialen en pronkt met zijn uitgebreid laboratorium, dat zoekt naar nieuwigheden voor deze moderne tak van de papierverwerkende nijverheid.

 

Naar Boven

4. SIDAL N.V.

De ‘Société Industrielle de I’Aluminium S.A.’, kortweg Sidal genoemd, werd gesticht in 1946. De werkelijke aluminiumproductie begon in 1950 met 146 personeelsleden en kende een buitengewone expansie. Op dat ogenblik speelden drie personen een belangrijke rol: Adolf STOCLET, wiens naam vereeuwigd is in de straat, waar Sidal gevestigd is, Lucien FERON en zijn schoonzoon, graaf HUGHES van der STRATEN-PONTHOZ, die zich sinds 1984 de vijfde ereburger van onze gemeente mag noemen.

Een overzicht geven van de aangroei van het machinepark van deze firma is onbegonnen werk. Sidal vervaardigt platen, banden, schijven, profielen, buizen, staven en draad in aluminium en aluminiumlegeringen een jaarproductie van 200 000 ton halffabrikaten en een personeelsbestand meer dan 1800 personen - de afdeling Burcht inbegrepen - behoort dit bedrijf tot één van de drie grootste aluminiumverwerkende bedrijven van Europa. Sidal exporteert naar meer dan 100 landen en dit via een net van 10 filialen, waar 550 personen te werk gesteld zijn. De hoofdaandeelhouder in Sidal is Alumined Beheer BV (100% dochteronderneming van de Nederlandse Hoogovens Groep BV) Ernstige inspanningen werden de laatste twee jaren gedaan om de firma nog meer naar de top te brengen.

In feite bestaat de Sidalnederzetting te Duffel uit drie verschillende afdelingen, nl. de gieterij, de walserij en de extrusie, die vrij los met elkaar verbonden zijn. De eigenlijke productieafdelingen zijn de walserij en de extrusie, terwijl de gieterij enkel een onmisbare hulpdienst is, die o.m. de productieafval van de walserij en extrusie recupereert.

Elke standaardeenheid van de gieterij bestaat uit twee ovens. De smeltoven ontvangt een mengsel van afval, smeltblokken, moederlegeringen en zuivere legeringelementen. Eens gesmolten, wordt het vloeibaar metaal overgegoten in de gietoven, waarin het gezuiverd wordt van gas en oxyden o.a. door er chloorgas in te blazen.

Daarna wordt het gegoten in de geschikte gietvorm, tot wals- of extrusieblokken. De balkvormige walsblokken worden in doorloopovens voorverwarmd tot circa 500 graden C. Het warme blok wordt naar de warmwals gevoérd, waar het tussen twee cilinders geplet wordt. Hiermee wordt doorgegaan tot een lange band van minder dan 20 mm dikte bekomen wordt. Deze band loopt dan naar de tandemwals. In drie stappen walst men de band tot een dikte van zowat 4 mm. Daarna wordt de band opgerold en desgevallend doorgestuurd naar de koudwalserij. De grootste koudwals kan rollen verwerken van 10 ton met een plaatbreedte van 1650 mm. Deze kan de dikte van de plaat herleiden tot 0,2 mm aan een snelheid van 1200 m per minuut! De cilindervormige extrusieblokken worden, na voorverwarming, naar de blokhouder gevoerd. Deze korte dikwandige cilinder drijft met behulp van een pers de extrusieblokken door een stalen matrijs, die de vorm van het gewenst profiel heeft. (tekening)

Zodra het profiel de matrijs verlaten heeft, wordt het met water of een stroom koude lucht afgeschrikt. Na de excursie worden de profielen gerecht en op maat gezaagd. Na een grondige controle verpakt en verzendt men het product.

Sidal is een bedrijf met toekomst: haar grote productiecapaciteit, haar moderne uitrusting, haar ervaring in de Europese Gemeenschap en in de belangrijkste overzeese marktgebieden, haar gunstige ligging (bij de E-10) en haar vooruitstrevende politiek maken het Sidal mogelijk onder gunstige voorwaarden kwaliteitsproducten aan te bieden.

