Spreekb.26 feb 1933
HET
ZICHTBARE EN
HET ONZICHTBARE
We mogen er zeker van zijn dat het onzichtbare zowel als het zichtbare
bestaat. We hebben altijd een onzichtbaar publiek bij ons voor elke handeling,
ja, zelfs voor elke gedachte. Mochten we dit maar meer en meer beseffen, dan
zouden we weten dat Zijn tegenwoordigheid bij ons blijft; indien ze niet bij ons
blijft, is dat onze schuld of zijn we blind voor wat we kunnen hebben.
Iedereen beseft dat we door een periode van stress gaan waarin we iets
verwachten, maar we weten niet wat. Waarom weten we niet wat te verwachten?
Waarom kunnen we niet weten wat er zal gebeuren? Is het niet omdat we blind zijn
voor de aanwijzingen rondom ons?
Velen die deze bestudeerd hebben, zeggen ons dat we door een bepaalde
positie in het heelal gaan. Sterrenwichelaars zeggen dat we die positie in de
ruimte bereiken waar de invloeden voor de derde kringloop beginnen. Anderen
beschrijven het als een positie waar we een nieuw ras mogen verwachten, een
nieuw volk, een nieuwe gedachte.
Laten we voor het ogenblik aannemen dat dit juist is: zijn we onder die
invloeden omdat we in die positie in het heelal staan of zijn we in zo'n positie
wegens wat wij of anderen gedaan hebben?
Dezelfde oude vraag rijst weer op, de vraag die gesteld werd toen de dood in
de wereld kwam; de eerste mens vroeg God: 'Ben ik mijns broeders hoeder?'
We ontwijken nog altijd de vraag en geven de anderen de schuld voor onze
positie.
Er wordt ons gezegd dat op aarde enkelingen herboren worden die een plaats
innemen van waaruit ze een grote invloed kunnen laten gelden, wegens de plaats
die ze ooit in de gedachte van de wereld innamen. Nu komen ze in het bezit van
hun erfenis.
Wat dat ook zij, zijn we niet allen in dezelfde toestand; vragen we ons
allen niet af wat we met die toestand gaan aanvangen? Er is geen kracht die niet
door God ingesteld is. Is het dan niet het plan van de Hoogste Kracht of Macht,
die we God noemen, dat we nu op aarde herboren worden? Dit werd van te voren
gepland.
Dan kan u zeggen: "Wel, u bent een fatalist en u gelooft dat wat gaat
gebeuren, gaat gebeuren - dat niets dit kan veranderen."
Neen, dat beantwoordt de vraag: "Ben ik mijns broeders hoeder?"
niet.
We studeren met in onze gedachte de ontwikkeling van de innerlijke mens, de
ziel. In ons is datgene wat we de ziel noemen, de entiteit, het wezen; en dit
leeft steeds verder.
We zeggen dat dit moeilijke tijden zijn en vragen ons af wat er gaat
gebeuren, dat dit de periode is waarin we de opheffing van de aardkorst
verwachten.
Wat hebben we gedaan als voorbereiding op die gebeurtenissen?
"Die dingen gaan gebeuren," zei de Meester, " maar de tijd is
nog niet gekomen. Er zullen oorlogen zijn, en geruchten over oorlogen,
aardbevingen op verscheidene plaatsen. Er zullen tekenen in de hemel zijn.
Broeder zal tegen broeder opstaan, natie tegen natie, maar de tijd is nog niet
gekomen." (zie Matt. 24)
Al die dingen zullen gebeuren. Welke is de voorafgaande waarschuwing?
"Als gij mij verlaat, als gij terugkeert en de dingen volgt die behoren
tot de verlangens van uw eigen vleselijke invloeden, zal ik mijn aangezicht van
u wegdraaien." (zie Deut. 31, 16-17)
Het onzichtbare gezicht, ja, datgene wat we niet kunnen zien met onze vijf
zintuigen. Maar datgene wat in ons kan opgewekt worden, zegt ons of we de weg
volgen die Hij wilt dat we we gaan.
"Mijn geest zal getuigen met uw geest of u zonen van God zijt of
niet" (Rom. 8, 16).
De manier waarop die waarschuwingen tot ons kwamen, is niet belangrijk. We
zijn nu middenin die positie en ze is alom ons heen. De veranderingen komen er.
Delen van de aarde zullen de komende jaren weggeveegd worden. Daar ben ik zeker
van. We willen meteen weten of dit zal gebeuren waar we ons bevinden. Dat is
niet belangrijk als we goed leven.
Overbezorgd zijn over onszelf omdat we op de verkeerde plek wonen, is zijn
zoals de mensen die bij de oude vrouw gingen die aan de grens woonde. Een man
kwam bij haar en zei dat hij een plaats zocht voor zijn gezin van opgroeiende
jongens en meisjes, maar hij liet zijn vrienden thuis niet graag achter. Ze
antwoordde: "U zal vinden dat het hier is zoals thuis. Indien u thuis
vrienden had, zal u hier ook vrienden hebben." De volgende man kwam en zei
dat hij tevreden was weg te gaan uit de plaats waar hij zo lang woonde; alle
mensen daar waren zelfzuchtig, gierig en moeilijk van omgang. De oude vrouw zei:
"Broeder, U zal vinden dat het hier is zoals thuis. Als u in slechte
verstandhouding leefde met de mensen thuis, zal u ook met de mensen van hier in
slechte verstandhouding leven. Als u thuis geen vrienden heb, zal u die hier ook
niet hebben."
