Home

A tot Z

Inhoud

1. Godsdienst in ...

2. O.-L.-Vrouw ...

3. Klokkengelui

4. Volksfeesten, ...

Duffel © 2004 - 2018

1. Eerste Kerstening    2. Tweede missionering    3. Cistercienzerinnenabdij

I. Godsdienst in Oudheid en Middeleeuwen.

De Kelten, die zich destijds bij het wad of doorwaadbare plaats aan de Nete vestigden, waren vervuld van de religieuze gedachte, hoe men tot een vreedzaam samenleven met de natuur kon komen. Daarmee hing hun geloof in lokale goden, landgeesten, elfen, dwergen, heilige bronnen, bomen en stenen samen. Mythen, geloofspraktijken en wetenschap behoorden tot de mondelinge overlevering, die werd verspreid door de druïden. Als priesters namen de druïden een belangrijke plaats in de stam in. Zij spraken ook recht, en beslechtten geschillen.

Tijdens de Romeinse bezetting deden de Grieks-Romeinse goden hun intrede samen met de legioensoldaten, handelaars en ambtenaren, en gaven hun fysieke trekken aan de plaatselijke Keltische godheden.

1. Eerste kerstening.

Hoe en wanneer het Christendom voor het eerst in onze gewesten binnendrong, is moeilijk met zekerheid uit te maken. Waarschijnlijk brachten de Romeinen de eerste christelijke zendelingen mee in de vierde eeuw, nadat keizer Constantijn in 313 de vrijheid van godsdienst had afgekondigd. (In 391 riep Theodosius het Christendom zelfs uit tot staatsgodsdienst.) De Romeinse cultuur was vooral een stedencultuur. De christelijke leer heeft zich daarom ook eerst in de steden verspreid. Iedere stad kreeg zijn bisschop, die niet alleen de zorg had over de eigenlijke stad, maar ook over het omringende platteland, voor zover het ook burgerlijk van de stad afhing. Allen, die op het platteland woonden, moesten in de stad naar de kerk. Soms waren er op het land wel enkele bidkapellen, maar eigenlijke parochiekerken waren er in de eerste eeuwen niet. Zo vormden zich de eerste bisdommen naar de burgerlijke districten (stad en omgeving). Het oudste van de Belgische bisdommen is ongetwijfeld Tongeren, dat overeenkwam, wat zijn grenzen betreft, met de oude civitas Tungrorum. St.SERVATIUS was de eerste bisschop van Tongeren, en de eerste geloofsgezant in onze lage landen.

De eerste kerstening was echter niet diep geworteld, en kon hier te lande, na de val van Rome, de storm van de Frankische landname niet weerstaan.

Bij dreggingswerken in de Nete in 1963 werd tussen de brug van Walem en de spoorwegbrug een zilveren pannetje gevonden. Door de sprekende overeenkomsten met Pompeische pannetjes wordt aangenomen, dat het dateert uit de eerste eeuw na Chr. Het pannetje (totale lengte 25 cm) heeft een rijk versierde steel. Het uiteinde van de steel stelt een vrouwengezicht voor geflankeerd door het profiel van twee panters. Het smalle gedeelte van de steel is versierd met een bladmotief, dat een rechtopstaande MERCURIUS omgeeft. Het onderste van de steel wordt versierd door een bok, en eindigt op twee vogelkoppen met lange bek. Het pannetje is te bezichtigen in het Koninklijk Museum van Kunst en Geschiedenis, Jubelpark 10 te 1040 Brussel.

De Germanen bevolkten hun geloofswereld met talrijke goden. Wodan (Odin), oppergod en god van de oorlog, wetenschap, vervoering en dood, werd bijgestaan door de Walkuren, die de gesneuvelde krijgers naar het Walhalla moesten leiden. Thor (Donar), vergelijkbaar met Hercules, was het symbool van de fysieke kracht. Hij beheerste donder en bliksem. Eveneens begiftigd met alle gebreken en kwaliteiten van de mensen, bevolkten nog andere goden het hemelrijk dat onze Germaanse voorouders zich voorstelden als een harde en onverbiddelijke mensenwereld, waarin aan de leider totale gehoorzaamheid verschuldigd was.

