Home

A tot Z

Inhoud

1. Godsdienst in ...

2. O.-L.-Vrouw ...

3. Klokkengelui

4. Volksfeesten, ...

Duffel © 2004 - 2018

1. De vinding van het ...    2. De houten Kapel    3.De eerste H.-Mis    4. De eerste stenen Kapel    5. De plundering in 1647    6. Vermaardheid en ...    7. Vermindering van de ...    8. Diefstal tijdens ...    9. Godsvrucht tot het ...    10. De Kapel tijdens ...    11. De vergroting v/d Kapel    12. Kapelinterieur    13. De Kapelschat    14. Wonderbare genezingen    15. O.-L.-Vrouw ... vereerd ...    16. Herinneringsfeesten    17. Pastoors                                                                                               

horizontal rule

II. O.-L.-Vrouw van Goede Wil

De geschiedenis van O.-L.-Vrouw van Goede Wil werd zes maal geschreven. Augustinus WICHMANS, pastoor van Tilburg en deken van Hilvarenbeek, eerst hulpabt, en van 1644 af prelaat van Tongerlo, was de eerste, die kort na de vinding. het verhaal van de beginnende godsvrucht te boek stelde.

De tweede geschiedschrijver heette Philippus VAN HOESWINCKEL, pastoor te Duffel (1638-1673). De eerste druk van diens werk verscheen in 1637, de tweede in 1667*. Ondertussen verscheen er ook een werkje van Gerardus VAN HERDEGOM, Norbertijn van Tongerlo (1650). In 1717 werd te Antwerpen bij de weduwe JACOBS een groter, aangevuld werk uitgegeven van de hand van Norbertus MATTENS, penetencier van de Kapel. In 1869 doet L. JANSSENS, pastoor van Walem het verhaal nog eens over in zijn handboek, dat gebruikt werd door de leden van het broederschap van O.-L.-Vrouw van Goede Wil in de Catharinakerk te Mechelen. Tenslotte rolt in 1936 een werk van Evarist DOM van de pers. E.H. DOM was priester-archivaris te Duffel. Hij overspant in zijn boek een periode van driehonderd jaren: van de vinding in 1637 tot het jubelfeest van 1937, dat hij aankondigt.

1. De vinding

Op de plaats. waar nu de parochiekerk van O.-L.-Vrouw van Goede Wil prijkt - ieder noemt ze nog gewoontegetrouw Kapel - werd tegen de avond van vrijdag 14 augustus 1637* het kleinste, doch een van de merkwaardigste Lievevrouwebeelden van ons land gevonden.

Twee knapen van tien jaar, Janneke MAES en Peterke VAN DEN BRANDE. hoedden er de koeien op de graskant tussen de Bruulbeemden en de Lange Nieuwstraat (nu Kapelstraat). Er stond daar slechts een enkele wilg. Het was Janneke. die als eerste het kleine beeldje opmerkte in een uitgesneden holte onder de mik van de eenzame twee-armige knotwilg. Twee gesmede nagels. een oude als uit een wagenwiel, en een nieuwe. hielden het vastgeklemd. Janneke wenkte zijn vriend, en wees hem op zijn uitzonderlijke ontdekking. Dadelijk snelden de jongens naar het dichtstbijzijnde huis, waar Etronilla DYCK woonde, om er hun vondst bekend te maken.

* In 1637 viel 14 augustus wel degelijk op een vrijdag, in tegenspraak met wat E. DOM schrijft.

Daarna haastte Peter zich naar huis (hij woonde schuins over de wilg, later den Engel) en deed het verhaal aan zijn vader nog eens over. Deze was enigszins verbaasd, omdat hij daags voordien uit de wilg nog enige takken had gesneden. zonder iets van het beeldje te hebben gemerkt. Nieuwsgierig spoedde hij zich naar de boom, en was er, samen met anderen, getuige van de wonderlijke vondst.

Het beeldje stelde een Lievevrouwke voor met een scepter in de rechterhand en het Kindeke Jezus op de linkerarm. Het mat slechts 12 cm, voetstuk inbegrepen, en was gebakken van klei, en ruw of weinig kunstig van vorm. De roodbruine potaarde bleek eertijds met lichtblauw overschilderd te zijn over een witgrijze onderlaag.

De dorpsheer, Floris VAN MERODE, die gewoonlijk op kasteel Muggenberg verbleef. en pastoor Johannes SCHALUYNEN, die op Ter Elst woonde - toen dienstdoende pastorie - werden eveneens de eerste avond op de hoogte gebracht. Daar het de volgende dag hoogdag was en de dag nadien zondag, verspreidde het nieuws zich bliksemsnel, niet alleen in Duffel, maar ook in de omliggende dorpen, en velen kwamen een kijkje nemer.

Na een periode van nieuwsgierigheid borrelde er vanuit vele harten spontaan een verkwikkende devotie op. In de plaats van het beeldje achter glas in een houten kapelletje aan de wilg op te hangen - zoals het vroeger de gewoonte was - liet de baron de holte nog wat dieper uithalen, zodat het Lievevrouwke, als in een nis, beschermd bleef tegen de regen. Vervolgens deed hij het met een “gekromd ijzerke” vastzetten. De buren hingen er een lantaarn voor. Weldra kreeg de halte langs de steenweg het uitzicht van een bidplaats voor bedevaarders: sommigen knielden devoot neer in het gras of schaarden zich ingetogen rond de wilg. Na een nederig gebed wierpen velen als afscheid een oortje of negermanneke* in het gras onder de boom. Nelleke DYCK verzamelde deze offers en bewaarde ze zorgvuldig. Floris VAN MERODE gaf ondertussen bevel om een boomstam uit te hollen en met een ijzeren plaat te beslaan. In de grond geplaatst deed deze voorlopig dienst als offerblok. Toen bleek, dat binnen de maand de verzamelde offers opliepen tot de som van 29 gulden - werkelijk veel geld voor die tijd - was dat voor de markies een voldoende bewijs, dat het ernst was de nieuwe devotie. Zijn besluit stond vast: het beeldje mocht niet in regen en wind blijven staan; er moest een Kapel komen!

* Negermanneke: koperen geldstuk van geringe waarde.

Naar Boven

2. De houten Kapel

De markies trok met zijn vrome plannen naar de pastoor, maar hij kreeg ten antwoord “dat het beter was, dat men het beeldje in de parochiekerk van St.-Martinus droeg, anders kon het wel eens zover komen, dat de Kapel de moederkerk teniet zou doen!” Er werd een vergadering belegd met de voornaamste notabelen van het dorp. De dorpsheer stelde voor een houten Kapel op te richten en de kosten te delen. De pastoor voelde daar weinig voor. De markies nam dan maar zelf het heft in handen, en liet volledig op eigen kosten, de Kapel optimmeren door timmerman Antoon VAN BRECHT voor de ronde som van 20 gulden, achteraf verhoogd tot 30.

Eind september gingen de werken van start. De wilgetronk werd afgezaagd. Eén arm van de wilg werd meegenomen naar Muggenberg. Uit dit hout zouden later andere Lievevrouwebeeldjes vervaardigd worden. De andere helft werd als relikwie verdeeld onder de nieuwsgierige aanwezigen. Rond de ingekorte wilg werden de greppels gegraven en de fundering gemetseld, waarop de houten Kapel zou rusten. Het geraamte werd door Jan en Peter AERTS op het kerkhof opgetimmerd, om de devotie van de bedevaarders niet te belemmeren. Het hout werd geleverd door de baron. (Waarschijnlijk herstellingshout voor zijn Zandmolen). Het overige materiaal werd in Mechelen aangekocht: 99 spekplanken, 3700 schalies, 16 vorsten, 2000 Boomse pannen, de nodige plaveien, een deurslot en een kruis voor de nok. Binnenin werd de Kapel door Mayken BAX met een schilderij van O.-L.-Vrouw versierd.

Het kapelletje stond met zijn ingang langs de beemden. Het was groot genoeg om later een altaar te bevatten en om bovendien nog ruimte over te laten, om een deel van de bedevaarders bij regen en ontij te laten schuilen. Wij schatten het op zeven bij acht meter. Het staat afgebeeld op het schilderij, dat de wonderlijke genezing gedenkt van Eduard VAN DER ELST (1639).

Om de talrijke offers veilig te stellen, kocht de baron een ijzeren koffer, die een plaats kreeg op zijn kasteel. Hij noemde zich “schatbewaarder van O.-L.-Vrouw”. De fiere dorpsheer, die meende het recht en de plicht te hebben voor alles te moeten zorgen, benoemde smid LOIJCX en maalder Jan VERHAGEN tot kapelmeesters, Joos VAN MERODE tot toezichter en Jacques VAN TILBORGH tot bewaker. Elk ontvingen ze twee gulden per week, en ieder jaar “laken voor een broek”.

Reeds van september 1637 werd het beeldje aanroepen met de benaming onsse Live Vrou van Goeden Wille. Deze naam is volgens sommigen afgeleid van de willige, waarin het kleinood werd gevonden. Anderen zijn van mening, dat de goedt-willigheyt, waarmee de Moeder Gods haar vereerders begunstigde, aan de basis ligt van de naamgeving.

Knoptekst

3. De eerste H.-Mis en de devotie tot 1639

De devotie nam alsmaar toe. Vooral vanaf Lichtmis 1638 begon het volk massaal, en uit steeds verder afgelegen dorpen, naar Duffel te stromen. Op de feestdag van O.-L.-Vrouw Boodschap (25 maart) was de toeloop zo groot, dat op die ene dag ca. 800 gulden werd geofferd. De bedevaarders vonden geen herbergen meer om te logeren, noch brood om te eten.

Deze bestendige aangroei van pelgrims was voor de pastoor het sein, om de zaak in handen te geven van zijn oversten: de prelaat van Tongerlo, Theodorus VERBRAKEN, en de bisschop van Antwerpen, Gaspar NEMIUS. Prelaat en bisschop geboden “dat men voorts soude gaen in het eeren van het Beeldeken”.

De bisschoppelijke vergunning, om in de Kapel missen te celebreren werd gegeven op 23 maart 1638. Toch werd er reeds op 22 maart een mis opgedragen door paters Jezuïeten, aalmoezeniers van het Spaanse leger, die rond de Kapel kampeerden met troepen, die naar Mechelen trokken. Eerst waren zij zinnens de H.-Mis in open lucht op te dragen. Om uit de wind te staan, deden zij echter de mis in de voorhanden zijnde Kapel. Die had binnen tegen de wilg onder het Lievevrouwke een vooruitstekend beschot, om bloemen en kandelaars op te zetten. Door toevoeging van enige planken, konden zij daar makkelijk een altaartafel van maken, waarop zij hun gewijde altaarsteen legden.

De bisschop duidde Augustinus WICHMANS, de in ballingschap levende pastoor van Tilburg aan, om de eerste officiele H.-Mis op te dragen. Dit geschiedde in het bijzijn van 6000 gelovigen. (Ter vergelijking: Duffel telde toen 1200 inwoners.) De pastoor droeg nog dezelfde dag een tweede mis op.

