Lez.3590-2
PERSONALITEIT EN INDIVIDUALITEIT
Edgar Cayce gaf
deze psychische “lezing”, 3590-2, op 26 januari 1944. De begeleidster was
Gertrude Cayce.
GC: Je zal een mentale en spirituele lezing geven voor deze entiteit, met
informatie, raad en leiding, die in de huidige omstandigheden nuttig zullen zijn
en daarbij de vragen beantwoorden, die kunnen gesteld worden.
EC:
Ja, we hebben het lichaam, de onderzoekende geest (mind), [3590].
We vinden dat we, om iets nuttigs te geven voor deze entiteit, vooral de
inhoud van de begrippen persoonlijkheid en individualiteit moeten ontwikkelen.
Persoonlijkheid is wat men, bewust of onbewust, voor anderen
tentoonspreidt om op die wijze gezien te worden. Of je “Goede morgen” zult
zeggen tegen Jim of John en Susan negeren of niet—dat betreft de
persoonlijkheid, omdat we het hier hebben over een bepaald verschil of over een
bepaald verlangen nodig te zijn voor hetgene anderen te bieden hebben.
Onder dezelfde omstandigheden is individualiteit het volgende: dit of dat
doe ik voor Susan of Jim of John omdat ik in het omgekeerde geval zou willen dat
Jim of John of Susan datzelfde voor mij zouden doen.
Het ene behoort tot het universele bewustzijn dat een deel is van de
activiteit van de ziel - entiteit. Het andere is het persoonlijke, of het
verlangen erkend te worden, of het verlangen dat het andere individu jouw
persoonlijke superioriteit erkent.
Dit zijn verschillen voor deze individuele entiteit.
Dan vindt de entiteit, bij de analyse van de mentale en spirituele
invloeden die hij in zijn leven ervaart – en indien hij een ogenblik met die
analyse wil ophouden – dat hij een lichaam heeft en een gedachtenwereld (mind)
waarin de hoop leeft op een eeuwige ziel, die steeds en voor eeuwig kennis zal
hebben van deze betrekkingen tot het universeel bewustzijn of God.
Kijk, om zelfs maar de naam te hebben een goede burger te zijn is het
noodzakelijk, zoals de entiteit in deze materiële wereld gevonden heeft, dat
men zich gedraagt naar zekere morele en strafwetten van de gemeenschap, van de
staat, van de natie. Welnu, indien de entiteit als ziel-entiteit, als burger van
het hemels koninkrijk, een voorbereiding nodig heeft, is het dan niet even
noodzakelijk dat hij zich gedraagt naar de wetten die gelden in dat spiritueel
koninkrijk waarvan de entiteit een deel is.
We
hebben een voorbeeld gehad: een burger van dat koninkrijk, de Zoon zelf heeft
het voorbeeld gegeven voor deze entiteit even goed als voor anderen.
Past het dan niet, dat de entiteit zou studeren om aanvaard te worden in dat
koninkrijk en daarbij gerecht de juiste nadruk zou leggen op al de fazen van
Zijn vermaningen, Zijn oordeel, Zijn geboden om aldus een goede burger te worden
in dat individueel koninkrijk?
Dit
zijn op zichzelf gewettigde redenen, indien men ervoor de tijd wil nemen, om een
duiding te geven aan wat men gelooft en hoopt.
Doe
dat [duiden] niet alleen in gedachte, maar materialiseer het ook. Schrijf het op
in drie verschillende kolommen: het fysieke – wat zijn de attributen van het
fysische lichaam? Ogen, oren, neus, mond – dit zijn de manieren of wijzen
waardoor de gewaarwordingen van het fysische lichaam gekend kunnen worden door
anderen, door het zicht, door het horen, door het spreken, door het voelen, door
het ruiken. Dit zijn toestanden van bewustzijn.
Dan zijn er de emoties van het lichaam. Deze komen in de kolom
“Mentaal”, ja – maar de emoties kunnen zowel onder de controle staan van
het lichamelijke als van het mentale of van beide. Welke zijn de mentale
attributen dan? Het vermogen om te denken, het vermogen om te handelen
tengevolge van een gedachte. Vanwaar komen die? Gebruik je daarvoor jouw
fysische vermogens? In veel gevallen doe je dat, maar je kan ook denken terwijl
je stilzit – je kan jezelf denken waar ook jouw bewustzijn een indruk naliet
op wat fysisch bestaat. Want je kan in jouw bureel zitten en jezelf thuis zien
en exact weten hoe jouw bed eruit ziet en wat je eronder liet toen je deze
morgen vertrok! Deze dingen zijn fysisch maar zeker niet materieel; en toch
beoordeel je ze door een parallel te trekken met die kennis, dat ziel – en dus
een ziel - lichaam. begrijpen.
Het spirituele Zelf is leven; de activiteit van het mentale [lichaam] en
van het fysische [lichaam] is [maakt deel uit] van de ziel - en aldus [spreken
we van] een ziel-lichaam.
Schrijf de attributen op van elk [lichaam] en wanneer en hoe je ze
gebruikt, en hoe je ze verandert. Wat is het ideaal van elk? Van jouw mentale,
jouw fysische en jouw spirituele of zielelichaam? Naarmate je zal groeien in
genade zal jouw individualiteit veranderen – tot je één wordt, zoals de
Vader en de Zoon en de Heilige Geest één zijn.
Op die manier groei je.
Studeer dan om door God aanvaard te worden, een werkman die niet
beschaamd is, die de woorden van de waarheid op de gerechte manier gebruikt, die
zich niet laat opmerken door de wereld, die niet veroordeelt, zoals je zelf niet
wilt veroordeeld worden. Als je bidt, bid dan zoals Hij geleerd heeft,
“Vergeef me zoals ik anderen vergeef.” Indien je dan veroordeelt of
oordeelt, doe het slechts zoals jij zou willen geoordeeld worden door jouw
Schepper.
Hiermee
eindigen we voor het ogenblik.
(vertaling
W. Vansteenkiste)