Namen van Germaanse goden vinden wij nog terug in de namen, die de dagen van de week aanduiden. Verscheidene folkloristen menen ook ons sinterklaasfeest te moeten terugbrengen naar de Oudgermaanse godenwereld. St.-Niklaas zou dan een gekerstende Wodan zijn op zijn ros Sleipnir, die in de joeltijd (december) vergezeld van zijn knecht Eckart (= Zwarte Piet) naar de aarde daalde (St.-Niklaas langs de schouw) om het goede te belonen (met geschenken) en het kwade te straffen (met de roede).

De namen van de dagen hebben een religieuze achtergrond. Het volstaat even terug te grijpen naar de etymologische betekenis.

Zondag. Door de Assyriers en later door de Romeinen aan de zonnegod toegewijd.

Maandag. Dag ter ere van de maangodin, na de zonnegod de bijzonderste godheid, vandaar ook de tweede dag van de week.

Dinsdag. Dies Martis; te Rome werden op de derde dag van de week aan de oorlogsgod Mars speciale offers gebracht. Zijn naam werd dan ook gebruikt om deze dag aan te duiden.

Woensdag. Ontleend aan de Germaanse oppergod Wodan.

Donderdag. Samengesteld uit de naam van Donar, de Oudgermaanse god van donder en bliksem.

Vrijdag. Afgeleid van de Oudgermaanse godin Frey, godin van de liefde.

Zaterdag. Om te besluiten de feestdag van Sater, de Oudgermaanse god die het geluk als met een hoorn des overvloeds moest uitgieten.

De maanden. Oorspronkelijk was het Romeinse jaar verdeeld in tien maanden. Later voegde POMPILIUS - teneinde de jaarkring met de zonneloop gelijk te stellen - daar twee maanden (januarius en februarius) aan toe.

De Latijnse namen van de maanden waren dan, in die volgorde: martius, aprilis, maius, junius, quintilis, sextilis, september, october, november, december, januarius, februarius.

Bij een latere kalenderhervorming kwamen januarius en februarius eerst te staan. Aldus kwam quintilis, wat letterlijk vijfde betekent, op de zevende plaats terecht; sextilis, de zesde, kwam op de achtste plaats, enz.

Quintilis en Sextilis veranderden later van benaming. Quintilis werd juli naar Julius CAESAR, en Sextilis werd Augustus naar keizer Octavius AUGUSTUS (63 v. Chr.14 na Chr.).

De namen van de eerste zes maanden van het jaar zijn afgeleid van Romeinse goden of gebruiken. Januari werd naar de Romeinse god Janus gedoopt; hij was de god met de twee gezichten, die waakte over toegangen en deuren, vandaar dat het jaar onder zijn auspicien geopend en onder zijn bescherming gesteld werd. Februari werd genoemd naam de <<februae>>, Romeinse reinigings- en verzoeningsfeesten, die tussen 11 en 28 februari plaatsgrepen. Maart verwijst naar de Romeinse oorlogsgod Mars, en april naar het Latijnse werkwoord, aperire, wat opengaan, ontluiken betekent, in verband met de herleving van de natuur. Mei is genoemd naar de Romeinse godin Maia, de godin van de aarde. Juni komt van de godin Juno, de vrouw van Jupiter, of naar L. JUNIUS, de eerste konsul van Rome.

September, oktober, november en december zijn afgeleid van de Latijnse telwoorden septem, octo, novem en decem, wat respectievelijk zeven, acht, negen en tien betekent, wat verwijst naar hun plaats in de Oudromeinse kalender.

Naar Boven

2. Tweede missionering.

De kerstening van onze gewesten moest na de Frankische landname van vooraf aan herbegonnen worden. De eerste aanzet daartoe werd gegeven op Kerstdag 506, toen CLOVIS I, die alle Franken in een rijk kon verenigen, zich in de kathedraal van Reims door de H.-REMIGIUS liet dopen. In navolging van hun leider vroegen ook vele krijgslieden om het doopsel. De bekering van CLOVIS was politiek zeer belangrijk, namelijk voor de goede relaties van het Frankische rijk met het Oostromeine keizerrijk. Bovendien overbrugde hij hierdoor de tegenstellingen, die de barbaarse Franken scheidden van de Christelijke Gallo-Romeinen.