De volgende maanden werd er - bij gebrek aan priesters - slechts bij tussenpozen mis gelezen. Die toestand kon evenwel niet blijven duren! De aanhoudende tegenwoordigheid van bedevaarders vereiste ook de bestendige aanwezigheid van priesters, om de heilige sakramenten toe te dienen, de erediensten te leiden en de gelovigen behulpzaam te zijn. Op 30 september 1638 overleed pastoor SCHALUYNEN. Hij werd opgevolgd door E.H. VAN HOESWINCKEL. Het eerste werk van de nieuwe pastoor bestond erin om twee biechtvaders (penitenciers) aan te vragen om de Kapel te bedienen. Deze werden toegestaan.

De openbare verpachting van het veer of de overzetdienst over de Nete levert ons een ontegensprekelijk bewijs van de buitengewone volkstoeloop. De verhuring steeg van 100 gulden in 1630, tot 552 gulden in 1638. Deze zou achteraf zelfs stijgen tot 820 gulden in 1639-41.

Wat echter het bedevaartsoord veel schade berokkende, was de voortdurende twist tussen pastoor en dorpsheer omtrent het beheer van de geofferde gelden, de verkoop van devotionalia, de uitgifte van bidprentjes, enz. De markies trok de zaak voor de Raad van Brabant. Deze maande beide partijen herhaaldelijk tot een minnelijke schikking aan, doch tevergeefs. Op 16 december 1642 velde de Raad dan uiteindelijk zijn vonnis en gaf beide partijen het recht devotievoorwerpen te laten vervaardigen en te koop aan te bieden.

Knoptekst

4. De eerste stenen Kapel

Floris VAN MERODE liet niet af zich met de Kapel te bemoeien. Nu dacht hij eraan om een stenen Kapel te bouwen. Het bedehuis zou komen te staan voor een derde op de grond van Jan WELLENS, en voortwee derde op eigendom van Catharina VERPAELT, weduwe van Hendrick VAN HANSWYCK, gewezen schepen van Mechelen. Zij waren de eigenlijke schenkers van de grond. Maar het was de baron, die ten onrechte door de Raad van Brabant als grondeigenaar werd erkend op 12 november 1639. Onder de vorm van schijn van recht werd de aankoop bekrachtigd. De toelating tot bouwen werd door prelaat VERBRAKEN verkregen van de kanselier van de koning.

VAN MERODE ging dadelijk aan de slag. Na Lichtmis 1639 liet hij eerst een huisje in elkaar timmeren, om medailles en prentjes te verkopen. Daarna werd er een biechthuisje opgetrokken, en dan begon hij aan de bouw van de stenen Kapel. Het plan liet hij tekenen door broeder-Jezuiet Willem CORNELISSEN. Aannemer Jan DES MOULINS uit Antwerpen zou het werk voor 29.900 gulden klaren. De funderingen werden gegraven, en op 4 augustus 1639 legde de baron de eerste steen voorzien van zijn wapenschild (een kruis met kroon) in het midden van de funderingsmuur langs de huidige Kapelstraatkant.

Dit gebeurde zonder toestemming van de kerkelijke instanties. Bij het vernemen van de eerstesteenlegging verbood de bisschop van Antwerpen aanvankelijk de verdere bouw, maar trok die beslissing later weer in op voorwaarde, dat de rechten van de prelaat gevrijwaard werden.

De pastoor en de prelaat namen hiermee echter geen vrede. In het bezit van de brieven van executorien* uit Brussel lieten ze, spijts de bisschoppelijke vergunning de werken stilleggen op 17 augustus 1639. De zaak kwam voor de Raad van Brabant. In het jaar 1640 besliste de Raad dat de verdere bouw zou geschieden met algemeen overleg van beide partijen, en liet de praktische regeling aan de bisschop over. Op 29 maart 1640 schonk de geestelijke overheid de vergunning om het werk voort te zetten. doch met enige wijzigingen: een portaal en een torentje werden toegevoegd. Doordat de fundering door de baron reeds eerder was gelegd, werden de afmetingen 19,3i m bij 15,95 m behouden. De prelaat en de pastoor gaven aan de reeds bestaande aanbesteding hun goedkeuring. Voor de bijkomende werken werd de som van 3 912 gulden overeengekomen. Zo kon op 1 juni 1640 de Kapel verder opgetrokken worden in Vlaamse barokstijl. Gaspar SMITS, deken van Lier, legde een tweede eerste steen op 11 november 1640. De houten Kapel werd ondertussen aan koster Jan CROOCK voor 25 gulden verkocht.

Nog hetzelfde jaar was de ruwbouw klaar. In het dak werden 36 door de baron geleverde, eiken balken verwerkt. Aan het altaar werd de laatste hand gelegd op 28 juni 1641. Twee dagen later werd het beeldje uit de wilg genomen, drie maal rond de nieuwe Kapel gedragen en op het altaar geplaatst in een kapelletje gesneden uit het hout van de wilg. De Kapel werd gekeurd op 9 juli 1641, en goed bevonden.

Van het aanbestedingsbedrag 33 812 gulden, werden 640 gulden afgetrokken voor niet uitgevoerde werken, zodat er uiteindelijk 33172 gulden overbleef. Hoe dit bedrag werd betaald? Vooreerst waren er de talrijke offers. Daarbuiten had men nog de verkoop van kaarsen, vaantjes, prentjes, medailles, paternosters, gouden, zilveren en wassen exvoto’s, en zo meer, alsook de opbrengst van openbare veilingen, waarop geofferde levensmiddelen, gevogelte, eieren, granen en vlas verkocht werden. De nog ontbrekende 8 000 gulden werden voorgeschoten door de prelaat en de dorpsheer. Deze schuld werd spoedig uit de offergelden terugbetaald.

De uiteindelijke kostprijs van de Kapel bedroeg om en bij de 40.000 gulden, want allerlei extra-werk en aankopen dienden achteraf nog betaald te worden. Zo werd in 1642, 84 gulden betaald voor een klok, in 1646 werden de beide zijaltaren gemetseld, en in 1647 werd een orgel geplaatst voor 157 gulden.

De Kapelwijding vond plaats op 21 november 1646 door bisschop Gaspar NEMIUS, bijgestaan door de ondertussen tot abt verkozen WICHMANS.

Achter de Kapel werd in 1649-50 het eerste stenen Kapel- of washuis gebouwd, ter vervanging van het houten waswinkeltje. Marijken VAN EGHEM werd als eerste was(verkoop)vrouw aangesteld met een jaarwedde van 100 gulden. Bij octrooi van 1 september 1657 schonk koning PHILIPS IV het alleenrecht op de kaarsenverkoop aan de Kapel.

* Executoor: volgens rechterlijk vonnis uitvoerbaar.

Knoptekst

5. Plundering in 1647

In 1647 waren vredesonderhandelingen aan de gang tussen de zuidelijke (katholieke) en de noordelijke (protestantse) Nederlanden, die een jaar later zouden uitmonden in de vrede van Munster. De bedevaarders kwamen dan ook in grote getale naar Duffel afgezakt. Zo kwamen er op de feestdag van Mariageboorte in 1644 niet minder dan 4 000 pelgrims via de Netedijk uit Mechelen de gunsten van het inmiddels mirakuleuze beeldje afsmeken. Doch niet enkel op de Lievevrouwedagen, maar op alle dagen van het jaar, van ‘s morgens tot ‘s avonds, ‘s winters en ‘s zomers, was er drukte en beweging van pelgrims vanuit alle dorpen in Vlaanderen en Nederland. De kosters, de juffrouwen uit het washuis, de kapelmeesters en de penitenciers hadden dan ook hun handen meer dan vol.

In deze dagen van bloei en vermaardheid werd de Kapel echter een eerste maal met de ondergang bedreigd. Op O.-L.-Vrouw Hemelvaart 1647 kwam een bende protestants krijgsvolk, ruiters en soldeniers te voet, samen tweehonderd man sterk, tussen 9 en 10 uur in de voormiddag, naar Duffel afgezakt onder leiding van Luitenant SPAEN. Zij overrompelden huilend en tierend het heiligdom, waarin de gelovigen samen knielden voor de Gedurige Aanbidding.

Aan de hand van getuigenissen komen wij tot volgend relaas: “Een woeste soldaat stormde de Kapel binnen en baande zich met behulp van zijn vuurwapen een weg doorheen de opgeschrikte menigte. Ondertussen riep hij, dat iedereen de Kapel moest verlaten, en dat de geestelijken zich gevangen moesten melden. Hij werd gevolgd door twee drieste krijgslui met getrokken zwaard. Daarna kwam een ruiter binnengereden, die met zijn pistool in het wilde weg schoot. Een kogel ging doorheen het manteltje van het beeldje. In het spoor van de ruiter volgden verscheidene soldaten. Zij drongen door tot aan de communiebank, en ontnamen Laurentius VOS, die de communie uitdeelde, de ciborie. Het zilveren deksel werd meegenomen, terwijl de kelk en de hosties werden vertrappeld. De drie geestelijken vluchtten naar de sacristie. Ondertussen was Johannes VAN MOCKENBORCH uitzijn biechtstoel gekomen, en, rende naar het altaar om de monstrans te redden. Dit werd hem door de soldaten belet en in de schermutselingen die daarop volgden, brak de monstrans in stukken. Ook zilveren kandelaars werden gestolen. De soldeniers doorzochten de Kapel, en namen alles mee wat bruikbaar of verkoopbaar was, zelfs lijnwaad en burgerkleren uit het kosterkamertje links boven het oksaal. De luitenant had inmiddels het bevel gegeven de Kapel in brand te schieten. De afgevuurde kogels verwondden drie pelgrims. Daar het in brand schieten niet lukte, werd stro aangehaald uit een nabijstaand wafelkraam, doch het bevel tof het ontsteken ervan werd niet gegeven. Priesters en gelovigen werden meedogenloos, onder doodsbedreigingen, voortgestuwd, maar... verder weer vrijgelaten.”

Hoe zo’n verrassingsaanval, zonder de minste tegenstand, mogelijk was?

De reden is vrij eenvoudig. Zoals gezegd waren er vredesonderhandelingen aan de gang, en Duffel en de omliggende gemeenten hadden vrijbrieven van de Staten van Holland gekregen. De overval was hier een inbreuk op. Na de Vrede van Münster (1648) trok pastoor VAN HOESWINCKEL dan ook naar Den Haag om schadevergoeding te eisen. Daar is waarschijnlijk niet veel van terecht gekomen, aangezien de St.-Martinuskerk achteraf de geleden schade voor haar verbrijzeld zilverwerk, geleend voor de Gedurige Aanbidding, door de Kapel deed vergoeden voor een bedrag van 173 gulden.

Knoptekst

6. Vermaardheid en devotie tot 1669

De mare van deze heiligschennis verspreidde zich overal en het gevolg was een verdubbeling van toeloop. Van toen af kwamen er regelmatig processies! Daags na de plundering droeg prelaat WICHMANS, in tegenwoordigheid van processiegangers uit Tongerlo en Westerlo, een plechtige H.-Mis op tot eerherstel.