Tewerkstelling in    1950: 146

                                1955:  426

                                1960:  775

                                1965:1450

                                1970:1279

                                1975:1347

                                1980:1426

Naar Boven

C. K.M.O.'s.

(Kleine en Middelgrote Ondernemingen)

1. De orgelbouw.

Wat vele Duffelaars waarschijnlijk niet weten is, dat Duffel internationaal bekend staat, om haar orgelbouwers.

 

1.1. De firma STEVENS.

De firma STEVENS aan de Leopoldstraat wordt als één van de oudste en tegelijkertijd vermaardste orgelbouwers van ons land beschouwd. Toch werd deze firma niet gesticht door iemand, die deze naam droeg.

Orgelbouwer Theodoor SMET VAN THIENEN vestigde zich in 1822 te Duffel in het huis, dat later de pastorie van de parochie van O.-L.Vrouw van Goede Wil zou worden. In 1853 daagde een vennoot op in de persoon van Hendrik VERMEERSCH, afkomstig uit Bassevelde, maar verwant met en opgeleid door het gekende orgelbouwersgeslacht "Loret" uit Dendermonde. Henri VERMEERSCH zette in 1853, bij het overlijden van Theodoor SMET het bedrijf voort. Hij huisde in "'t-Lieve-Vrouwke", een Duffels historisch huis in de Gemeentestraat, dat verdween bij het aanleggen van de G. Van der Lindenlaan.

In 1861 verplaatste VERMEERSCH het wereldberoemde VAN-PETEGHEM-orgel in St.Romboutskathedraal te Mechelen vanuit de zijbeuk naar het nieuwe oksaal. Ook het orgel van de St.-Gummaruskerk te Lier, dat nog gedeeltelijk als koororgel is bewaard gebleven, en de orgels van Diest en Steenokkerzeel waren naast veel andere van zijn hand. Henri VERMEERSCH had twee dochters. De oudste, Emma, huwde met Petrus STEVENS, de bedrijfsleider in vaders bedrijf. Deze verplaatste op het einde van de negentiende eeuw de activiteiten van de orgelmakerij even naar Lier, maar zijn zoon, Jos STEVENS, bracht het bedrijf weer naar Duffel in de Leopoldstraat. Petrus STEVENS overleed in 1892, waarna zijn oudste zoon Jozef zijn studies aan het Klein Seminarie te Hoogstraten afbrak en zijn vader in de zaak opvolgde. Onder de naam van Wed. F STEVENS en zoon werd o.m. het orgel gebouwd voor de paters Minderbroeders te Leuven. In 1895 werd een eerste orgel onder de firmanaam Jos STEVENS afgeleverd en wel in de St.-Fredeganduskerk te Deurne.

Jos STEVENS overleed in 1936 te Duffel en van toen af nam zijn enige dochter Cecile de leiding over. Hierin wordt ze eveneens als haar voorvaderen vakkundig bijgestaan door ervaren meester-orgelbouwers. Pol FIERENS, Flor FIERENS (vader. en zoon) en Pol LOMBAERTS hebben een enorme bijdrage geleverd in het maken van de naam en de faam van de orgels STEVENS. Citeren we enkel de bekendste verwezenlijkingen in de laatste decennia:

- in 1958 het orgel van Civitas Dei op de wereldtentoonstelling te Brussel,

- het nieuwe orgel van de Lierse Gummaruskerk op artistiek advies van meester Flor PEETERS en naar ontwerp van architect Paul VERWILT,

- de orgels in het Paleis van Schone Kunsten te Brussel, van de St.-Martinuskerk en de COVABE-kapel te Duffel.

In 1984 overleed Cecile STEVENS. Gebouwen en firmanaam "Jos STEVENS" werden overgenomen door Ing. Ronnie CASTEELS uit Mechelen, die het werkhuis behield, maar het woonhuis voortverkocht aan de zusters van COVABE.

 

1.2. De firma AERTS-CASTREL.

Louis AERTS en schoonbroer ALBERT CASTREL leerden het vak van orgelbouwer bij de firma Jos STEVENS. In 1961 stichtten ze samen met Henri AERTS, die zich in 1977 vrijwillig terugtrok, de P.V.B.A. AERTS-CASTREL. Deze firma, die zijn werkhuis had in de Oude Liersebaan 115 te Duffel, specialiseerde zich in het onderhoud en herstel van orgels, maar vervaardigde ook verscheidene nieuwe kerkorgels.