De kerkprovincies, die ontstonden in deze periode met haar uitgesproken agrarisch karakter, omvatten een zeer uitgestrekt territorium. Zo besloeg het bisdom Kamerijk het ganse gebied van de Nerviërs. Tot aan de oprichting van de nieuwe bisdommen in 1559 werd het oude Duffel bij Kamerijk ingedeeld.

De Frankische koningen hebben de zendelingen steeds krachtig gesteund in hun strijd tegen het heidendom. Zo was de H.-ELIGIUS (ca. 590-ca. 660), in Vlaanderen St.-ELOOI genoemd, de grote raadsman van CHLOTARIUS II. Die rol bleef hij ook vervullen onder DAGOBERT I. Ook St.-AMANDUS († ca. 680) stond in de koninklijke gunst van DAGOBERT, en van dienst opvolger SIGEBERT III.

St.-AMANDUS vervulde een bepalende rol in de kerstening van de noordelijke streken van het huidige België. Die kerstening gebeurde van boven af: AMANDUS zocht en vond steun bij de grootgrondbezitters, en eens de meester bekeerd, gingen ook allen die op zijn grond woonden tot het nieuwe geloof over. In de bosrijke gebieden tussen Antwerpen en Lier was ook de H.-WILLIBRORDUS (658- 739) bedrijvig.

Ondanks de inzet van de geloofsverkondigers hervielen onze voorouders vaak in hun vroeger geloof en gingen voort met Wodan of hun <<oude god>> te vereren. Vandaar de naam Oude God, nu nog gedragen door een gehucht van Mortsel.

 

HEILIGE AMANDUS, werd in het begin van de zevende eeuw waarschijnlijk in Aquitanië, het huidige Gascogne, geboren. Hij studeerde te Tours, waar hij een grote verering voor St.-MARTINUS opvatte. Na een tijdlang als kluizenaar geleefd te hebben te Bourges, begaf hij zich naar Rome. Hij kreeg de opdracht Noord-Gallie te bekeren. In 630 werd hij bisschop gewijd, echter zonder zetel. Hij werd reisbisschop en predikte in Vlaanderen en Brabant, en omliggende gewesten. Terecht wordt hij de apostel van Vlaanderen genoemd. Hij was de stichter van vele kloosters, o.a. te Gent waar hij de grondvesten legde van de abdij van de Blandijnberg en van de St.-Baafsabdij. In 646-7 werd hij bisschop van Maastricht. Drie jaar later hervatte hij zijn missionaire taak, vooral in het Antwerpse. Na een werkzaam leven - hij zou, ook het geloof verkondigd hebben bij de Slaven over de Donau en bij de Gasconiërs - overleed hij op 6 februari 679 of 684 in zijn hoofdkwartier, het klooster van Elnone (nu Saint-Amand-les-Eaux, bij Valenciennes), waar hij zijn laatste jaren in stilte en gebed doorbracht.

De H.-AMANDUS wordt vaak voorgesteld als bisschop met een kerk in de hand en aan zijn voeten een draak of slang, omdat hij op het eiland Ogia nabij La Rochelle een slangenplaag zou hebben geweerd. In Vlaanderen wordt zijn feest gevierd op 6 februari.

Twee streekheiligen mogen hier niet onvermeld blijven: GUMMARUS van Lier en ROMBAUT (RUMOLDUS) van Mechelen. Generaties na generaties hebben gedweept met hun wondere verhalen, die tot op heden nog boeien door hun legendarische kracht.

Volgens de oude Vita of levensbeschrijving werd GUMMARUS in het begin van de achtste eeuw te Emblem geboren uit voorname en vrome Frankische ouders. De jonge GUMMARUS werd naar het hof van PEPIJN DE KORTE (714-768) gezonden, waar hij weldra diens voorliefde genoot. Samen met de koning trok hij ten oorlog, en huwde 's konings dochter of nicht, GRIMARA. Zij was een harde en onmenselijke vrouw. We halen hier een paar voorbeelden van haar wreedheid aan. Eens toen GUMMARUS acht jaar ten oorlog moest trekken, wellicht in Lombardije, Saksen en Aquitanie, liet GRIMARA de lijfeigenen hun vee ontnemen, het hoofdhaar afscheren en mishandelen. GUMMARUS herstelde alles bij zijn terugkeer en berispte zijn vrouw. Een andere maal weigerde GRIMARA de arbeiders in de oogst, die brandden van dorst, te drinken te geven. Daarop stak GUMMARUS zijn staf in de grond, waaruit aanstonds een heldere bron ontsprong, zodat iedereen zich kon laven. Zijn vrouw, voor haar straf met hevige dorst gekweld en de dood nabij, genas hij op wonderbare wijze. GRIMARA dwong ook een vrouw, die pas een kindje had gebaard, mee te helpen in de vroondienst*.

