Schepping

Het scheppingsverhaal volgens de lezingen (294-202 reports) door Thomas Sugrue

 

Bij het bouwen van de ziel waren betrokken

- geest, die kennis had van zijn eenheid met God,

- het handelend beginsel, mentale kracht,

- het vermogen die handeling van de mentale kracht te ervaren, gescheiden van God.

Aldus ontstond een nieuwe enkeling, afhankelijk van, en spruitend uit, God, maar bewust van een bestaan buiten Hem. De nieuwe enkeling kreeg, noodzakelijkerwijze, de macht zijn handelingen zelf te bepalen, te kiezen; zonder vrije wil was hij een deel van de mentale kracht van God gebleven, als dusdanig niets anders kunnend ondernemen dan Zijn gedachte. De mentale kracht, spruitend uit God, zou vanzelfsprekend Zijn gedachten uitvoeren, tenzij ze in een andere richting werden gestuurd. Het vermogen om de mentale kracht in een andere richting te sturen, noemen we het bewustzijn van de enkeling. De annalen van dit bewustzijn, die vrije wil, begonnen toen de mentale kracht haar verlangen voor de eerste maal uitdrukte. Dat was het begin van de ziel.

De kern van de ziel was in evenwicht, er waren gelijke hoeveelheden positieve en negatieve krachten, wat een harmonische werkzaamheid met zich meebracht: de positieve krachten begonnen, doordrongen, stuwden vooruit; de negatieve krachten ontvingen, voedden, wierpen uit. Die handeling doorliep dezelfde trappen als de gedachte: men nam waar, men dacht na, men opperde een mening.

De ziel bestond dus uit twee bewustzijnsstaten:

1) die van de geest, met zijn kennis van zijn eenheid met God,

2) die van de enkeling, met zijn kennis van alles wat hij ondervond.

Het plan voor de ziel was een kringloop van ervaringen, onbegrensd in omvang en duur, waardoor de enkeling de schepping in al haar aspecten zou leren kennen, naar eigen goeddunken.

De kringloop zou rond zijn als het verlangen van de wil niet verschillend meer was van Gods gedachte.

Het individueel bewustzijn zou dan samensmelten met het bewustzijn van eenheid met God, en de ziel zou naar haar oorsprong terugkeren, als de gezel, haar eerste bestemming.

 In die toestand behoudt de ziel haar gevoel van individualiteit en weet ze dat ze uit vrije wil handelt als een deel van God. Tot deze toestand bereikt wordt, zal de mens geen gezel zijn in de echte betekenis van het woord.

 Het idee dat een terugkeer naar God een verlies van individualiteit zou inhouden is paradoxaal, daar God bewust is van alles wat er gebeurt en dus ook moet bewust zijn van de individualiteit van de ziel. De terugkeer van de ziel is dus de terugkeer van het beeld naar de kracht die ze verbeeldde, en de individualiteit van een ziel kan niet vernietigd worden zonder God te vernietigen. Als een ziel naar God terugkeert, wordt ze bewust van zichzelf, niet alleen als zijnde een deel van God, maar als een deel van elke andere ziel en van alles.

Het ego gaat verloren, het verlangen anders te handelen dan naar Gods wil; als de ziel naar God terugkeert, doet ze daar vrijwillig afstand van - dit is het zinnenbeeld van de kruisiging.

 Het plan van de ziel hield ervaring van de hele schepping in, maar het betekende niet noodzakelijk vereenzelviging met, en deelneming aan, alle vormen en substanties. Het betekende ook niet dat zielen zich met de schepping zouden bemoeien. Het betekende niet dat ze hun eigen kleine wereld konden maken en wetten mochten ombuigen en verdraaien om hun dromen waar te maken.

Maar deze dingen konden gebeuren. De ziel was de grootste schepping: ze had vrije wil. Als God vrije wil had gegeven, deed Hij niets om die in toom te houden; wat ze ook deed, ze moest het in Hem doen; welke weg ze ook nam, ze moest bij Hem terugkeren.

(Het feit dat het menselijk lichaam een stofje is op een kleine planeet geeft ons de indruk dat de mens zelf een kleine schepping is. De maat van de ziel is de grenzeloze werkzaamheid van de mentale kracht en de grootsheid van de verbeelding.)

