Spreekb.26 feb 1933

HET  ZICHTBARE  EN  HET ONZICHTBARE

     spreekbeurt gegeven door Edgar Cayce op 26 februari 1933

  Een paar weken geleden stond ik op om voor de Zondagsschool klas te spreken en meer plaatsen waren vooraan vrij dan bezet. Ik voelde dat ik iets te zeggen had en vroeg me af waarom er zo weinig aanwezigen waren. Dan zag ik een onzichtbaar publiek - onzichtbaar voor de andere aanwezigen - binnenkomen en ze vulden bijna alle plaatsen.

We mogen er zeker van zijn dat het onzichtbare zowel als het zichtbare bestaat. We hebben altijd een onzichtbaar publiek bij ons voor elke handeling, ja, zelfs voor elke gedachte. Mochten we dit maar meer en meer beseffen, dan zouden we weten dat Zijn tegenwoordigheid bij ons blijft; indien ze niet bij ons blijft, is dat onze schuld of zijn we blind voor wat we kunnen hebben.

Iedereen beseft dat we door een periode van stress gaan waarin we iets verwachten, maar we weten niet wat. Waarom weten we niet wat te verwachten? Waarom kunnen we niet weten wat er zal gebeuren? Is het niet omdat we blind zijn voor de aanwijzingen rondom ons?

Velen die deze bestudeerd hebben, zeggen ons dat we door een bepaalde positie in het heelal gaan. Sterrenwichelaars zeggen dat we die positie in de ruimte bereiken waar de invloeden voor de derde kringloop beginnen. Anderen beschrijven het als een positie waar we een nieuw ras mogen verwachten, een nieuw volk, een nieuwe gedachte.

Laten we voor het ogenblik aannemen dat dit juist is: zijn we onder die invloeden omdat we in die positie in het heelal staan of zijn we in zo'n positie wegens wat wij of anderen gedaan hebben?

Dezelfde oude vraag rijst weer op, de vraag die gesteld werd toen de dood in de wereld kwam; de eerste mens vroeg God: 'Ben ik mijns broeders hoeder?'

We ontwijken nog altijd de vraag en geven de anderen de schuld voor onze positie.

Er wordt ons gezegd dat op aarde enkelingen herboren worden die een plaats innemen van waaruit ze een grote invloed kunnen laten gelden, wegens de plaats die ze ooit in de gedachte van de wereld innamen. Nu komen ze in het bezit van hun erfenis.  

Wat dat ook zij, zijn we niet allen in dezelfde toestand; vragen we ons allen niet af wat we met die toestand gaan aanvangen? Er is geen kracht die niet door God ingesteld is. Is het dan niet het plan van de Hoogste Kracht of Macht, die we God noemen, dat we nu op aarde herboren worden? Dit werd van te voren gepland.  

Dan kan u zeggen: "Wel, u bent een fatalist en u gelooft dat wat gaat gebeuren, gaat gebeuren - dat niets dit kan veranderen."

Neen, dat beantwoordt de vraag: "Ben ik mijns broeders hoeder?" niet.

We studeren met in onze gedachte de ontwikkeling van de innerlijke mens, de ziel. In ons is datgene wat we de ziel noemen, de entiteit, het wezen; en dit leeft steeds verder.

We zeggen dat dit moeilijke tijden zijn en vragen ons af wat er gaat gebeuren, dat dit de periode is waarin we de opheffing van de aardkorst verwachten.

Wat hebben we gedaan als voorbereiding op die gebeurtenissen?

"Die dingen gaan gebeuren," zei de Meester, " maar de tijd is nog niet gekomen. Er zullen oorlogen zijn, en geruchten over oorlogen, aardbevingen op verscheidene plaatsen. Er zullen tekenen in de hemel zijn. Broeder zal tegen broeder opstaan, natie tegen natie, maar de tijd is nog niet gekomen." (zie Matt. 24)

Al die dingen zullen gebeuren. Welke is de voorafgaande waarschuwing?

"Als gij mij verlaat, als gij terugkeert en de dingen volgt die behoren tot de verlangens van uw eigen vleselijke invloeden, zal ik mijn aangezicht van u wegdraaien." (zie Deut. 31, 16-17)

Het onzichtbare gezicht, ja, datgene wat we niet kunnen zien met onze vijf zintuigen. Maar datgene wat in ons kan opgewekt worden, zegt ons of we de weg volgen die Hij wilt dat we we gaan.

"Mijn geest zal getuigen met uw geest of u zonen van God zijt of niet" (Rom. 8, 16).  

De manier waarop die waarschuwingen tot ons kwamen, is niet belangrijk. We zijn nu middenin die positie en ze is alom ons heen. De veranderingen komen er. Delen van de aarde zullen de komende jaren weggeveegd worden. Daar ben ik zeker van. We willen meteen weten of dit zal gebeuren waar we ons bevinden. Dat is niet belangrijk als we goed leven.           