In april 1984 werd de P.V.B.A. AERTS-CASTREL overgenomen door de Duffelaar Jef CLEIRBOUT die het werkhuis op bovenvermelde plaats herbouwde. Louis AERTS ging toen met pensioen, terwijl Albert CASTREL in CLEIRBOUTS dienst verder werkt.

Hun voornaamste verwezenlijkingen:

1964: Westmalle Abdij Trappisten (verbouwing)

1966: Kalmthout-heide (herstelling)

1970: Liessies Frankrijk (verbouwing)

1973: Antwerpen-Linkeroever St.-Anna (nieuw)

1982: Aubange (nieuw)

Naar Boven

2. Firma HERMANS.

In de Hermansstraat, genoemd naar de stamvader van deze familie, staat nog steeds de van voor de Eerste Wereldoorlog daterende villa met firmagebouw. Louis HERMANS, die ook een grote inbreng had in de steenbakkerij "Ter Elst", stichtte in 1868 een firma, die zich bezig hield met de productie van metalen weefsels nl. de mouteest voor brouwerijen en stokerijen. De officiële naam luidde: Manufacture de tissu métalliques - Louis HERMANS & J. GOVAERTS á Duffel (werkplaats voor metalen weefsels).

Het bedrijf maakt nog steeds metaalweefsels onder de benaming Ets. Hermans.

3. Aluminiumwerken L. BOEYNAEMS en zonen.

In 1946 startten Louis BOEYNAEMS en zijn oudste zoon Hendrik op de Ganzenkoor een constructiebedrijf voor metalen deuren en ramen.

In 1949 schakelden ze, als eerste in Duffel en ver daarbuiten, over op aluminium. Men klopte daarvoor aan bij het pas opgerichte Sidal. Maar dit bedrijf bezat nog geen deur- en raamprofielen. Men tekende dan maar de metalen profielen af. Langzamerhand bracht de ervaring met het nieuwe materiaal 70 aangepaste, gebrevetteerde deur-, raam- en verandaprofielen.

In 1961 verhuisde de firma naar de nieuwe gebouwen aan de Hermansstraat. Tot de zeventiger jaren kenden aluminiumwerken L. BOEYNAEMS en zonen een gestadige groei en stelden 23 personen te werk. Ondertussen werden de zonen Prosper en Willy ingeschakeld in productie en administratie. Hun eigen anodisatiesysteem bleek een gelukkige vondst en werkte op volle toeren.

De crisis in de bouw deed ook hier het aantal werknemers teruglopen, zodat er nu nog 13 arbeiders hun brood verdienen. Jules GEERTS die hier nog steeds werkt, was hun eerste gast.

Naar Boven

4. REYNAERS N.V.

In 1965 startte Jan REYNAERS in de Oude Liersebaan 185 een aluminiumconstructiebedrijf, dat zich zou toeleggen op het vervaardigen van aluminiumdeuren en ramen volgens een zelf ontwikkeld ontwerp. Het REYNAERS-systeem moest goed, gemakkelijk en goedkoop zijn, wat bereikt werd door het "Classic System", waarin een hoekverbinding werd gebruikt, die een verregaande automatisering toeliet en waar de samensmelting van de profielen zo eenvoudig werd, dat ze geen gespecialiseerde werkkrachten meer vereiste. Een ander specifiek onderdeel vormden de scharnieren, die klikkend of schuivend werden uitgevoerd.

Gezien de eenvoud en de degelijkheid van de bouwmethode kwamen andere constructeurs bij de "Duffelse Aluminium Constructie" aankloppen om haar producten te kopen. Einde jaren zestig werd de vennootschap omgedoopt tot de P.V.B.A. DALCO, dat zou fungeren als pilootbedrijf voor nieuwe realisaties en als opleidingscentrum voor klanten nl. constructeurs met één tot vijf (maximum 10) werknemers.

Voor de ondertussen sterk gestegen verkoop van gebrevetteerde deur- en raamprofielen aan constructeurs werden enkele huizen verder in de Oude Liersebaan 266 de N.V. REYNAERS ALUMINIUM gesticht. Verder kwam in Schijnsel (Nederland) BV SIRAL (voor de verkoop van deuren en ramen) en BV CONSTRUCTIEBEDRIJF ALUMINIUM (voor het vervaardigen van aluminium constructies). Deze laatste firma stopte haar activiteiten in 1982.