Bepaalde zielen waren verbijsterd door hun eigen krachten en begonnen er proeven mee te doen. Ze mengden zich met het stof der sterren en de winden der sferen, voelden ze, werden er een deel van. Eén van de gevolgen was een uit het evenwicht brengen van de positieve en negatieve krachten door een van beide te benadrukken: om dingen te voelen had men negatieve kracht nodig; iets uitdrukken en beheersen vereiste positieve kracht. Een ander gevolg was de geleidelijke verzwakking van de band tussen de twee bewustzijnsstaten: die van de geest en die van het individu. De enkeling raakte meer bezorgd om zijn eigen schepping dan om die van God.

 (Dit was de val van de geest of de opstand der engelen. Die stap in het verhaal van God en de mens werd ofwel terzijde gelaten of niet benadrukt in heidense levensopvattingen al was hij een der beginselen in Pythagoras’ metafysica.)

Om in een deel van de schepping te trekken en om er een deel van te worden, moet een ziel het bewustzijn van dat deel aannemen. De mens heeft daarvoor het stoflichaam, de vijf zintuigen en de bewuste mentale kracht. In andere werelden, in andere stelsels, heeft de ziel een andere mantel aangetrokken: alleen het bereik en de verscheidenheid van de gedachten der mensen kan ons een idee geven van die andere werelden en stelsels en van de aspecten van de goddelijke geest welke die werelden vertegenwoordigen.

Toen de ziel aldus het bewustzijn van een deel van de schepping opnam, scheidde ze af van het bewustzijn van haar eigen identiteit en verwijderde zich zo nog verder van het bewustzijn van haar geest. In plaats dus van te helpen met de beheersing van de stroom der schepping, eraan mee te werken, bevond ze zich in de stroming en werd erdoor meegesleurd. Hoe verder ze zich van de oever verwijderde, hoe meer ze onder de druk van de stroming bezweek, hoe moeilijker het werd terug te keren.

Elk stelsel met zijn sterren en planeten was, op  zijn manier, een verleiding voor de zielen; elk bood ook een gelegenheid tot ontwikkeling, vooruitgang en groei tot het ideaal: een volmaakt gezel van God worden, een mede-schepper in het uitgestrekt en prachtig stelsel van universele mentale kracht.

Het zonnestelsel trok zielen aan en aangezien elk stelsel met zijn planeten één geheel vormt, kwam de aarde op het pad der zielen.

De aarde was een uitdrukking van God met haar eigen wetten, haar eigen evolutie. Zielen verlangend de schoonheid van de zeeën, winden, wouden, bloemen te ervaren, vermengden zich ermee en drukten zich door hen uit. Ze vermengden zich ook met dieren en maakten, met hen als voorbeeld, gedachtevormen: scheppen werd een spel, ze bootsten God na. Dit spel, die nabootsing verstoorde wat reeds in beweging gezet was. Wat reeds in beweging gezet was, verstrikte geleidelijk de zielen zodat ze in het plan van de evolutie der aarde gevangen werden in lichamen die ze zelf hadden geschapen.

(Dit is volgens het wetenschappelijke standpunt onbegrijpbaar, want het betrekt erbij de wet van relativiteit en de wetten van de atoomstruktuur die nog niet ontdekt werden. Nochtans is deze tijdspanne van de geschiedenis der aarde goed gedocumenteerd: dit is het tijdperk der fabels, toen goden en godinnen op aarde rondzwierven, bomen werden, uit rotsen spraken, in lichamen woonden van centauren, cyclopen en andere schepselen halfdierlijk, halfmenselijk.)

 Sex bestond reeds in het dierenrijk maar de zielen, in hun gedachtevormen, waren tweeslachtig.

Om te ervaren wat sex was, schiepen de gedachtevormen gezellinnen; ze zonderden de negatieve kracht af in een nieuwe gedachtevorm en behielden zelf de positieve. Die objectificatie kreeg de naam Lilith, de eerste vrouw.

 Sinds het begin bestond de mogelijkheid dat de zielen verstrikt zouden geraken in wat de mens ‘stof’ noemt. God wist niet dat het zou gebeuren, of wanneer, tot de zielen, uit eigen keuze, het deden gebeuren. Dan werd een uitweg uit die hachelijke toestand geschapen.

Een vorm werd gekozen als aangepast voertuig voor de ziel op aarde en een weg werd gebaand voor zielen die op aarde moesten komen om ze te ervaren als een deel van hun kringloop. De vorm die reeds bestond die de noden van de zielen het dichtst benaderde, was die van wat we de mensaap noemen. Zielen daalden neer over deze lichamen, hingen errond zonder ze te bewonen, en beïnvloedden ze opdat ze een andere weg zouden opgaan dan de eenvoudige weg die ze volgden. Ze kwamen uit de bomen, maakten vuur, werktuigen, leefden in gemeenschappen en begonnen omgang met elkaar te hebben. In een zeer korte tijd, zelfs volgens de menselijke tijdmeting, verloren ze hun dierlijk uiterlijk en hun beharing, ze kleedden zich en namen verfijnde manieren aan.