De volgende dagen meldden Lier, Diest, Mechelen, Antwerpen zich aan, alsook processies uit de Kempen en uit de beide Vlaanderen. Maar ook bedevaarders uit de meierij ‘s-Hertogenbosch en de baronie van Breda kwamen “de Heilige Maget van Duffel” vereren. Het gezegde deed de ronde, dat “O.L.V. van Duffel hun niets en weygerde”.

Met O.-L.-Vrouw Geboorte 1647 droeg Gastificale mis op tot eerherstel. De Antwerpse kerkvoogd, de aartsbisschop van Mechelen, en de toenmalige pauselijke gezant te Brussel schreven lofbrieven over ons heiligdom, en alle drie wezen zij op de dagelijkse volkstoeloop, op de vele wonderbare genezingen en mirakelen. Volgens hen was de Kapel “alle soorten van gunsten, gratiën ende privilegiën” waardig. SANDERUS vermeldt deze bisschoppelijke brieven en noemt ons heiligdom: “... de capelle uytschynende door glorie der mirakelen... open winckel der weldaden van de Alderheijligste Maget Maria, en binnen Brabant den voornaemsten toevlucht der ellendige...”

Knoptekst

7. Vermindering van de volkstoeloop

Ondanks de wijde vermaardheid van ons bedevaartsoord brak nadien een periode van verval aan. Wij noemen slechts enkele van de vele redenen. Vooreerst waren er de invallen van de krijgsbenden van LODEWIJK XIV (1667-1713), zodat het genadebeeld herhaaldelijk in veiligheid moest worden gebracht. Het banditisme was zo groot, dat men langs de openbare wegen de bossen en het struikgewas diende te kappen, om ze niet in roversnesten te zien veranderen. In deze hachelijke tijden durfden, noch konden de pelgrims vanuit den vreemde naar Duffel komen. Voeg daarbij de pest en andere besmettelijke ziekten, die in 1665-66 in Duffel allerhevigst woedden. In 1669 mocht hier zelfs niemand binnen zonder gezondheidsbrieven!

8. Diefstal van het beeldje

Op 25 maart 1683, O.-L.-Vrouw Boodschap, was er veel volk. Cornelis AERTSENS, de baas van herberg de Sonne, had zelfs zeven mannen aangesproken, om de talrijke pelgrimskarren, die links en rechts in lange rijen stonden opgesteld, te bewaken. Daar bleek, achteraf gezien, alle reden toe, want die dag hadden de dieven hun plan beraamd, en de nacht daarop ten,uitvoer gebracht.

Onvoldoende bewaking van de Kapel bood de rovers een gunstige gelegenheid. Vroeger sliepen de kosters immers op het kosterkamerke, links boven het oksaal. Maar die gewoonte had men sinds enige tijd nagelaten.

Merten CROES (vader) en de Rosse brachten de inbraak ten uitvoer. Een poortje bij de pomp van het washuis diende als ladder om het linker zijvenster naast de ingang te bereiken, en een stuk eiken hout uit een nabijgelegen uitgebrand pand deed dienst als breekijzer. Lieven CROES (zoon) nam het zilverwerk door het venster aan, en drie anderen, Cornelis DE NEEFT (Wannelapper), Jan SAUSBECQ (Pinneke of Steckmaker) en Passchier MEERT, hielden de wacht.

Na de roof hield het zestal zich nog enige tijd schuil achter de muren van de afgebrande woonst, om dan in twee groepen, langs Walem om, in een bos te Kontich samen te komen. Daar rukten ze het zilver van de krans rond het Mariabeeldje af.

Merten CROES, die wroeging kreeg, wikkelde het beeldje in een zakdoek, en plaatste het in een eiken heester. Vier dieven trokken verder, naar Bergen-op-Zoom, waar de buit voor 900 gulden bij een juwelier werd verkocht.

Drie weken later, op 15 april, vond Jan ASSELBERGS, een landbouwer, het beeldje terug. Het bericht van de vondst werd in Duffel op klokgelui onthaald. Het beeldje werd door pastoor VAN LANTSCHOT te Kontich afgehaald, en processiegewijs terug naar Duffel gedragen. Van dan af noemt men het bos te Kontich “Kapellekensbos”. Op 1 mei 1683 droeg de bisschop zelf, als dankbetuiging, een pontificale mis op.

De dieven liepen zeven maanden op vrije voeten. Vijf van de zes werden uiteindelijk gevat. Alleen de Rosse werd nooit gevonden. Lieven CROES, Passchier MEERT en Jan SAUSBECO werden veroordeeld tot radbraken. Merten CROES en Cornelis DE NEEFT liepen zware gevangenisstraffen op.

De veroordeelden kwamen op vrijdag 18 december 1683 vanuit Brussel in Duffel toe. De volgende dag werd het vonnis afgekondigd en meier VAN BOSSTRAETEN ging de foltertuigen in Mechelen halen. ‘s Zondags arriveerde kapitein AGRAS met een peloton van twintig soldaten. Allen namen hun intrek in Den engel. De beul en zijn assistent troffen de voorbereidselen tot voltrekking van het vonnis dat plaatsvond op het galgeveld nabij de Goorbosbeek, palende aan het Kievitveld langs de baan naar Mechelen (ter hoogte van de huidige spoorlijn). Op 21 december 1683 werden de drie boeven geradbraakt. De Kapel betaalde de daaraan verbonden kosten, alsook de erelonen van advokaat DE STUCHER en kapitein AGRAS, samen 393 gulden.

Knoptekst

9. Godsvrucht tot het einde van de achttiende eeuw

De geschiedschrijvers hangen de zwartste taferelen op over de periode die nu aanbreekt: de erfenisoorlog (1701-1713). Twaalf jaar lang waren wij de speelbal tussen Frankrijk enerzijds en Holland, Engeland en Oostenrijk anderzijds. Duizenden gulden krijgsbelasting dienden betaald, zowel aan de Staten van Holland als aan de Kroon van Frankrijk, zodat Duffel keer op keer gedwongen werd leningen aan te gaan. Grote armoede en hongersnood waren het gevolg. De voedselschaarste was zo groot, dat er zelfs mensenvlees gegeten werd.

Nadat reeds in 1697 het zilverwerk en lijnwaad van de Kapel was overgebracht naar het refuge van Tongerlo te Mechelen. werd in 1706, bij de overtocht van het leger van MARLBOROUGH, het genadebeeldje zelf in veiligheid gebracht.

Om later de echtheid ervan te kunnen vaststellen, werden op de voet van het beeldje drie stempels aangebracht. Als getuigen waren daarbij aanwezig: pastoor DE LA BASTITA, drossaard GILLEBERT, Jacobus HERCKMANS en Hilarius Guilliemus COTTAER.

Waar en hoelang het Mariabeeldje verborgen is geweest, weten wij niet, maar dat de wegneming ongunstige gevolgen had voor de volkstoeloop en de devotie hoeft geen betoog.

Nadat onze gewesten bij Oostenrijk ingelijfd waren (Vrede van Utrecht 1713), werd het beeldje teruggeplaatst en kwamen talloze bedevaarders O.-L.-Vrouw bedanken voor het einde van de oorlog. Er werden zelfs pelgrims uit Engeland gesignaleerd. Velen liepen blootsvoets rond de Kapel, anderen kropen op de knieën. Er werd mis gelezen om 7, 9 en om 11 uur. Degenen, die geluk hadden, vonden binnen in de Kapel een plaatsje; de anderen dienden maar te volgen van op het Kapelplein door de openstaande portaaldeuren.

Bloeide de devotie weer op, dan bleven de offers aan de lage kant, zodanig zelfs dat de pastoor in 1719 verplicht was weddevermindering voor de Kapelbedienden aan te vragen bij de prelaat en de markies. Hierdoor werd de jaarwedde van de koster gehalveerd, en viel terug op 60 gulden. De wasverkoopster kreeg nog 130 gulden. De markies wilde nog meer bezuinigen en stelde voor het aantal penitenciers van drie op twee terug te brengen. Dat ging echter niet door!

Dat sommige mensen profijt trachtten te halen uit de heroplevende devotie bewijst volgend voorval. In 1722 sloeg de eigenaar van De Wildeman - naaste gebuur van de Kapel en verkoper van benodigdheden voor pelgrims - een raam en een winkeldeur in de gevel langs de kapelkant. Een jaar later bouwde hij achter zijn huis twee handelshuizen, allebei met uitgang langs het Kapelplein. Dat was hem echter niet toegestaan “daar hij geen voet erve had buiten de linie van zijn huis”. Een proces werd ingespannen. Het winkelvenster mocht blijven, maar de deur moest dichtgemetseld worden. De twee huizen mochten ook blijven staan, indien ze niet langer “een beletsel van devotie” zouden zijn. MATTENS maakt één van die beletsels bekend: “... In één dier huijsinge woonende eenen glaese-maker worden de stucken van gelaesen gestrooijt en van de kinderen geworpen gevonden langs de heele plaetse van de capelle en self daer seer dickwils de menschen hunne devotie plegen, gaende met bloote voeten en kruijpende op hunne bloote knien; waer door licht soude gebeuren dat sij hun souden vermincken ende d’ongesontheijdt haelen op de plaetse, daer sij om hunne gesontheijt comen bidden ...”

In 1750 was er terug sprake van een concursus extraordinarius (= buitengewone toeloop), en ook gans de tweede helft van de achttiende eeuw is het Duffels pelgrimsoord ontegensprekelijk vermaard gebleven.

 

Knoptekst

 

10. De Kapel tijdens de Franse overheersing en het Hollands bewind

Na de slag bij Fleurus (26 juni 1794) kwamen wij onder Franse heerschappij. De kerkvervolging nam een aanvang, kloosters werden afgeschaft, de abdij van Tongerlo gesloten. De Kapel werd vermoedelijk gesloten op dezelfde dag als de St.-Martinuskerk: 27 of 29 oktober 1797. De waardevolle inboedel van de Kapel was echter tevoren door de Kapelbedienaars in veiligheid gebracht: het zilverwerk in een ton op een schip op de Nete, en de mooiste gewaden in de kelder van de herberg De drie Molekens.

Het Lievevrouwbeeldje zelf werd in die periode gered door brouwerszoon Johannes, Franciscus SEGERS. Hij verborg het op de Berkhoeve aan de Hoogstraat bij pachter VAN DIJCK. De bezetter kwam dit echter te weten, en hield huiszoeking. Alhoewel de sansculotten alles doorzochten, en de stromijt, waarin SEGERS zich met het beeldje had verstopt, met lansen doorstaken, moesten zij onverrichter zake terugkeren. Na hun vertrek kwam SEGERS geheel vergrijsd van de doorstane angst, maar ongedeerd uit zijn schuilplaats te voorschijn.

Na dit voorval werd het beeldje verder bewaard in een houten, nog bestaand doosje, geplaatst op de richel van een stalvenstertje van voornoemde hoeve.