Dit geldt ook voor ons. Indien we niet klaar zijn, indien we geen
voorbereidingen maken, dan zal het slechts een kwestie van tijd zijn vooraleer
we ervoor betalen - zelfs indien we niet bij de eerste slachtoffers zijn.
Hoe weten we dat die veranderingen er zullen komen? We weten dat niet,
uitgenomen door de tekenen die ons werden gegeven en die we ervaren. Want het
uiterlijk, de zichtbare dingen, zijn slechts de schaduw van de dingen die echt
bestaan en op komst zijn. Wanneer, zoals de Meester zei, we die dingen zien
aankomen, dan weten we dat ze komen omdat de mensen in zichzelf en jegens hun
naaste op zo'n manier handelden opdat ze zouden gebeuren.
Het eerste gebod was: "Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de
aarde en onderwerpt haar." (Gen. 1, 28) Wat wil zeggen: leer al de dingen
op aarde kennen. En er is niets op aarde dat geen uittreding van God is. Tonen
we onze waardering voor de dingen rondom ons of zeggen we "Geef me, geef
me, geef me" en proberen we alles tot ons te trekken? Zijn we onzer
broeders hoeder - of leven we op kosten van onze broeders?
Het leven vandaag is niet verschillend van het leven een miljoen jaar
geleden. Het leven is één. God is leven - zij het in een oester, een boom of
in ons. Leven is God en een openbaring van Hem. De mens kan een mooie boom maken
maar hij kan hem geen leven geven. Hij kan een mooi ei maken maar hij kan het
datgene niet geven wat het zichzelf zal doen voortbrengen. Wat is datgene wat
leven kan voortbrengen, zo niet het Leven zelf, of God? Het is het onzichtbare
in ons en volledig rondom ons.
Indien gedachten daden zijn, dan zal ons opbouwend en positief denken helpen
dat op te bouwen wat vrede, harmonie, vreugde, liefde - de vruchten van de geest
- zal brengen. Wat is de Geest? Dat wat alleen kan begrepen worden door het toe
te passen, door hetgeen we doen voor een andere.
We hadden een mooie illustratie van die gedachte deze morgen in onze
zondagsschool les. De Meester had veel van zichzelf aan anderen gegeven. Hij was
moe en had lichamelijke rust nodig, want Hij was dan een mens. Iets werd Hem
ontnomen om opbouwende invloeden te geven als tegenwicht tegen de afbrekende
invloeden in het leven van de anderen die met Hem in aanraking kwamen. Hij sliep
op zee. Het schip liet vol en de discipelen waren bevreesd. Ze maakten Hem
wakker: "Trekt gij er U niets van aan, dat wij vergaan?" Hij bestrafte
de wind en de zee werd kalm. (Mar. 4, 37-40) Nu vraag ik u: Ging er kracht uit
de Meester, of kwam ze in Hem? Ze kwam in Hem, de stilte, de kalmte - omdat Hij
behoorde tot de Scheppende Krachten die zich zouden openbaren. Door het uit te
geven, kwam het binnen. En naarmate wij geven om dit een beter wereld te maken
voor anderen, komen vrede en harmonie en begrip - vruchten van de Geest - in
ons.
Moeten we wonderen doen? Moeten we op de hoek van de straat staan en
prediken? Indien dat onze roeping is, ja. Nochtans kan een vriendelijk woord
tegen onze buur, tegen een kind dat we op straat ontmoeten, tegen de lame hond
die we zien - of tegen ongeacht welke uittreding van God volstaan. Alleen maar
dat vriendelijk woord tegen hen die niet meer hopen, het opbeurend woord tegen
hen die ontmoedigd zijn; als we dat doen, geven we wat we ontvingen. "Je
hebt alles gratis gekregen, wees dan ook vrijgevig." Want niet allen werden
geroepen om genezers te zijn, niet allen om predikanten te zijn; maar elkeen
moet doen wat hij kan, en zo de Geest en de vruchten van de Geest, die we niet
zien, vergroten.
De dingen die we vandaag doen, bepalen wie we morgen of over een miljoen
jaar zullen zijn. We sterven niet om in de eeuwigheid te treden, we zijn er
reeds. Het is dan ook even belangrijk te weten waarvan we komen als te weten
waarheen we gaan. Als we weten waarvan we komen, weten we waartegen we op moeten
boksen. Indien we vandaag onze bekwaamheden gebruiken, zullen we er morgen meer
ontvangen. Onze volgende stap zal ons getoond worden.
Door onszelf te prijzen en zelfzucht te zijn verwijderen ons van de kennis
van God. Ze brengen de twijfels, de vrees en al die hoedanigheden behorend tot
het zichtbare met zich mee; ze brengen ons zorgen, moeilijkheden en onbegrip.
Wat ons ook bang maakt, laten we het tot God dragen, tot de Christus. De weg
zal ons getoond worden.
(vertaling M. Vansteenkiste)