De zielen deden dit door de klieren tot er tenslotte een nieuwe aardbewoner was: de mens.

Hij verscheen als een bewustzijn in een dier. Weldra was hij op aarde zoals zijn patroon van objectifactie op aarde eiste: een beetje hoger dan de dieren, een beetje lager dan de engelen.

De verschijning van de mens, van zijn bewustzijn in de wereld, gebeurde tezelfertijd op vijf verschillende plaatsen, als de vijf rassen. Het blanke ras verscheen in de Karpaten, het gele in Tibet, het rode in Atlantis, het bruine in Lemuria, het zwarte in Afrika. Het verschil in kleur hield zich aan de wetten die reeds op aarde bestonden.

De aarde zouden we door middel van onze vijf zintuigen leren kennen, vijf wijzen van bewustzijn. Op die wijze moest de aarde ervaren worden en volmaaktheid moest bereikt worden in die vijf wijzen van bewustzijn. De rassen stelden die vijf voor.

Er waren in die nieuwe, zuivere rassen mannen en vrouwen en elk had een volledige ziel. Eva verving Lilith en vulde Adam aan, ze was de volmaakte gezellin voor het drievoudig leven op aarde: fysiek, mentaal en geestelijk. In Eva was de positieve pool onderdrukt en de negatieve uitgedrukt, in Adam was de negatieve pool onderdrukt en de positieve uitgedrukt.

De ziel had de keuze of man of vrouw te worden tenzij ze reeds ergens in verwikkeld was en onevenwichtig. Uiteindelijk moet het negatieve-positieve in evenwicht gebracht worden zodat er, fundamenteel, geen verschil is. Voor de zielen in evenwicht was dit een middel voor de duur van de kringloop op aarde. De keuze man of vrouw te worden was het vrijwillig aannemen van een houding, niet het gevolg van een zondeval.

De mens besefte, dankzij de komst van zijn bewustzijn, dat geslachtsgemeenschap voor hem meer betekende dan voor de dieren. Voor hem was het de deur waardoor andere zielen op aarde konden komen. Sex was de enige manier voor gevangen zielen om uit hun ongelukkige toestand te geraken. Sex was geen integraal deel van de schepping, van Gods mentale kracht, zoals bij de dieren. Sex handelde alleen (buiten Gods oorspronkelijke bedoeling) volgens het verlangen van de menselijke ziel. Het was een scheppende kracht die kon gebruikt worden voor het goede of het boze. Indien juist gebruikt, zou het ras zuiver blijven, de wereld zou een paradijs zijn voor zielen in volmaakte lichamen, en de gevangen zielen zouden geleidelijk bevrijd worden uit de kringloop van wedergeboorte in monsterachtige, halfdierlijke vormen en in volmaakte lichamen weerkomen.

Het plan van de aardse kringloop der zielen voorzag een reeks vleeswordingen, onderbroken door tijdspannen van verblijf in andere dimensies van bewustzijn in het zonnestelsel - de planeten - tot elke gedachte en handeling van het stoflichaam, met zijn vijf zintuigen en bewuste mentale kracht in overeenstemming waren met het oorspronkelijk plan voor de ziel. Als het lichaam geen hinder meer is voor de ziel, als zijn atomische opbouw zo kan vergeestelijkt worden dat het niet meer bestaat als stof, dan is de aardse kringloop teneinde en kan de ziel verdergaan nieuwe avonturen tegemoet. Die overwinning op het stoflichaam kan niet bereikt worden tot de volmaaktheid in de andere dimensies van bewustzijn in het stelsel bereikt is, want, volgens de wet van betrekkelijkheid, zijn ze, samen met de aarde, de totale uitdrukking van de zon en zijn satellieten.

Het mensenras werd aangemoedigd door een ziel die reeds tot God was teruggekeerd en die een gezel en medeschepper geworden was. De mens kent die ziel als Christus.  

De Christus ziel stelde belang in de hachelijke toestand van zijn broederzielen die op de aarde verwikkeld raakten. Na te hebben toegezien op de inkomst van de zuivere rassen, nam hij van tijd tot tijd zelf vorm aan om te handelen als leider van de volkeren die dikwijls in de war waren.

