Lez.5745-1

  Lezing 5745-1

 Op de vraag van Gertrude Cayce wat in hoofdlijnen in de bewuste, onderbewuste en geestelijke krachten van een wezen gebeurt terwijl hij slaapt, antwoordde haar 'slapende' man, Edgar Cayce,  het volgende: ...

Bepaalde toestanden nemen plaats in de stoffelijke, bewuste, en de onderbewuste, alsook de geestelijke krachten van het lichaam.

In een ontleding van die staat, opdat we zouden begrijpen, moeten dan alle dingen behorende tot die verschillende factoren beschouwd worden.

 Ten eerste zouden we zeggen dat de slaap een schaduw is van een onderbreking in aardse ervaringen, de toestand die we de dood noemen want het stoffelijk bewustzijn wordt onbewust van de tegenwoordige toestand, met uitzondering van de toestand van de attributen die tezelfdertijd van de stoffelijke en onderbewuste of onbewuste of verbeeldingskrachten van het lichaam afhangen.

Dit wil zeggen dat in een normale slaap (we spreken nu vanuit het stoffelijk standpunt) de zinnen waken, als het ware; de gehoorskrachten zijn dan het gevoeligst. Het gehoor is een van de alzijdigste attributen of zintuigen, de materie in haar evolutie zich ervan bewust wordend in staat te zijn vanuit haar omgeving iets te nemen dat haar in haar huidige staat kan behouden. Dat geldt zowel voor de laagste als voor de hoogste levende voorwerpen of wezens. Van de laagste in de evolutie tot de hoogste, of tot de mens.

 Opdat het stoffelijke zou bewust zijn, blijven er dus wat we gewoonlijk de vier andere eigenschappen [zintuigen] noemen, die onafhankelijk en toch samen-werkend waarnemen. Die [vier] zijn zich onbewust van wat rondom hen gebeurt als het lichaam slaapt.

....De passieve organen, zij die niet nodig zijn voor bewuste beweging, zoals de hartslag, het metabolisme, blijven werken. Toch zijn er perioden gedurende zo'n rust dat we mogen zeggen dat zelfs het hart, de bloedsomloop rusten. Wat is er dan niet actief gedurende die periode? Wat we het waarnemingsvermogen noemen dat verbonden is met het stoffelijk brein. Vandaar mag het waarlijk gezegd worden, in analogie met wat voorafgaat, dat het gehoorzintuig onderverdeeld kan worden, en dat we horen door het gevoel, horen door de geur, horen door middel van alle zintuigen die zelf van de hersencentra niet afhangen, maar eerder tot de lymfecentra behoren. Doorheen het gehele sympathische zenuwstelsel is er een overeenkomst om bewuster, scherper te zijn, terwijl het stoffelijk lichaam en stoffelijk brein rusten, onbewust zijn.

 Dat zesde zintuig dan, zoals het kan genoemd worden in deze beschouwingen, neemt deel aan het begeleidend wezen dat steeds op wacht staat voor de troon van de Schepper zelf. Het kan getraind worden of verdrongen. Het kan ook aan zichzelf overgelaten worden tot het, ofwel oorlog met het Ik maakt, bij wijze van spreken, wat zich in een stoffelijke wereld uit als een ongemak, een ziekte, of temperament, of wat men droefheid noemt, of een knorrige bui; het brein antwoordt op om het even welke vorm die men wakker of slapend kan ontvangen, zoals een gestemde snaar  trilt volgens de manier waarop ze aangeslagen wordt.

 Het zintuig dat daarover heerst, kunnen we het andere ik van het wezen of de enkeling noemen. ... Er werd vastgesteld dat, in dezelfde omgeving en in dezelfde omstandigheden, een bepaalde lijn gevolgd door het andere ik steeds hetzelfde effect op hetzelfde individu heeft, (niet op zijn geest {mind} want zijn werkterrein ligt buiten het domein waar de hersenen normaal werken) maar niet op een ander individu. Dit zou er ons moeten toe leiden te begrijpen dat er een welbepaald verband is tussen wat we gekozen hebben het zesde zintuig te noemen, of handelen naar de gehoorkrachten van het stoffelijk lichaam, en het ander ik binnen het Ik.

 Zuiver stoffelijk gesproken vinden we dat het lichaam in slaap ontspannen is - het is weinig of niet strak. Dan verenigen zich de onwillekeurige activiteiten die afhangen van de organen onder het toezicht van het onder- of onbewuste ik met de krachten waarmee het lichaam zich voedde. Dan kan vastgesteld worden dat het andere ik van eenzelfde lichaam dat zich een periode met vlees en een periode met vruchten en groenten voedt, zich in het dromend ik anders uitdrukt. Zo ook heeft het niet dezelfde invloed op een andere enkeling die dezelfde omgeving en dezelfde omstandigheden deelt.

Genoeg voor het ogenblik.