Toen GUMMARUS met enkele gezellen op bedevaart naar Rome wilde gaan, liet hij een boom omhakken, om zijn tent op te slaan bij de Nete. Toen de eigenaar hiertegen fel bezwaar maakte, richtte GUMMARUS de boom weer op, omwond de stam met zijn gordel en herstelde hem na een vurig gebed, zodat zelfs geen spoor van het omhakken zichtbaar bleef. Slechts een indruk van de riem was nog te zien. Waarschijnlijk aanroept men GUMMARUS daarom tegen breuken.

* Vroondienst = arbeid ten dienste van de heer.

In de nacht, waarin GUMMARUS dit wonder had verricht, verscheen een engel, die hem het bevel gaf zijn Romereis af te breken, en in plaats daarvan op het eiland Nivesdonc of Nieuw Donk (nabij Ledo, het latere Lier) een bos te rooien en een bidplaats op te richten. GUMMARUS volgde het bevel op en bouwde er een kerkje ter ere van ST.-PIETER. En al bleef hij te Emblem wonen, om te bidden zou hij steeds naar Nivesdonc komen.

GUMMARUS stierf op zijn landgoed te Emblem op 11 oktober omstreeks 774-775. 40 jaar later werd zijn lichaam overgebracht naar Lier, en in de Sint-Pieterskapel bijgezet. In 1337 begon men de St.-Gummaruskerk te bouwen. Ook na zijn dood bleef de heilige een goede vader voor allen, die op hem vertrouwden. Doofstommen werden genezen, een aanval van Noormannen werd wonderbaar afgeslagen en een oneerlijke vrouw werd op geheimzinnige wijze gestraft en begenadigd.

ROMBOUT was een kluizenaar, eerder een Engelsman dan een ler. Hij werd door een engel Gods naar het oude Brabant gezonden. Na een Romereis - om zijn zending door de paus te laten goedkeuren - kwam hij in 745 te Mechelen aan, waar hij het martelaarschap zou verwerven. Hij vond aanstonds bescherming bij graaf ADO en zijn gemaling ELISA. Dit echtpaar, reeds op jaren, kreeg op voorspraak van ROMBOUT een kind, LIBERTUS genaamd. Toen het kind in de Dijle viel en verdronk, werd het door ROMBOUT weer tot leven opgewekt; het werd één van zijn volgelingen.

ROMBOUT werd bisschop gewijd; hij kreeg echter geen zetel toegewezen. Hij stichtte een klooster op de Olm en bouwde een houten kapelletje (voorloper van de huidige St.Romboutskathedraal). Gedurende de werken betaalde hij zijn werkvolk uit een beursje, dat nooit leeg raakte. Twee werklieden, die hij eens berispt had, sloegen hem dood op 1 juli 775, en wierpen zijn lijk in de Melaan. Doch een wonderlijk licht scheen op die plaats door het water, zodat men het lijk spoedig vond, en het begraven kon worden in het kerkje dat hij zelf had laten bouwen.

GUMMARUS en RUMOLDUS waren zeer goede vrienden. Zij kwamen mekaar dikwijls tegemoet bij Stadeycken* om het volk te onderrichten en te bidden. De naam Stadeycken verwijst naar een Frankisch dingveld. Het is de stad of plaats van de heilige eik, waaronder door de schepenen van Duffel-Perwijs recht werd gesproken. De legende geeft echter een andere verklaring.

Eens tijdens hun lange geestelijke gesprekken, zouden GUMMARUS en RUMOLDUS hun palsters daar in de grond hebben gestoken. die begonnen te groeien tot dikke eiken, die meer dan zevenhonderd jaar oud werden.