De verkoop van de Kapel en het Kapelhuis. In 1798 werden de Kapel en het Kapelhuis als zwart goed verkocht. Voor de openbare verkoop van de Kapel waren drie zitdagen nodig. Er waren immers maar weinig geïnteresseerden. Het was uiteindelijk citoyen GOBIERT, uit Mechelen, die op 29 december 1798 voor 23 000 fr. eigenaar werd van de Kapel. Hij verklaarde echter twee dagen later uit naam en op last van Pierre-Franpois VAN NOTEN gekocht te hebben. VAN NOTEN betaalde de koopsom voor twee derde in assignaten.

De verkoop van het Kapelhuis (in 1774 gebouwd in vervanging van het oude washuis) verliep vlotter. Reeds op de tweede zitdag kocht Antoon-Joseph CARRE, uit naam van dezelfde VAN NOTEN, het Kapelhuis voor 12 500 livres*.

* De Franse livre heeft naqenoeg de waarde van een frank.

VAN NOTEN was oud-drossaard van de drie Duffelse schepenbanken, agent municipal en notaris van Duffel.

Vijf jaar bleef de Kapel gesloten, zolang ze in zijn bezit was.

De heropening. Een zieke notaris VAN NOTEN verkocht op 3 oktober 1803 de Kapel en het Kapelhuis aan Laurentius SEGERS, brouwer te Duffel, voor 4 988,65 fr. Onmiddellijk na de verkoop - de verandering van eigenaar gaf er de gelagenheid toe - dienden pastoor Cornelius-Franciscus VAN LOOY en twee penitenciers, samen met maire DE BASSERODE, een verzoekschrift tot heropening van de Kapel in bij Mgr. DE ROQUELAURE, aartsbisschop van Mechelen. Dit werd toegestaan, en nog dezelfde maand zwaaiden de portaaldeuren wijd open, en nam het wonderdadig beeldje van O.-L.-Vrouw terug zijn vertrouwde plaats in.

De terugkoop van de Kapel. Negentien jaar lang bleef de Kapel eigendom van brouwer SEGERS. Daardoor ontstonden nieuwe moeilijkheden. Het wettelijk bestaan van kapellen en bidplaatsen, afhankelijk van parochiekerken, werd geregeld bij Keizerlijk decreet van 30 september 1807. Deze wettelijke erkenning werd herhaaldelijk aangevraagd, maar omdat de Kapel bezit was van een particulier, en niet aan de parochie toebehoorde, werd hieraan nooit gunstig gevolg gegeven.

SEGERS was echter, spijts herhaald aandringen van de pastoor, niet bereid het heiligdom af te staan. Hij wenste de volle koopsom terugbetaald te zien.

Ook onder Hollands bewind bleef de zaak sluimeren. In 1822 zette het Hollands bestuur de duimschroeven aan en dreigde de Kapel te sluiten, indien er geen verandering kwam in de situatie. Uiteindelijk werd SEGERS op 18 juni 1822 volledig vergoed, zodat de Kapel na vierentwintig jaar terug eigendom werd van de parochie. In deze terugkoop was ook het Kapelhuis begrepen.

 

Knoptekst

 

11. Vergroting van de Kapel

Alhoewel er reeds lang sprake was, om de vierkante Kapel te vergroten. zouden de werken pas aanvangen op 22 augustus 1939. Zij werden uitgevoerd door aannemer Florent D'HULST uit Lier, die begon met de afbraak van het arduinen achterportaal. Viermaal dienden de werken stopgezet. wegens oorlogstroebelen of bij gebrek aan materialen. Op 1 december 1942 was de vergroting uiteindelijk toch een feit.

In mei 1943 plaatste de firma STEVENS een nieuw orgel. dat op 6 juni door de deken van Lier werd gewijd.

Op 24 juli 1948 werd de Kapel een parochiekerk. Kapelaan Victor DE SCHUTTER werd op zondag 26 september om 15 uur plechtig aangesteld als eerste pastoor van de Kerk van O.-L.-Vrouw van Goede Wil. Elkeen is echter van dé Kapel blijven spreken.

Uit dankbaarheid schonk glazenier Jan WOUTERS in 1952 het prachtige brandglasraam, achteraan in de Kapel. (WOUTERS is Duffelaar van geboorte, nu wonend en werkend in Hove.) Het glasraam stelt O.-L.-Vrouw voor in haar Spaanse mantel. Op de achtergrond merken we een wilgenoom, de houten en de stenen Kapel, links de wapenschilden van PIUS XII, Kardinaal VAN ROEY en van de abdij van Tongerlo, en rechts de wapens van Voogdij, Perwijs en Hoogheid. Onderaan staat het huidige schild van Duffel, en een aantal krukken.

In 1955 werden de houten draagbalken vervangen door betonnen.

Van oktober tot november 1983 werden bronzen, zilveren en gouden gedenkpenningengeslagen. De penningen waren ontworpen door Luc DE RIJCK uit Bornem, en geslagen door de firma VAN RANST uit Schoten. De uitgifte van deze penning gebeurde in het kader van de tentoonstelling “Schattten van de Kapel”, die werd gehouden in het Wilgenhof. De initiatiefnemers, K.W.B.-Oost en Mijlstraat, Kregen op vier dagen meer dan drieduizend bezoekers over de vloer. Dank zij dit geslaagd initiatief kon een brandvrije ruimte in de Kapel worden ingericht. Daarin worden nu schilderijtjes*, Kazuifels, antependia* en processiebanieren bewaard.

Van 1985 tot 1987 liet pastor RENS onderhouds- en schilderwerken uitvoeren, zodat de Kapel - sinds 1936 om zijn architectonische en kunstwaarde geklasseerd - er weer enig mooi bij staat.

* Met de opbrengst van de penningen en de tentoonstelling werden alle kleine schilderijen en de goudlederen antependia opgefrist en gerestaureerd.

Ook het Kapelarchief, dat zoek was geraakt, werd teruggevonden. Het succes van de tentoonstelling “Schatten van de Kapel” in 1983 werd tevens het enthousiaste vertreksein voor de viering van 1987 !

 

Knoptekst

 

12. Kapelinterieur

Hoofdaltaar. Het voornaamste sieraad van de Kapel is het hoofdaltaar, een schenking van prelaat Augustinus WICHMANS. Zijn wapenschild in albast prijkt aan de linkerpilaar, terwijl het rechter schild verwijst naar de abdij van Tongerlo. Het altaar werd in 1653-54 vervaardigd door Huybrecht (vader) en Norbertus (zoon) VAN DEN EIJNDE uit Antwerpen. (De beeldhouwers werkten ook voor RUBENS en voor aartshertogin ISABELLA). Het altaar in barokstijl reikt tot aan het gewelf. Boven de onderbouw, een inlegwerk van veelkleurig marmer, pronken gedraaide zuilen, twee aan twee, in gitzwart marmer. Boven de kroonlijst rusten twee grote engelen naast het zittende beeld van God de Vader in een nis met engelenkoppen omgeven. Dit beeld, de engelen en bijgaande verfraaiingsmotieven, alsook de engeltjes bovenaan die de tiara aanreiken, zijn alle in albast, en werden wit overschilderd.

In de onderbouw is het tabernakel verwerkt als een verkleinde kopie van het ganse altaar. Twee groene marmeren zuiltjes dragen de miniatuur kroonlijst, waarop twee geschilderde houten engeltjes een rustplaats gevonden hebben vóór de met zilver belegde Mariatroon in Lodewijk XVe stijl. Deze troon werd in 1767 vervaardigd door J. VAN CAMPENHOUDT, edelsmid te Mechelen, en een jaar nadien reeds vergroot. De koperen (vroeger zilveren) tabernakeldeuren, gevat in een lijst van schildpad, sluiten een driedelige ruimte af, met draaiend plateau.

De aandachtige toeschouwer merkt dat de zwart marmeren plint met witte aderen op twee plaatsen gebroken is. Deze schade komt voort van een inbraak in 1942. Langs daar werd toen het tabernakel leeggeroofd.

De altaartombe in wit marmer werd pas geplaatst in juni 1854 door beeldhouwer J.J.ROUSSEAUX uit Antwerpen. De altaartrappen werden vernieuwd in 1840 bij het herplaveien van de Kapel.

Het schilderij van het hoofdaltaar - op zwaar doek - is het werk van Thomas WILLEBOIRTS. Het was zijn laatste schilderij. Thomas WILLEBOIRTS of BOSSCHAERT, geboren te Bergen-op-Zoom in 1613 of 1614 en overleden te Antwerpen op 23 januari 1654, was een leerling van Geeraard ZEGERS. Hij werkte geregeld in dienst van RUBENS, wiens invloed hij ten volle onderging. Tevens kopieerde hij uiterst knap sommige werken van Antoon VAN DIJCK. Andere tijdgenoten waren Cornelis SCHUT, Jan FYT en Daniel SEGHERS.

Indien het waar is dat WILLEBOIRTS’ laatste schilderijen de beste zijn, dan is voorzeker de Maria-Hemelvaart van Duffel (3,40 x 2,30 m) van het mooiste dat hij vervaardigde. O.-L.Vrouw, in haar wit-zijden kleed en blauwe mantel, wordt ten hemel opgenomen, omstuwd door negentien engeltjes die allerlei attributen aanbrengen: de zon, een ster, een glazen wereldbol, een scepter, een palmtak en bloemen... In de linker benedenhoek staren tien mannen en drie vrouwen het gebeuren na, terwijl in de stad Efeze (of Jeruzalem?) de avond valt.

In 1910 werd het schilderij gerestaureerd door A. VAN POECK uit Lier. In 1985 kreeg het wederom een grondige beurt. Het doek werd ontdaan van zijn kader, met was op een kunststoffen paneel gekleefd, en opgefrist. Deze restauratie werd uitgevoerd door Pierre SCHENCK uit Deurne.

Zijaltaren. De schilderijen boven de gemetselde zijaltaren werden aangebracht in 1681. Het achthoekige schilderij van het rechter zijaltaar (2,60 x 1,94 m) stelt het mystiek huwelijk voor van de H.-Herman-Joseph* met O.-L.-Vrouw. (Voor dit altaar deden de moeders vroeger hun kerkgang, waarbij zij hun boreling onder de hoede van Maria stelden.)

Het ovale schilderij van het linker zijaltaar (2,75 x 2,12 m) verbeeldt de H.-Norbertus die een schapulier en de regels van zijn nieuw gestichte orde ontvangt uit de handen van St.-Augustinus.

In 1683 werd het schilderij van de H.-HermanJoseph omlijst met houtsnijwerk vervaardigd door Hendrik VERBRUGGHEN uit Antwerpen. Het schilderij van de H.-Norbertus werd een jaar later omkaderd, vermoedelijk op kosten van prelaat CRILS.