Overbezorgd zijn over onszelf omdat we op de verkeerde plek wonen, is zijn zoals de mensen die bij de oude vrouw gingen die aan de grens woonde. Een man kwam bij haar en zei dat hij een plaats zocht voor zijn gezin van opgroeiende jongens en meisjes, maar hij liet zijn vrienden thuis niet graag achter. Ze antwoordde: "U zal vinden dat het hier is zoals thuis. Indien u thuis vrienden had, zal u hier ook vrienden hebben." De volgende man kwam en zei dat hij tevreden was weg te gaan uit de plaats waar hij zo lang woonde; alle mensen daar waren zelfzuchtig, gierig en moeilijk van omgang. De oude vrouw zei: "Broeder, U zal vinden dat het hier is zoals thuis. Als u in slechte verstandhouding leefde met de mensen thuis, zal u ook met de mensen van hier in slechte verstandhouding leven. Als u thuis geen vrienden heb, zal u die hier ook niet hebben."

            Dit geldt ook voor ons. Indien we niet klaar zijn, indien we geen voorbereidingen maken, dan zal het slechts een kwestie van tijd zijn vooraleer we ervoor betalen - zelfs indien we niet bij de eerste slachtoffers zijn.  

Hoe weten we dat die veranderingen er zullen komen? We weten dat niet, uitgenomen door de tekenen die ons werden gegeven en die we ervaren. Want het uiterlijk, de zichtbare dingen, zijn slechts de schaduw van de dingen die echt bestaan en op komst zijn. Wanneer, zoals de Meester zei, we die dingen zien aankomen, dan weten we dat ze komen omdat de mensen in zichzelf en jegens hun naaste op zo'n manier handelden opdat ze zouden gebeuren.            

Het eerste gebod was: "Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar." (Gen. 1, 28) Wat wil zeggen: leer al de dingen op aarde kennen. En er is niets op aarde dat geen uittreding van God is. Tonen we onze waardering voor de dingen rondom ons of zeggen we "Geef me, geef me, geef me" en proberen we alles tot ons te trekken? Zijn we onzer broeders hoeder - of leven we op kosten van onze broeders?  

Het leven vandaag is niet verschillend van het leven een miljoen jaar geleden. Het leven is één. God is leven - zij het in een oester, een boom of in ons. Leven is God en een openbaring van Hem. De mens kan een mooie boom maken maar hij kan hem geen leven geven. Hij kan een mooi ei maken maar hij kan het datgene niet geven wat het zichzelf zal doen voortbrengen. Wat is datgene wat leven kan voortbrengen, zo niet het Leven zelf, of God? Het is het onzichtbare in ons en volledig rondom ons.  

Indien gedachten daden zijn, dan zal ons opbouwend en positief denken helpen dat op te bouwen wat vrede, harmonie, vreugde, liefde - de vruchten van de geest - zal brengen. Wat is de Geest? Dat wat alleen kan begrepen worden door het toe te passen, door hetgeen we doen voor een andere.

We hadden een mooie illustratie van die gedachte deze morgen in onze zondagsschool les. De Meester had veel van zichzelf aan anderen gegeven. Hij was moe en had lichamelijke rust nodig, want Hij was dan een mens. Iets werd Hem ontnomen om opbouwende invloeden te geven als tegenwicht tegen de afbrekende invloeden in het leven van de anderen die met Hem in aanraking kwamen. Hij sliep op zee. Het schip liet vol en de discipelen waren bevreesd. Ze maakten Hem wakker: "Trekt gij er U niets van aan, dat wij vergaan?" Hij bestrafte de wind en de zee werd kalm. (Mar. 4, 37-40) Nu vraag ik u: Ging er kracht uit de Meester, of kwam ze in Hem? Ze kwam in Hem, de stilte, de kalmte - omdat Hij behoorde tot de Scheppende Krachten die zich zouden openbaren. Door het uit te geven, kwam het binnen. En naarmate wij geven om dit een beter wereld te maken voor anderen, komen vrede en harmonie en begrip - vruchten van de Geest - in ons.

            Moeten we wonderen doen? Moeten we op de hoek van de straat staan en prediken? Indien dat onze roeping is, ja. Nochtans kan een vriendelijk woord tegen onze buur, tegen een kind dat we op straat ontmoeten, tegen de lame hond die we zien - of tegen ongeacht welke uittreding van God volstaan. Alleen maar dat vriendelijk woord tegen hen die niet meer hopen, het opbeurend woord tegen hen die ontmoedigd zijn; als we dat doen, geven we wat we ontvingen. "Je hebt alles gratis gekregen, wees dan ook vrijgevig." Want niet allen werden geroepen om genezers te zijn, niet allen om predikanten te zijn; maar elkeen moet doen wat hij kan, en zo de Geest en de vruchten van de Geest, die we niet zien, vergroten.            

De dingen die we vandaag doen, bepalen wie we morgen of over een miljoen jaar zullen zijn. We sterven niet om in de eeuwigheid te treden, we zijn er reeds. Het is dan ook even belangrijk te weten waarvan we komen als te weten waarheen we gaan. Als we weten waarvan we komen, weten we waartegen we op moeten boksen. Indien we vandaag onze bekwaamheden gebruiken, zullen we er morgen meer ontvangen. Onze volgende stap zal ons getoond worden.          

Door onszelf te prijzen en zelfzucht te zijn verwijderen ons van de kennis van God. Ze brengen de twijfels, de vrees en al die hoedanigheden behorend tot het zichtbare met zich mee; ze brengen ons zorgen, moeilijkheden en onbegrip.

Wat ons ook bang maakt, laten we het tot God dragen, tot de Christus. De weg zal ons getoond worden.

(vertaling M. Vansteenkiste)