* Stadeycken: gehucht tussen de Mechelsebaan en de Nete, van het Perwijsbroek af tot aan de abdij van Rozendaal.

Als herinnering aan de twee heiligen werd op die plaats, door de abdis van Rozendaal of haar pachter op de hoeve te Stadeyken, een kapel met altaar gebouwd. Vermoedelijk gebeurde dat in 1688, zoals uit een opschrift moge blijken, dat eertijds binnen in de kapel te lezen stond:

<<O geluckige plaets van Godt bewandelt, daer den H. Rumoldus en Gummarus van Godts saecken hebben gehandelt. Anno 1688>>.

 

Buiten boven de deur staat nog steeds:

<<Siet hoe twee vrienden Godts malkanderen ontmoeten.

is 't dat de passagiers hun hier devoot’lyck groeten

En offren tot hun eer, sy, op dees werelds baen,

Als voorbidders van hun, by Godt in sullen staen. >>

Bij de verbreding en asfaltering van de Mechelsebaan in 1971 werd de kapel afgebroken en heropgebouwd in de Stormsschranslaan. De beelden van GUMMARUS en RUMOLDUS zijn sinds 1988 te bezichtigen in het heemhuis Jos RESSELER.

Naar Boven

3. Cisterciënzerinnenabdij

Rozendaal te St.-Katelijne-Waver

De historiek van Duffel is innig met die van St.-Katelijne-Waver verstrengeld. Eertijds omvatte de heerlijkheid Duffel-Perwijs immers ook St.-Katelijne-Waver en Walem. Meer nog: de heer van Perwijs, of zijn drossaard, verbleef in bepaalde perioden op het kasteel Bemortel te St.-Katelijne-Waver, zodat Duffel-Perwijs lange tijd van daaruit bestuurd werd.

Vele heren waren erin geslaagd de tiendrechten die in feite de plaatselijke parochies toekwamen, naar zich toe te halen. Ter verduidelijking: onder tienden verstaat men de heffing van een tiende deel van de voortbrengselen zoals graan, zaad, hout, vlees, bieten e.a. Het tiendstelsel bestond reeds bij het Joodse volk. De tienden waren aan God gewijd, en aan de levieten. Deze jaarlijkse heffing werd behouden in de eerste eeuwen van het christendom, ten behoeve van de eredienst, de kerk en haar bedienaars. De gelovigen werden tot betaling aangespoord, en later zelfs verplicht ingevolge wetten van KAREL DE GROTE en latere heersers. Zij werden pas definitief afgeschaft door de Franse Republiek.

Verschillende conciliaire bepalingen van de elfde en twaalfde eeuw trachten de wereldlijke tiendheffers er toe te dwingen hun, ten onrechte, verkregen tienden terug aan de kerk te schenken. Soms gebeurde dit, vaak ook niet. In plaats daarvan stichtten of begunstigden de heren dan zelf een kerk of abdij, en schonken eigendommen aan deze nieuwe instelling.

In het licht van dat alles moet ook de stichting van de Cistercienzerinnenabdij Rozendaal worden gezien. Een stichtingsoorkonde is niet bewaard gebleven. Algemeen wordt aangenomen, dat het prille ontstaan van de abdij moet gesitueerd worden tussen 1220 en 1227. GILLIS BERTHOUT, Heer van Berlaar, broer van WOUTER BERTHOUT, Heer van Mechelen, wordt veelal als stichter van de abdij geciteerd. Zeker is dat niet, doch de mate waarin hij de jonge stichting in haar ontstaansjaren begunstigde, wijst wel in die richting. Bovendien zouden zijn twee dochters, Oda en Elisabeth BERTHOUT, alsook zijn eigen vrouw, in deze abdij zijn ingetreden. Oda wordt in sommige kronieken als eerste abdis van Rozendaal vermeld; de oorkonden uit het abdijarchief bevestigen dit evenwel niet.