Beide zijaltaren werden op dezelfde wijze ontworpen en uitgewerkt: twee grote engelen schragen het altaarschilderij, waarboven op het rechter altaar de H.-Herman-Joseph, die het kindje Jezus ontvangt uit de handen van O.-L.-Vrouw en boven het linker, St.-Norbertus, met staf- en mijterdragende engeltjes, prijken. Dezen zwieren bovendien overvloedig met ooft- en bloemenkransen, die langs de schilderijen neerhangen, tot aan de retabels. Het retabel van de H.-Herman-Joseph vertoont een onbekend wapen, terwijl het andere in medaillon de H.-Norbertus voorstelt.

De herstelde en opgefriste goud-lederen antependia kregen in de lente van 1987 opnieuw een plaats voor beide altaren.

De ornamenten van beide zijaltaren zijn gesneden uit olmenhout. Dat legt de onmiddellijke overkalking en overschildering uit. Spijts deze voorzorgen onderging het weke hout vroegtijdige vermolming. In 1936 klaagde archivaris Ev. DOM, dat deze kunstwerken zich “in zeer gevorderde staat van bederf bevonden”. Het mag dé verdienste van E.H. RENS genoemd worden deze pronkstukken te hebben gered. Hij liet de witsellagen verwijderen, waarna de sculpturen, stukje bij beetje, werden verhard door de gespecialiseerde firma VAN DIEREN uit Wetteren (1986). Na deze restauratie komt de schoonheid van lijnen en vormen terug tot zijn recht, vooral de anatomische lichaamsbouw van de engelen. Ook al werden ze opnieuw overschilderd!

* Herman-Joseph: heilig verklaard Norbertijn uit het klooster te Steinfeld in de Eifel (Duitsland), waar hij in de kerk begraven ligt.

Schilderijen. In het oude gedeelte van de Kapel hangen nog zes waardevolle schilderijen. Het grote schilderij boven de rechter biechtstoel (1,94 x 1,44 m) stelt de kroning van Maria voor. De zittende Lievevrouw houdt een scepter in de hand, en het - op haar been - recht opstaande Kind Jezus draagt een doorschijnende (wereld)bol en een palmtak. Engeltjes brengen een kroon aan. De perfectie, waarmee dezen geschilderd zijn, doet sommige kenners vermoeden, dat dit werk wel eens uit het atelier van RUBENS of VAN DIJCK zou kunnen komen.

Het grote schilderij links (1,67 x 2,06 m) verbeeldt de vluchtende H.-Familie, met op de achtergrond een beschermende God de Vader, en de H.-Geest onder de gedaante van een duif. Het werk is gesigneerd A.M. GUSSENAERS, maar nog een andere schilder zou dit zeventiende eeuws werk aangevuld hebben.

De overige vier schilderijen zijn bloemstukken, met in het midden een grisaille. Het waardevolste. op hout. 0,85 x 0,60 m, stelt O.-L.-Vrouw voor met een op haar schoot rechtstaand Kindje Jezus. Onder hen: St.Janneke met een schaapje. Het werk is getekend: L. Breugel Fecit. Deze is de zoon van fluwelen BREUGEL (1601-1678).

Een tweede bloemstuk. op doek, 0.70 x 0,58 m, beeldt een H.-Familie af. Het Kindje Jezus legt de hand op net hoofd van St.-Janneke. Dit S-vormig bloemstuk wordt aan Daniel SEGHERS (1590-1661) toegeschreven.

De overige twee, beide op doek, 0.85 x 0,59 m, stellen resp. de H.-Augustinus en de H.-Norbertus voor. Het eerste heeft als onderschrift. en het tweede vertoont sporen van dezelfde tekst:

D. Norbertus Homans - can B.M. in Tongerloo: A° 1666”. Beide bloemstukken zijn het werk van de Mechelse schilder J. Ph. VAN THIELEN (1618-1667).

Er is ook nog een prachtige H.-Familie, begroet door de H. Catharina, in een langschap, geschilderd in de stijl van Frans WOUTERS. medewerker van RUBENS. Dit kunstwerk. op doek, 0,74 x 1,09 m, wordt bewaard op de pastorie.

Biechtstoelen. Van het begin af bezat de Kapel vier eiken biechtstoelen, vermoedelijk gesculpteerd door Peeter DE KEUCKELAER, uit Mechelen. Twee van de vier worden de kleine biechtstoelen genoemd. Deze werden in 1681 vervangen door twee nieuwe, van de hand van Jacques PEETERS. We stellen inderdaad twee verschillende stijlen vast. De grote biechtstoelen, vooraan, zijn donker van kleur en allegorisch. De kleine biechtstoelen, achteraan, hebben een romantische, gevoelsgeladen inslag.

Kommuniebank. De kunstig gebeeldhouwde eiken kommuniebank is een waar pronkstuk! Wie haar gebeiteld heeft, is niet met zekerheid geweten, maar het tijdstip van de plaatsing (1682-83) verwijst naar Jacques PEETERS. Het is een schenking van de gezusters Anna en Elisabeth VAN LANSCHOT (zusters van de pastoor), wier wapenschild in de midden staat afgebeeld. Het rechter gedeelte toont het wonderdadige beeldje in de wilg, versierd met lelietakken. In het linker vak zien we een kelk - met hostie - omgeven door vier engelenkopjes, druiventrossen en korenaren. De beide deurtjes werden in 1965 onder het hedendaagse altaar geplaatst. Zij verbeelden de borstbeelden van de Zaligmaker en van de H.-Maagd.

 

Knoptekst

 

13. De Kapelschat

Het was vroeger gebruikelijk, dat bedevaarders - ingevolge een gedane gelofte - wassen, zilveren of gouden ex-voto’s in de Kapel ophingen, in ‘t bijzonder afbeeldingen van een genezen lichaamsdeel. Een aantal wordt heden nog bewaard op de pastorie. Het merendeel van de zilveren en gouden ex-voto's werd echter vroeger verbruikt, om een deel van de Kapelschat te vervaardigen. Dank zij de goede zorgen van Kapelbedienaars en kerkfabriek bleven volgende kunstvoorwerpen bewaard:

01) Een grote zilveren ciborie. De kom is versierd met engeltjes, korenaren en druiventrossen. Het deksel vormt een koninklijke kroon, waarboven een kruis. Op de voet zijn O.-L.-Vrouw in de wilg, de HH.-Norbertus en Augustinus geciseleerd. Dit prachtig Antwerps smeedwerk, gemerkt met P., dateert van 1671.

02) Twee kleine zilveren cibories, oorsprong onbekend.

03) Vijf, unieke zilveren lampen, versierd met allerlei wapens. Eén van de vijf werd in 1661 geschonken door Don Alonso ORTIZ DE IBERRA, gouverneur van Lier.

04) Vier grote zilveren kandelaars, waarvan twee geleverd in 1664 door de Antwerpse zilversmid Nicolaas WILLEMSEN, en twee uit 1742 vervaardigd door Joannes GEVAERTS.

05) Een zilveren wierookvat. met schaal en lepel.

06) Een zilveren schotel met ampullen (= schenkkannetjes voor water en wijn). De schotel is versierd met het wapen van prelaat VAN DEN NIEUWENEYNDE (1746-1779). De ampullen zijn ouder.

07) Twee zilveren bloemenvazen, versierd met ooft en engelenkopjes. Deze profane kunstwerken komen hoogst zelden voor in een kerkschat!

08) Een rood houten kruis met zilveren Lieveheer prijkt boven de troon van O.-L.-Vrouw.

09) Drie zilveren canonborden*: werden in 1726 door penitencier L. JANSSENS bezorgd.

10) Een zilveren index, d.i. een afbeelding van een hand met gestrekte wijsvinger (hulpstuk bij het lezen tijdens een pontificale mis).

11) Een verguld koperen monstrans uit de vijftiende eeuw, ouder dan de Kapel!

12) Een moderne, verzilverde monstrans.

13) Frans zilverwerk uit de tweede helft van de achttiende eeuw (een paar drie-armige kandelabers, omvormbaar tot eenarmige kandelaars, en twee prachtig geciseleerde zilveren schilden of paleerstukken).

14) Twee zilveren armen-kaarskandelaars uit de achttiende eeuw.

15) Een garnituur van zestien kandelaars en twee kruisen, in rood en geel koper, door J. GOIJERS in 1830-32 vervaardigd in keizerrijkstijl.

16) Een bronzen altaarbel, met wapenschild van prelaat VAN DER SCHAEFT van Averbode.

17) Een koperen lezenaar, uit de achttiende eeuw, versierd met fluweel en zilver, geschonken door bedevaarders uit Lier.

18) Een verzilverd relikwieschrijn, met relikwieën van St.-GUMMARUS, St.-RUMOLDUS en St.-MARTINUS.

19) Het zilveren kroontje en zilveren Spaans manteltje van het Lievevrouwebeeldje.

* Canonborden: drie bedrukte bordjes of tabellen, waarop enige in de mis gebruikte gebeden staan en die op het altaar geplaatst worden; zij mogen uitsluitend onder de mis, niet bij andere kerkelijke diensten, aanwezig zijn.

20) Het gouden kroontje, vervaardigd uit juwelen geschonken door de parochianen in 1937. Het kroontje stelt een wilg voor. De onderste rand vormt een wortelkring, waaruit een stam opgroeit met overvloedig loofwerk, dat de bovenste kring van de kroon vormt. Midden op de stam aan de voorzijde wordt de zon gesymboliseerd door een platina schijf, versierd met een grote briljant en edelgesteente. De zonnestralen met twaalf sterren - aan weerszijde van de zon zes - zijn insgelijk in platina en met edelstenen bezet. Boven de zon prijkt een gouden maan. met daarboven een platina kruisje.

In de kroon zijn volgende bloemen verwerkt:

1) de lelie als symbool van de zuiverheid;

2) het lelietje-van-dalen als symbool van de eenvoud;

3) de roos als symbool van de liefde en de schoonheid:

4) de passiebloem als symbool van het lijden en de droefenis.

De achterkant van de kroon draagt het wapen van Z.H. Paus PIUS XI, het wapen van Z. Em. Kard. VAN ROEY en het wapen van Duffel. Aan de binnenzijde var het juweel is een Latijnse tekst aangebracht, die als volgt kan vertaald worden: “Op het feest van O.-L.-Vrouw Hemelvaart, bij de driehonderdste verjaardag van de vinding, heeft Z. Em. Kard. Van Roey Mij getooid met deze kroon, die door de Duffelaars geschonken werd.

Dit prachtig, stijlvol kunstjuweel werd ontworpen en getekend door J.E. JACOBS uit Laken, en vervaardigd door edelsmid J. VANHOOFF uit Mechelen.

Vermelden wij tenslotte: twee waardevolle kazuifels, een zeventiende eeuwse met op, de rugzijde de afbeelding van een pelikaan die zijn jongen voedt, en een negentiende eeuwse, met op de rugzijde een voorstelling van de H.-Jozef; een koorkap uit vorige eeuw, met op de rug een vlammend hart met kruis; een capa magna, met hermelijn, gedragen door kerkelijke hoogwaardigheidbekleders; de antependia van het hoofdaltaar, het éne rood geborduurd voor kerkelijke hoogdagen, het andere zwart geborduurd voor uitvaartplechtigheden; het fluwelen processievaandel met de voorstelling der veertien mirakels (19de eeuw) en twee processievlaggen van recentere datum; een missaal uit 1819, met beslagwerk en monogram van Maria.