Op 20 september 1973 verongelukte Jan REYNAERS en nam zijn echtgenote de leiding van het bedrijf in handen. Samen met een staf vindingrijke medewerkers slaagde ze erin vanaf 1977 de Reynaersprodukten naar de top te voeren. Een eigen ontwikkelde technologie, die de naam kreeg van "Thermo System" (= geïsoleerde profielen) leidde in 1980 tot de oprichting van een eigen productiebedrijf, de N.V. ERAP, gevestigd in de Oude Liersebaan 264.

Ondertussen werd Dietmar LEEMEN directeur.

Begin 1982 kreeg men vaste voet in lerland (80 km van Dublin). Een bestaand, Amerikaans bedrijf werd omgevormd tot WEXAL Ltd. Hier kon men, indien nodig en mits een kleine aanpassing, zelf profielen trekken. Het hele management werd volledig bezet door leren. Wel werd de eigen Duffelse "knowhow" op gebied van kwaliteit, marketing, commercialisering en service overgebracht. Omdat de Wexal-omzet naar het Europese vasteland vertrekt, geschiedt de verkoopscoördinatie in België.

In hetzelfde jaar bezette Martine REYNAERS, Jans dochter, de directeurszetel. Ze kon in september 1983 de verdubbeling in oppervlakte van de bedrijfsgebouwen meevieren. Dit bleek nodig om de stijging van de omzet te kunnen verwerken.

In april 1983 werd in Gladbeck (West-Duitsland) een nieuw bedrijf, GmbH DYNAL gestart.

Het succes van de Reynaersgroep ligt in het feit, dat ze een systeem verkoopt en daarna haar klanten met raad en daad bijstaat (o.a. met computers voor prijsberekeningen, zaag- en constructiemachines).

De Reynaersgroep bestaat nu uit zes K.M.O.'s, waar de familie REYNAERS de meerderheidsparticipatie van in handen heeft.

Tewerkstelling in 1985:     DALCO                  11

                                            ERAP                      10

                                            REYNAERS N.V.   56

Naar Boven

 

5. Van Petronetha tot Purna.

In 1931 startte Jules DEWILDE in de Rietlei de firma Petronetha, die vasiline en oliën (o.a. Nilocolie verdeeld door Jef COLIN) op de markt bracht. Onze voormalige kolonie Kongo (nu Zaïre) was een belangrijk afzetgebied voor hem.

Zijn beide schoonzoons Arthur THIRION, die huwde met Agnes DEWILDE en Ferdinand DE CUYPER, die trouwde met Hilda DEWILDE, bouwden het bedrijf verder uit tot een firma, waar farmaceutische producten vervaardigd werden.

Van een éénmansbedrijf was de firma (ondertussen PURNA geworden) uitgegroeid tot een K. M.O., waar nu 10 tot 20 personen werken.

 

7. Andere K.M.O.'s.

Bedrijf  Plaats Product
DOZENFABRIEK*

"Den Blekken" genoemd

Hermansstraat blikken sierdozen
KURKFABRIEK* Kwakkelenberg stopsels
WOLFABRIEK* Kwakkelenberg laken
TEGELFABRIEK* Hondiuslaan plaveien
BETONWERKEN* Ambachtsstraat betonnen palen en platen
VAN REUSEL G. Mechelsebaan aannemer vloeren enz.
ANDRIES FRANS* Hoogstraat timmerwerk, schrijnwerkerij
ANDRIES ROBERT Euster timmerwerk, schrijnwerkerij
GEBR. SPEELMAN* Kwakkelenberg houten speelgoed
DE HAES CAESAR Kwakkelenberg aanbouwkeukens
SAVITA Hermansstraat veevoeders
DE KROON

(Flor en Stefaan ANDRIES)

Mijlstraat kippenkwekerij
VAN DESSELJ.B.* Wouwendonkstraat houtzagerij
SERULUS Mechelsebaan boomzagerij
GEBR. VERVOORT Binnenweg centrale verwarming
VAN DEN BROEK E. Kruisstraat roomijs

Van bovenstaande firma's vonden we weinig gegevens.

* Deze bedrijven zijn gestopt of overgenomen.

Naar Boven