Duffelse bezittingen van de abdij Rozendaal. Van arme boetelingen werden de Cistercienzerinnen rijke kloosterlingen. Aldus wijst de atlas der goederen van de abdij, in 1789, op 516 bunderen grond gelegen rond Itegem, Melsbroek, Boortmeerbeek en Wiekevorst. Daarnaast bezat de abdij nog hoeven en percelen in andere dorpen. Op het grondgebied van de gemeente Duffel bezat de abdij anno 1796 ca. 50 bunder in volle eigendom aan onroerend goed, samen met twee pachthoeven, die later beter bekend zijn onder één naam: de Stormsschranshoeve. Het is niet met zekerheid uit te maken wanneer het eigendomsblok -waarop beide hoeven werden gebouwd - in bezit kwam van de abdij. Eén deel was vermoedelijk begrepen in de stichtingsgoederen en kwam de abdij dus toe vóór 1227. Een ander deel moet de abdij toegekomen zijn ingevolge een schenking in 1245. De eigendom wordt alsdan beschreven als Stadeycken. In elk geval gaan de eigendomstitels terug tot de dertiende eeuw. Evenmin is bekend wanneer de eerste hoeve werd opgericht, doch reeds in 1495 was aldaar een hoeve verpacht genaamd <<hoeve te Stadeycken>>. In 1538 wordt die hoeve vermeld als <<de Stayke>>, en van 1718 af wordt de benamina <<Dijckhoeven>> algemeen. De hoeven werden door de Fransen als zwart goed verkocht op 31 maart 1797. Later kwamen zij in het bezit van de familie Mouriau.

Naast de eigendommen die de abdij te Duffel bezat, had ze er ook nog tiendrechten. De abdij bezat alhier ook erfelijke renten en erfpachten. Zij hief te Duffel ook cijnzen. o.a. op de Hoogstraat op het <<Galgevelt>>. Om volledig te zijn dient nog vermeld. dat de abdij zekere visrechten bezat op de Nete.

Johannes MATHAEI, een vergeten Duffelaar.

In de abdij van Tongerlo hangt een olieverfschilderij (0,45 X 0,35 m) met het portret van een kloosterling, niet in het gewaad van een prelaat, maar evenmin in het habijt van een gewone Witheer. Op het koperen plaatje, onderaan de kader bevestigd, staat te lezen: “Johannes Mathaei - Duffel”.

Johannes MATHAEI werd in Duffel geboren rond 1410. Hij doctoreerde in de theologie, en behaalde ook een licentie. Hij trad toe tot de orde der Norbertijnen te Tongerlo. In 1473 werd hij aangesteld als derde proost van het kapittel der kanunikken van de St.-Sulpitiuskerk te Diest. Hij bleef die dienst waarnemen tot in 1487, jaar van zijn overlijden.

Johannes MATHAEI was een vertrouweling van de prinsbisschop van Luik, het bisdom waartoe Diest in die tijd behoorde. Hij kreeg van deze kerkvorst de opdracht om een afdeling van de venerabele broederschap van O.-L.-Vrouw, rond 1318 in ‘s-Hertogenbosch gesticht en beter bekend en beroemd als de zwanenbroederschap, te vestigen in de stad Diest.

De zwanenbroederschap was één van de meest welvarende verenigingen van het voormalige hertogdom Brabant. Enkel meer begoede burgers waren er lid van. Het jaarlijks lidgeld bedroeg trouwens drie zilverstukken oude groten.

Bekende leden waren Jeroen BOSCH, en later Willem VAN ORANJE. De naam van zwanenbroederschap was waarschijnlijk afkomstig van het feit dat de rentmeester van de domeinen, die aan de hertogen van Brabant toebehoorden, jaarlijks twee zwanen schonk waarmee de gezworen broeders een feestmaaltijd hielden. Zwanen waren toen een zeer geliefde rijkemanskost.

Nu bestaat deze illustere confrerie nog. Zij is samengesteld uit achttien katholieke en achttien hervormde leden. Prinses Juliana, prins Bernhard, koningin Beatrix, prins Claus en prinses Irene zijn er heden lid van.

Of Johannes MATHAEI in de opdracht die hij van de prinsbisschop kreeg geslaagd is, valt te betwijfelen. Immers in Diest is hierover niets geweten, en de Bossenaars zullen niet goedschiks gedoogd hebben, dat deze zo rijke broederschap, zij het ten dele, naar een andere stad werd overgebracht.

Naar Boven