* Waarvan 1 exemplaar in het kapelarchief.

** Waarvan drie exemplaren in het Kapelarchief.

Het waardevolle archief van O.-L.-Vrouw van Goede Wil bevindt zich op de pastorie in de Kapelstraat: 16 bundels met 642 archiefstukken. Het archief van de abdij van Tongerlo bevat 15 registers, met ca. 2500 oorkonden over de St.-Martinuskerk en de Kapel.

Het eerste Gulden Boek (Liber Memorialis) is uit de Kapelstraat verdwenen! Het boek ving aan met de Kroningsfeesten van 1937, en was een initiatief van Ev. DOM en Kapelaan DE SCHUTTER. De eerste bladzijde was versierd met het wapen van Kard. VAN ROEY, een tekening van Herman JACOBS. In 1952 werd een tweede boekdeel aangeschaft en vermeldt o.a. de viering van 1987.

Knoptekst

14. Wonderbare genezingen en mirakels

110 genezingen worden aan de voorspraak van O.-L.-Vrouw van Goede Wil toegeschreven. Van elk der genezingen bestaat een lijvig dossier met getuigen en tegengetuigen. Bij wijze van voorbeeld geven wij een stukje uit het dossier betreffende de genezing van Joanna THIJERIN uit Brugge, die in 1638 werd verlost van bezetenheid.

Onderschreven ghetuijghe ende affirmere voor de waerheijt te wesen, dat ick vande stadt Brugghe ghecommen ben met Jffrauw Joannna Maria Thijerin, mijne ondersate in het Begijnhoff gheseyt den Wijngaert aldaer, omme te besoecken het miraculeus Beeldt van Onse Lieve Vrauwe van goeden Wille inde Baronnije van Duffel ende te voldoene aen de belofte die de bovenschreven Jouffrou gheloeft hadde aen Onse Lieve Vrauwe van goeden Wille, omme door hare intercessie ende ghebeden gheholpen te worden ende verlost van den duijvel daer sij sterckelijcken mede beseten was. T’welck bij haer ende ons gedaen zijnde, is teenemael miraculeuselijck tot verwonderinghe van hondert ende hondert menschen door de hulpe van dese Lieve Vrouwe den vijffden dach van hare bedevaert t’savonts subijtelijck in onse presentie verlost ghewordden. Het welck ick onderschreven bereet ben met eedt te bevestighen t’allen tijden ende stonden daertoe versocht sijnde. In teecken der waerheijt hebbe dese met eijghen hant...

De bisschoppen van Antwerpen, Gaspar NEMIUS, Ambrosius A CAPELLO en Petrus Josephus DE FRANCKEN-SIERSTORFF, hebben na grondig onderzoek van geneesheren en geleerden uit die tijd, veertien genezingen tot mirakel uitgeroepen.

Ze staan afgebeeld op het zwaar geborduurd processievaandel uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Aan de voorzijde staan in medaillons rond de geborduurde O.-L.-Vrouw in haar zilveren troon negen mirakels; aan de achterzijde is de verschijning van de geest van Elisabeth DE VOSCH weergegeven tesamen met de vijf overige mirakuleuze genezingen. Hier staat centraal, maar iets groter, de vinding weergegeven.

Al deze mirakels werden destijds, in opdracht van de Kapelmeesters, geschilderd. Meerdere van deze gedenk- of votiefschilderijtjes gingen echter verloren. De resterende doeken waren in zeer slechte staat: de panelen. waarop ze waren aangebracht, waren gans vermolmd, en in de doeken waren zelfs gaten gevallen. Dank zij de financiële steun van K.W.B.-Oost, en met goedkeuring van de kerkfabriek en van pastoor RENS, werden deze doeken in 1984 gerestaureerd. Ze werden met was op nieuwe kunststoffen panelen gekleefd, en de onbrekende delen werden op passende wijze ingekleurd. Tenslotte kregen de schilderijtjes een nieuwe, houten lijst. Deze restauratie was het werk van P. SCHENCK.

We vermelden de mirakels chronologisch:

01) De genezing van Antonette VINCX uit Lier gebeurde op O.-L.-Vrouw Visitatie 1638. Het vijfjarige apothekersdochtertje had een verouderde lopende fistel aan het oog, zodat zelfs het neusbeentje aangetast was. Op 2 juli ondernam de meid. samen met Antonette, een bedevaart naar Duffel. Hier volbrachten zij hun devotie, en legden een offerpenning op de etterende wonde. ‘s Anderendaags vond men het meisje volkomen genezen en zonder litteken.

02) Op bedevaart naar Duffel genas Maria Anna VAN DEN BERGHE, het driejarige dochtertje van de Tiense secretaris, van tering in de hoogste graag in september 1638.

03) Op 25 januari 1639 geneest de veertienjarige Brusselaar Eduard VAN DER ELST “op eenen ooghenblick” van een dubbele breuk.

04) Op de vierde dag van haar tiendaagse devotie tot O.-L.-Vrouw van Goede Wil genas Eerw. Zuster Anna SCHELLAERT van een jarenlange zware ziekte op Sacramentsdag 1639 in het Annontiatenklooster te Venlo.

05) Hester JANSSEN HERCIK, een huisvrouw uit Schijndel, genas plotseling in de Kapel van een tweejarige kreupelheid, op 1 juli 1640.

06) Het zesde wonder gebeurde rond Pasen 1642 te Lier. Ridder Karel DE COTTEREEL lag op sterven, uitgeput door bloedingen, die het gevolg waren voor vroeger opgelopen, nooit geheelde oorlogsverwondingen. Hij genas door het inslikken van een stukje hout van de wilg, en kon enkele dagen later naar zijn kasteel van Lesserbosch terugkeren.

07) Zuster Margareta AUGUSTIJNS van de Zwartzusters van Mechelen leed sinds veertien maanden een astma, en was volkomen hees. Zij genas op 22 juni 1650 na een driedaagse bedevaart naar Duffel.

08) Jacob BORCHS uit Antwerpen was lam in al zijn ledematen. Op 6 september 1655 vertrok hij met zijn kruipstoel vanuit Lier, op beeweg naar Duffel. Hij was 15 uur onderweg! Op 8 september liet hij een mis opdragen, opdat O.-L.-Vrouw “geliefde te verleenen dat hij met crucken mochte gaan”. Zijn bede werd verhoord. Tijdens de mis liet hij zich van zijn stoel zakken, bleef lang geknield - wat hij sinds jaren niet had gekund - liet zijn kruipstoel in de Kapel achter, en liep op krukken naar buiten.

09) Abraham WUCHTERS, juwelier te Antwerpen, genas van een zware breuk (hernia) “soo groot als het hooft van een klein kint”, nadat hij op 8 september 1659 te Duffel op bedevaart was geweest.

10) Cornelis JANSSENS uit Heist-op-den-Berg, 58 jaar, genas op 1 nacht van een elfjarige breuk, na de belofte gedaan te hebben O.-L.-Vrouw van Goede Wil te bezoeken.

11) Suzanna DE RIDDER, zuster in het klooster der Annontiaten te Antwerpen, genas van stomheid op 1 juni 1665 “door het nutten van een weijnich van het houdt vanden boom inden welcken het Beeldt is gevonden”.

12) Elisabeth RAMON, een zestienjarige uit Lier, genas in de Kapel van langdurige kreupelheid, op 5 juli 1665.

13) Maria MALEMANS uit Mechelen, 47 jaar, genas in de Kapel van tienjarige lamheid van het rechterbeen, op 13 maart 1671.

14) Het laatste mirakel gebeurde in 1715. Ruriloldus MEYSMANS, een kindje van twee jaar, geboren te Mechelen, maar woonachtig in Duffel, genas van een darmbreuk na het strijken met olie uit de Godslamp door zijn moeder.

Gedenk- of votiefschilderijtjes uit de Vlaamse school (l7de eeuw), gerestaureerd onder impuls van K.W.B.-Oost en Mijlstraat en in de brandvrije ruimte bewaard:

- de genezing van Antonette VINCX A° 1638 (0,71 x 0,58 m), met de genezende offerpenning, die op de etterende oogfistel werd gelegd;

- de genezing van Anna SCHELLAERT A° 1639 (0,75 x 0,58 m), met de zieke Zuster in een hemelbed;

- de genezing van Suzanne DE RIDDER A° 1665 (0,55 x 0,46 m), de zieke in hemelbed geneest van stomheid;

- de genezing van het kind PAUWELS A° 1678 (0,90 x 0,63 m);

- de genezing van Catharina JORIS A° 1683 (0,94 x 0,70 m), met twee bruine paters, die de duivel uitdrijven;

- de genezing van Rumoldus MEYSMANS A° 1715 (0,88 x 0,68 m), met de Godslamp, waaruit de genezende olie werd genomen;

- een schilderij met zittend kind (0,93 x 0,72 m);

- een schilderij met zittend kind (0,80 x 0,65 m);

- een schilderij met een geknielde vrouw, met de afbeelding van oude krukken (0,86 x 0,76 m)

- ovale schilderij met zittend kind (0,96 x 0,66 m);

- de genezing van Joannes Bapthist DE WINTER (0,65 x 0,52 m);

Vooraan rechts in de Kapel hangt het gedenkschilderijtje, dat de genezing voortelt van Eduard VAN DER ELST A° 1639 (0,83 x 0,57 m), met daarop vermoedelijk de houten Kapel, en links vooraan, de genezing van Hester JANSSEN HERCK A° 1640 (0,77 x 0,53 m) met de afbeelding van een pelgrimskar van weleer.

 

Knoptekst

 

15. O.-L.-Vrouw van Goede Wil vereerd op andere plaatsen.

Sedert 1646 kwamen de Mechelaars op bedevaart naar de Kapel. Op 14 september 1844 werd door E.H. L. JANSSEN, in de kerk van St.-Catharina te Mechelen, een broederschap van O.-L.-Vrouw van Goede Wil ingesteld. Tot 1920 werden 1550 leden ingeschreven. Op hun jaarlijkse bedevaarten naar Duffel in de maand september droegen zij lange tijd een beeld van O.-L.-Vrouw van Goede Wil mee.

Ook de paters Capucienen uit Lier kwamen in september telkenjare naar het Duffels genadeoord. Zij, alsook de paters Capucienen van Aalst, bezaten in de kerk van hun conventen « seker L. V. Beeldeken, gesneden van het houdt vanden Willigenboom, daer het mirakuleus Beeldt van Duffel eerst is aengevonden ». Beide beelden gingen echter verloren.