De zielen bewoonden in het begin de lichamen slechts lichtjes; ze herinnerden zich hun identiteit. Geleidelijk, leven na leven, werden ze aardser, minder mentaal, minder bewust van de mentale kracht. Ze herinnerden zichzelf in dromen, in verhalen, in fabels. Zo ontstonden de godsdienst en de kunsten der muziek, der getallen en der meetkundige figuren. Ze werden op aarde ingevoerd door de inkomende zielen; geleidelijk vergat men hun hemelse bron, juist zoals de bron van hun eigen verhaal en hun God vergeten werd.

Tenslotte bleef de mens met een bewuste mentale kracht die voorgoed gescheiden was van zijn individualiteit, die hij nu de onbewuste mentale kracht noemt. Hij voelde zijn eigen invloed aan en kon met zijn bewuste mentale kracht redeneren, want alle mentale kracht aan zichzelf overgelaten, zal Gods plannen uitvoeren.  

Zo bouwde de mens redenen op om te geloven in wat hij voelde waar te zijn, maar hij wist het niet meer door innerlijke kennis. Zo ontstond wijsbegeerte en godsgeleerdheid. Dan begon de mens rondom zich te kijken en ontdekte op aarde de geheimen die hij in zichzelf droeg maar niet langer met zijn bewustzijn kon bereiken. Zo ontstonden de wetenschappen.  

Het plan trad in werking. Van hemelse kennis daalde de mens af tot mystieke dromen, tot geopenbaarde godsdiensten, tot wijsbegeerte en godsgeleerdheid, tot de bodem bereikt werd en er geen verband meer was met wat hij had verlaten. Dan begon hij door middel van de rede, en met pijn, geduld en geloof, de beklimming van de terugweg. Atlantis en Lemuria zonken; beschavingen rezen en vielen; de mens was een beetje beter hier, een beetje beter daar. Hij zakte tot hij in het bewustzijn van de aarde ondergedompeld was; daarna begon hij langzaam te klimmen.  

De Christus ziel hielp hem. Als Enoch, als Melchisedek, werd Hij vlees en onderwees en leidde. Als die personen werd Hij niet geboren, stierf Hij niet, en Hij besefte dat Hij de mensheid de weg niet kon tonen zonder hen als voorbeeld te dienen. Hij kon niet in hun midden dalen en hen onderwijzen en verwachten dat ze Hem zouden volgen; Hij moest lijden en denken en de aarde ervaren zoals zij, en hun tonen hoe eruit te geraken.

Hij werd geboren als Jozef, opnieuw als Joshua, opnieuw als Jeshua, de helper van Ezra die de Bijbel herschreef, en uiteindelijk als Jezus. Hij toonde de weg; Hij werd de weg; Hij overwon de dood en het lichaam en keerde naar God terug, legde zijn ego van de wil neder en aanvaardde de kruisiging.

Dit alles weten we, we hebben het reeds gehoord. We kennen de wet van oorzaak en gevolg - we weten dat de vergissingen van het vlees in het vlees, de vergissingen van de geest in de geest rechtgezet moeten worden. We weten dat we aan het kruis niet kunnen ontsnappen, dat we het niet kunnen ontwijken. We weten dat we moeten terugkeren, terug vanwaar we komen.  

We weten dat de wereld vandaag aan de splitsing van de weg staat, daar waar de dalende krachten hun laatste stand houden tegen de krachten die zich draaiden en opwaarts trekken: dit is het donkerste uur, het uur voor zonsopgang. We stevelden daarop af sinds de eerste ziel naar beneden door de bomen keek, een bloem zag en ze wilde plukken.

Haat, vooroordeel, onwetendheid, misverstand, angst, geweld besluipen het land, de zee, de lucht. Andere dingen zullen volgen: honger, pest, wanhoop. Hier spreekt Cassandra niet; dit is niet het lezen van een geschrift op de wand. We kennen dit, we hebben het al eerder gehoord. We kennen de gruwelijke details.

 Nu rest ons niets dan te handelen; we kunnen er niet meer aan ontsnappen. Zij die de waarheid kennen, moeten ernaar leven; voor hen is dit heiliger en belangrijker dan een loopbaan, een tehuis, een eigendom of het geluk. Het is hun plicht.

 

Noten van de vertaler: 1.‘mind’ werd steeds vertaald als ‘mentale kracht’.

2. Christus bewustzijn: het bewustzijn van elke ziel van haar eenheid met God, ingeplant in de mentale kracht als een patroon wachtend op de wil om te ontwaken. (5749-14 §20)

 (vertaling: M. Vansteenkiste)