De parochiekerk van Deinze kreeg vroegtijdig, wellicht in 1638, evenals Brugge, een uit de Duffelse wilg gesneden beeldje van O.-L.Vrouw van Goede Wil ten geschenke van Floris VAN MERODE. De beelden worden er heden nog vereerd, te Brugge in de kerk van het Prinselijk Begijnhof of Den Wijngaert. De devotie te Brugge ontstond na de verlossing van bezetenheid door de duivel van begijntje Joanna THIJERIN.

Toen in 1645 de Duffelaar Fr. Mattheus VAN DER BIEST proost benoemd werd van het toenmalige klooster der Zusters Norbertienen te Herentals, bracht hij de verering van het wonderdadig beeldje van zijn geboortedorp naar daar over. Ook hij liet een O.-L.-Vrouwebeeldje snijden uit het hout van de wilg te Duffel.

In 1920 tenslotte, zorgde onderpastoor E.H. VAN DEN EYNDE voor de oprichting van een school en een kapel met pastorie, in de missiepost van de paters van de H.-Geest te Malela (Noord-Katanga). Uit dankbaarheid voor het behoud van de Duffelse Kapel te midden van onze grotendeels tot puin geschoten gemeente tijdens de Eerste Wereldoorlog, wijdde hij de nieuwe kapel toe aan O.-L.-Vrouw van Goede Wil.

Knoptekst

 

16. Herinneringsfeesten.

Het jubelfeest van 1737. Het eerste honderdjarig jubileum werd luisterrijk gevierd van 15 tot 22 augustus. In de drie Duffels werd geld ingezameld. In Duffel-Perwijs gelastte drossaard GILLEBERT zich persoonlijk met deze taak. De steun was algemeen, op een opzienbarende uitzondering na. De toenmalige penitencier R. OTGENS schreef hierover: « Ik heb de markies laten weten, dat wij jubileerden, en een aalmoes laten vragen voor de versiering, door zijn rentmeester, den schoutet, maar ik heb niets gekregen! »

Alles samen werd ruim 282 gulden samengebracht. Daarmee ging men aan de slag. De Kapel werd bekleed met tapijten, en versierd met bloemen, groen, hulst, mos, meien en festoenen. De schilderij van het hoofdaltaar werd uitgenomen, en in de vrijgekomen nis, alsook op de kleine koren boven de sacristieën, werd de vinding van het mirakuleuze Mariabeeldje uitgebeeld door « posturen in levensgrootte ». Op dezelfde wijze werden de veertien erkende mirakelen voorgesteld.

In het dorp werden vier houten praalbogen opgericht, en tot driemaal toe - op O.-L.Vrouw Hemelvaart, de zondag daarop, en op het octaaf - hield men « eenen solemneelen ommeganck met cavalcade, parade van de gulde van den edelen handtboeg van S. Sebastiaen, van de gulde van ridder S. Joris, mitsgaders veele andere fraeijigheden der ionckheijt... »

Alle dagen werd om 9 uur een plechtige mis gezongen, en om 16 uur een lof. Paus CLEMENS XII verleende een volle aflaat aan « alle Christi geloovige, die met een waerachtigh berouw gebicht sijnde, ende devotelyck hebbende gecommuniceert, komen besoecken het seer miraculeus Belt van onse Lieve Vrouwe van Goeden Wille in haere cappelle tot Duffel ». Ondanks het feit dat « het bijnaer een maent aen een stuck geregent heeft » was de volkstoeloop buiten verwachting. Vijftien priesters dienden bestendig biecht te horen, en tienduizend hosties werden uitgedeeld.

Het jubelfeest van 1837. De jubelviering van 1837 duurde veertien dagen, vanaf 15 augustus. Ze werd geopend en gesloten met een processie. «De versiering der straten was uitmuntend; zij waren met boomen beplant, met stoffen van allerlei kleuren behangen en voorzien van jaarschriften. Verscheidene praalwagens, verbeeldende eenige omstandigheden nopens het mirakuleus beeld waren te diergelegenheid vervaardigd.» Hoewel de voorbereiding van de feestelijkheden merkelijk gehinderd werd door het plots overlijden van pastoor TIMMERMANS op 26 juli, was de julibé een succes. «De toeloop van volk was zoo groot dat de biechtvaders der plaats en twee Eerw. Paters Jesuiten - die ‘s morgends en ‘s avonds onderwijzingen deden - niet toereikend waren, en men genoodzaakt was verschillende biechtvaders der omliggende dorpen tot hulp te roepen om aan de godvruchtige verlangens der bedevaartgangers te kunnen voldoen.»

De jubelviering van 1937. Als voorbereiding op deze viering gaf E.H. Ev. DOM in 1936 een 263 bladzijden tellend werk uit onder de titel: «De Geschiedenis van O.L.Vrouw van Goeden Wil te Duffel». Dit boek kostte toen 30 fr. Ook zamelde men gouden juwelen in (ringen, oorbellen, halskettingen...), waaruit de Mechelse goudsmid J. VAN HOOFF een kroontje smeedde.

Er werden feestelijkheden op touw gezet «zoals er wellicht nooit alhier te zien zijn geweest» dixit Ev. DOM. Vijftien overkoepelende komitees (erekomitee, beschermkomitee, komitee voor pers- en propaganda, ...) samen met vierentwintig wijkkomitees stonden in voor het wellukken. Het opzet was drievoudig.

Vooreerst was er een Mariale tentoonstelling van 14 tot 22 augustus in de klaslokalen van de meisjesschool (Kwakkelenberg). Volgende thema's kwamen aan bod: het leven van Maria, de verering van O.-L.-Vrouw, Maria in de kunst en in het volksleven, de geschiedenis van O.-L.-Vrouw van Goede Wil, en de schatten van de Kapel. «Algemeene inkom: 1 fr

Verder waren er de liturgische vieringen: op zaterdag 14 augustus 1937 te 19.30 uur ging voor de eerste maal de kaarskensprocessie uit; op zondag 15 augustus te 9.30 uur kroonde Kardinaal VAN ROEY het wonderdadige beeldje, waarna hij een plechtige openluchtmis opdroeg, gevolgd te 11.30 uur door de eerstesteenlegging van de vergroting van de Kapel; tot 22 augustus, werd alle dagen om 10 uur een gezongen mis opgedragen.

Tenslotte was er de ommegang «MARIA MIDDELARES», die voor het eerst uitging op

O.-L.-Vrouw Hemelvaart 1937 te 14.30 uur. Vijftienhonderd deelnemers en acht wagens beeldden het leven van O,-L.-Vrouw uit, alsook de geschiedenis van ons Duffels beeldje. Ook vijftien afvaardigingen uit de omliggende parochies stapten - met hun Mariabeelden - in deze eerste Mariastoet op. Ondanks het slechte weer zag Duffel zwart van het volk.

En - zoals te lezen staat in het programma boekje van toen - op de radio was er «een gesproken reportage van den ommegang, verzorgd door K.V.R.O. vanaf 15.30 uur op golflengte 321,9 (Brussel-Vlaamsche golf)». Jef COLIN en studio Jan VANDERHEYDEN hebben deze onvergetelijke realisatie op zwart-wit film vastgelegd. Deze stoet deed enigszins gewijzigd van opstelling - nogmaals zijn ronde in 1939 en 1947.

Viering 350 jaar O.-L.-Vrouw van Goede Wil in 1987. Men kon er niet naast kijken, dat er in het Mariajaar 1987, in en rond de Kapel, iets gaande was. Binnen sierden sierlijke blauw-witte wimpels het interieur, en buiten trok een monumentale mariale kroon de aandacht van de voorbijgangers.

«Maria, onschatbare gave van God aan de mensheid» was de kerngedachte van de misviering van 3 mei voorgegaan door deken VISKENS, die de inzet vormde van de viering. Onvergetelijk was de Mariahulde door M.S.patiënten, zieken, gehandicapten en bejaarden.

Op 27 en 28 mei vond de 150ste voettocht naar Scherpenheuvel plaats. De honderdtwintig bedevaarders, die mee opstapten, ontvingen een waardevolle herinneringsmedaille. Hierbij aansluitend organiseerde de Broederschap van O.-L.-vrouw van Scherpenheuvel, samen met K.W.B.-Oost, een tentoonstelling van bedevaartsoorden en -vaantjes in het Wilgenhof. Aan de hand van schilderijen, Mariabeelden, affiches, vlaggen en vaantjes, werd een beeld opgehangen van twaalf belangrijke Belgische bedevaartsoorden: Scherpenheuvel, Banneux, Edegem, Mechelen-Hanswijk, Kalfort-Puurs, Tongeren, Hasselt, Halle, Oostakker, Beauraing, Dadizele en Duffel. Als inleider sprak Renaat VAN DER LINDEN, lid van de Kon. Kommissie voor Volkskunde. Meer dan achthonderd bezoekers kwamen een kijkje nemen. Ook de ruilbeurs van allerlei voorwerpen rond volksdevotie (devotionalia) genoot een ruime belangstelling.

Op 5 juli kwam Kardinaal DANNEELS naar de Kapel om samen met pastoors RENS en SELLESLAGH en medepastoor VAN STEEN de T.V.-mis op te dragen.

De kaarskensprocessie van 14 augustus werd ook iets enigs, want vele parochies hadden een afvaardiging gezonden, die in de optocht een eigen Mariabeeld meedroegen. Dit waren O.-L.-Vrouw Onbevlek Lier, O.-L.Vrouw van Smarten St.-Katelijne-Waver, Brede Heide St.-Katelijne-Waver, St.-Martinus Duffel, De Locht Duffel, O.-L.-Vrouw van Hanswijk Mechelen en O.-L.-Vrouw van Halle Valkenswaard. Meer dan drieduizend gelovigen stapten met een brandende kaars in de processie op. Daarna volgde een openluchtmis op het Kapelplein, onder de feestkroon, gecelebreerd door Mgr. NOYENS, abt van Tongerlo. De ganse plechtigheid werd opgeluisterd door het koor van de Parkieten, de Karekieten en de Nachtegalen.

Op 15 en 16 augustus werd de Eucharistieviering van 10 uur luister bijgezet door de Karekieten met hun nieuwe Latijnse mis «MISSA JUBILATE», getoondicht door Lode VAN CRAEN.

Het laatste liturgische hoogtepunt in het jubeljaar 1987 was de speciale kinderzegening met het wonderdadig beeldje op 4 oktober, opgeluisterd door de Karekietjes, het kinderkoor van de parochie en voorgegaan door Mgr. DE BIE.

Naast het liturgische luik waren er nog tal van activiteiten. Vooreerst vermelden we het groots opgezette klank- en lichtspel «DE WILG VAN HOOP EN GLORIE», opgevoerd in de Kapel op en onder het oksaal. Dit massaspel werd achtmaal ten tonele gebracht: op 7, 8, 9 en 13 augustus om 20u30, en op 15 en 16 augustus om 16 en 20u30. Het gaf een kleurrijk, bijwijlen dramatisch, overzicht van de voornaamste hoogtepunten uit de geschiedenis van de O.-L.-Vrouwparochie. Dit vanaf de vinding van het beeldje op 14 augustus 1637 tot in 1937, wanneer Kardinaal VAN ROEY, onder dreigende onweerswolken, de eerste steen legde voor de vergroting van de Kapel. Schrijnende episodes over pestepidemies, moord, plundering en oorlogstaferelen wisselden elkaar af met typische scènes uit het dagelijkse leven in die tijd met de enorme kloof tussen de rijke adel en de arme landlieden. Regisseur Octaaf DUERINCKX wist met 150 acteurs en figuranten een uniek schouwspel te brengen, waarbij de cultuurhistorische aspecten volkomen in evenwicht waren met de spektakelwaarde. Buiten de speciale lichteffecten, onder meer bij het tafereel van de vinding en tijdens de slotscène, waarin het glasraam van Jan WOUTERS op grandioze wijze werd betrokken, viel ook de bijzondere aandacht op die besteed was aan de kledij, de rekwisieten en de grime. Ontroerend was het slotlied, dat lang bleef natrillen en overging in klokgelui. Het zal niemand verwonderen dat men steeds voor een uitverkochte Kapel speelde. Achtentwintighonderd toeschouwers is niet niks!

Ter gelegenheid van de tweedaagse Troubadoursfeesten op 15 en 16 augustus waren op het Kapelplein 21 decoratieve houten gevels opgericht, die deden terugdenken aan de historische herbergen, waar de bedevaarders terecht konden in de vindingstijd en de jaren erna.

Temidden van deze entourage waande men zich in het Duffels verleden. De feesten werden geopend met een optocht door de straten van Duffel-Oost. Talloze attracties en de zon maakten van de Troubadoursfeesten een succesgebeuren! Mensen uit Nootdorp (Nederland), in historische kostuums, gaven een boeiend theaterspel ten beste. De schuttersgilde «Den Crans» uit Antwerpen bood de vele bezoekers de kans de kruisboog te hanteren. De Merchtemse steltlopers simuleerden een steltengevecht, en een groep uit Lichtaart dorste koren met de vlegel. Onze Duffelse reuzen maakten een rondedans en de Reynoutgroep uit Dendermonde liet herauten schallen en trommels roffelen. Ook de boerenblaaskapel van St.-Cecilia en het Brabants Volksorkest bliezen hun duit in het feestzakje. Turners van O.G.K. in narrenpakken, volksdansers van De Moeffeleer en een vuurspuwer brachten nog meer sensatie. Daarnaast kregen ook de reuzenpoppen van Albert TEUGELS, en de kantklossers van kantschool De Locht en De Moeffeleer de aandacht van de bezoekers. Beeldhouwer Paul GOOSSENS toonde hoe hij uit olmenhout Mariabeelden beitelde. De tweede dag traden magiërs, jongleurs, clowns en slangenmensen van het internationale gezelschap «Le cirque du trottoir» op, en de Gelmelzwaaiers uit Hoogstraten. De handbeiaardiers van de Duffelse K.B.G. rondden het spektakel af. Er waren doorlopend snacks te verkrijgen op een uniek broodplankje met zeefopdruk. Speciaal voor deze feesten hadden zes Duffelse bakkers een nieuw gebak, de «Duffelse Reus», op de markt gebracht. De beenhouwers van Duffel-Oost zetten hun beste beentje voor met een speciale barbecueworst: «Duvelsworst». Alle lekkernijen werden door het overtalrijke publiek duidelijk geapprecieerd.

De jubelviering van 1987 werd afgesloten met de historische tentoonstelling «WARM INGEDUFFELD». Deze expo bracht uit zo’n vijfentwintig musea en uit talloze privé-verzamelingen ca. achthonderd voorwerpen bijeen die de geschiedenis van onze gemeente aanbelangen. De tentoonstelling met opening in de Kapel en gevolgd door een receptie in de pastorie werd gehouden van 17 tot 25 oktober, op drie plaatsen tegelijkertijd. In de bovenzaal van het Wilgenhof werd een chronologisch overzicht gegeven van de Duffelse geschiedenis van de voortijd tot op de dag van vandaag. Blikvangers waren: vondsten uit de prehistorie, oude kaarten, een maquette van Duffel naar grondplan van 1780, de stamboom van de heren van Duffel, middeleeuwse vondsten, zoals de Hanze-schotel, tinnen eetgerei, munten, potaarden kruiken en dies meer. Veel belangstelling ging ook uit naar de werken van KILIAAN en HONDIUS, en naar de werktuigen, die bij het ambachtelijk weven gebruikt werden. Tevens werd aan de hand van archiefstukken, foto’s en kunstschatten, het ontstaan en de evolutie van de drie parochies belicht, alsook van het Convent van Bethlehem en de invloed van de abdij van Tongerlo. Vooral het ontmantelde Onze-Lieve-Vrouwebeeldje in de boomstronk trok de aandacht.

In het bibliotheekcentrum werd de economische bedrijvigheid onder de loupe genomen: de land- en tuinbouw alhier, en de Duffelse nijverheden en K.M.O.'s van vroeger en nu. Verder kwamen aan bod: het vervoer per spoor en te water, de oorlogsellende door de eeuwen heen, onze burgemeesters sinds 1882, en onze honderdjarigen.

In de Kapel werd gepoogd de luister van de vroegere vierkanten Kapel terug op te roepen, volgestouwd als ze was met kerkmeubilair, schilderijen en zilverwerk. Als deze kerkschatten zijn evenzovele bewijzen van het grootse verleden van dit bedevaartsoord. Ook oude medailles, prentjes en vaantjes, processiebanieren, liturgische gewaden en oude werken over O.-L.-Vrouw van Goede Wil waren te bezichtigen. De rijdende beiaard met als beiaardier Gaston VAN DEN BERG vulde het Kapelplein met feestklanken op zaterdag 17 oktober.

Als afsluiting werd door de Boerengilde op het Kapelplein op zaterdagvoormiddag 24 oktober een groenten- en zuivelmarkt gehouden.

Nagenoeg vijfduizend belangstellenden bezochten deze unieke expositie.

Het hoeft geen betoog dat de realisatie van een dergelijk feestprogramma slechts mogelijk was dank zij de inzet van alle parochiële verenigingen, honderden vrijwilligers, het gemeentebestuur, de kerkfabriek, zevenhonderd gezinnen-sponsors en een overkoepelend, inrichtend comité onder het voorzitterschap van E.H. RENS, pastoor, en zijn secretaris, E.H. VAN STEEN, medepastoor, en zijn schatbewaarder Gaston ANDRIES, voorzitter van de kerkfabriek.

De verantwoordelijken voor elk onderdeel van de viering mochten hun eigen werkcomité aanstellen.

Verantwoordlijken voor:

- Mariahulde: De bestuursleden van M.S.patiënten, ziekenzorg, gehandicapten en het O.C.M.W.

- Kaarskensprocessie: Paul LAURIJSSENS (kroon) en de parochiegeestelijken (organisatie)

- T.V.-mis en kinderzegening: E.H. VAN STEEN en E.H. RENS

- Bedevaart naar Scherpenheuvel en Vaantjestentoonstelling: bestuursleden van de broederschap van O.-L.-Vrouw van Scherpenheuvel onder voorzitterschap van Wilfried TUYTELEIR, i.s.m. K.W.B.-Oost

- Klank- en lichtspel: Hugo HERBOTS en Bert VAN WINKEL

- Troubadoursfeesten: Luc WUYTS

- Tentoonstelling «Warm ingeduffeld»: Rik VAN DEN BRANDE en Gaston GILLIS

- Praktische hulp en raad: Karel VAN DIJCK en Jos FRANS

- Contact met het gemeentebestuur: Willy VERCAMMEN, gemeentesecretaris

 

Knoptekst

 

17. Pastoors van de O.-L.-Vrouw-parochie

E.H. Victor DE SCHUTTER (1935-1960), bekend als de kapelaan, werd op 25 juli 1898 te Ranst geboren, en op 31 december 1922 te Mechelen priester gewijd. Na leraar te zijn geweest aan het O.-L.Vrouwcollege te Tienen, werd hij onderpastoor benoemd te Herselt, en op 6 november tot kapelaan aangesteld van O.L.-Vrouw van Goede Wil te Duffel. In 1937 was hij mede-organisator van de grootse jubelfeesten, en van de kroning van het beeldje. In 1939 startte hij de vergrotingwerken van de Kapel. Op 15 september 1948 werd hij de eerste pastoor van de nieuwe parochie. Hij leidde de parochie tot 6 november 1960, dag op dag vijfentwintig jaar. Daarna trok hij zich terug in het begijnhof te Lier, waar hij rector werd van de Sint-Margaretakerk. Hij overleed op 16 april 1980.

E.H. Jozef VANDENBUSCH (1961-1968), geboren te Berchem (Antwerpen) op 4 april 1894. Op 23 september 1917 werd hij priester gewijd te Mechelen. Na enkele jaren leraar te zijn geweest aan het O.-L.Vrouwcollege te Tienen, werd hij op 15 juli 1922 onderpastoor van de O.-L.-Vrouwten-Poelparochie aldaar. Hij verwierf vooral bekendheid als onderpastoor van Sint-Paulus en bestuurder van de Nationale Schippersbond te Antwerpen, vanaf 1934. Op 1 oktober 1952 werd hij benoemd tot aalmoezenier van de schippers en rector van het kerkschip St.-Jozef, dat hij zelf oprichtte in de Antwerpse dokken. Op 25 november 1961 volgde hij Victor DE SCHUTTER op, als tweede pastoor van de O.-L.-Vrouwparochie. ledereen bleef hem de schipper noemen. Hij liet de Kaarskensprocessie heropleven, maar zijn droom - een Mariapark met gebeeldhouwde staties - kon hij niet realiseren. Op 1 juli 1968 ging hij op rust, eerst te Nieuwpoort, daarna te Merksem. Hij overleed te Zwijndrecht op 8 oktober 1978.

E.H. Flor RENS (1968-...) werd op 15 juli 1925 te Houtvenne geboren, en op 31 augustus 1958 te Mechelen tot priester gewijd. Hij staat bekend als de perfect van het St.-Romboutscollege. Sedert 5 juli 1968 (reeds twintig jaar dus!) gaat hij voor in Duffels jongste parochie. Hij liet de ontmoetingscentrum Wilgenhof bouwen (1973). Ook het onderhoud van de Kapel ligt hem nauw aan het hart: schilderwerken, van binnen en van buiten, werden uitgevoerd, tot driemaal toe, schilderijen en altaardoeken werden gerestaureerd, en de verloren gewaande, vermolmde zijaltaren liet hij herstellen en verharden. Hij was medebezieler van de tentoonstelling «Schatten van de Kapel» (1983) en promotor-eindverantwoordelijke van de viering «350 jaar O.-L.-Vrouw van Goede Wil» (1987).

De medepastoors in de Kapel waren achtereenvolgens de Nederlander L. AKKERMANS (1948-1949), M. MARRANT (1949-1957), G. MIGNON (1957-1964), Pater Piet VAN GRUNDERBEECK (1965-1984) en Wilfried VAN STEEN (1979-...).

Knoptekst