lez.262-52

DE EENHEID VAN ALLE KRACHT  - 

5. De basis is: Weet, O Israël, dat de Here, uw God, Eén is.

6. Steunend op deze premisse kunnen we zo redeneren:

Alle kracht die we waarnemen, alle macht, beweging, trilling, in wat voortdrijft, in wat tegenhoudt, komt, in zijn essentie, uit één kracht, één bron, één grondvorm. Wat de wezens met die krachten die te hunner beschikking stonden hebben gedaan, wat ze ermee hebben verwezenlijkt, dat is een andere zaak.

7. Hier gaat de vraag over de ene bron, de ene kracht.

8. God, de eerste oorzaak, het eerste beginsel, de eerste beweging, IS! Dat is het begin! Dat is, dat was, dat zal altijd zijn.

9. Wat uit die bronnen, krachten voortkomt, werkzaamheden die in overeenstemming zijn met de Scheppende Krachten of eerste oorzaak - met de wetten ervan - moet één zijn met de bron, of gelijk en toch gescheiden van die eerste oorzaak.

10. Wanneer dan kan de mens - als een element, een wezen, een afzonderlijk wezen - gemanifesteerd in stoffelijk leven en vorm, bewust zijn van de beweging van die eerste oorzaak rondom zichzelf?

11. Of, indien we de mens in zijn huidige toestand of bewustzijn beschouwen, hoe of wanneer kan hij bewust zijn van de beweging van die eerste oorzaak binnen in het rijk van zijn bewustzijn?  

12. In het begin was er de kracht die aantrok en de kracht die afstootte. Zo werd de mens bewust van wat we kennen als de atomische of cellulaire vorm van beweging waarrond een nevelachtige werkzaamheid ontstond. En dat is de laagste vorm (zoals de mens die zou aanduiden) van actieve krachten in zijn ervaring. Nochtans is juist die beweging die de krachten in atomische invloed scheidt, de eerste oorzaak, of de uiting van wat we, in het stoffelijk vlak, God noemen.  

13. Naarmate ze [de beweging) negatieve en positieve krachten in hun werkzaamheid vergadert, ongeacht van welk element of rijk, verhoogt haar kracht of verhogen haar bronnen in het heelal.

14. Daaruit ontstaan de werelden, zonnen, sterren, nebuleuzen, en volledige zonnestelsels, BEWEGEND uit een eerste oorzaak.

15. Als die eerste oorzaak in de ervaring van de mens in het huidige rijk komt, wordt hij verward, daar hij een invloed blijkt te hebben op die kracht of macht, hij kan ze beheersen. Ja zeker; op de manier dat een spiegel het licht weerkaatst. Want de mens kan slechts een weerkaatste macht hebben over die krachten die zich tonen door de werkzaamheden, -ongeacht in welk rijk de mens op dat ogenblik gedoken is, zij het in de nebuleuzen, de gasachtigen of de elementen die in hun werkzaamheid samen zijn gekomen in wat de mens tijd of ruimte noemt. En wat door die beweging ontstond, wordt een deel van hetgeen waarover de eerste oorzaak zich bekommert in een eindig bestaan of bewustzijn.

16. Aldus, naarmate de mens zich toelegt - of gebruikt hetgene waarvan hij bewust wordt in het rijk van werkzaamheid, en dit in zijn bewustzijn toeschrijft aan de juiste sfeer of het juiste rijk, dan beseft hij dat de oneindige en de eindige krachten één zijn.  

17. Aldus, door de vruchten - zoals dikwijls gezegd, zoals de vruchten van de geest - wordt de mens bewust dat het oneindige alle werkzaamheden van de krachten der materie doordringt - of een uitdrukking is van het rijk van het oneindige in het eindige - en het eindige wordt ervan bewust.

18. Wat betreft de toepassing van die waarheden:

19. Wanneer de mens - in zichzelf door het vermogen dat hij kreeg in zijn werkzaamheden op het stoffelijk vlak - zijn wil één maakt met de wetten van de scheppende invloed, beginnen we met:

20. Soort brengt soort voort; zoals we zaaien, zullen we maaien; zoals de mens in zijn hart denkt, zo is hij.

21. Voor de meesten van ons, denkende mensen, zijn dit afgezaagde gezegden; maar mocht de mentale kracht van de enkeling (de eindige mentale kracht) zich in zichzelf keren en nadenken over die afgezaagde gezegden tot hij ze begrijpt, dan wordt hij, in het eindige, bewust van de beweging van het oneindige op en in het innerlijke zelf.

22. Zo begint het leven in al zijn kracht op aarde. De beweging van het oneindige op de negatieve krachten van het eindige in het stoffelijke wordt de uitdrukking van een kracht.

23. Klaar voor vragen.

24. V. Leg uit hoe zogenoemde goede en boze krachten één zijn.

A. Dit werd juist uitgelegd. Wanneer kracht afgestaan wordt aan iemand die zich van de geest heeft afgescheiden (of komend van het onzichtbare tot het zichtbare, of van het onbewuste tot het stoffelijk bewustzijn, of uit Gods andere deur - of opening van het oneindige op het eindige) wordt die werkzaamheid leven genoemd, samen met de wil van de bron van wat ontstaat [afgescheiden kracht + wil = leven). Wat hij doet met de associatie tussen zichzelf en de bron van zijn werkzaamheid, hoe ver hij kan mislopen, hangt af van hoe hoog hij geraakt is in zijn vermogen de negatieve en positieve krachten af te werpen.

Vandaar het gezegde: Hoe hoger men vliegt, hoe lager men valt.

Dat wat zich afscheidde om een lichaam te worden, zij het hemels, aards of gewone klei die zich in haar werkzaamheid uit als mens, wordt goed of slecht. Dit hangt af van wat hij doet met de kennis, of met de bron, van de werkzaamheid.

25. V. Met betrekking tot de Eenheid van alle kracht, leg het volks idee "duivel" uit, schijnbaar bevestigd door vele passages in de Bijbel.

A. In het begin, hemelse wezens. We hebben eerst de Zoon, dan de andere zonen of hemelse wezens die hun kracht en macht ontvangen.

De kracht die in de onzichtbare krachten (of in de geest) in opstand kwam, die werkzaam werd, was de invloed die Satan, de duivel, de slang genoemd werd; die zijn één. De invloed van opstand.

 Als de mens in enige werkzaamheid in opstand komt tegen de invloeden van het goede, dan luistert hij eerder naar de invloed van het boze dan naar de invloed van het goede.

Vandaar krijgt de mens, die zich in de stoffelijke krachten uit, een wil, om te kunnen kiezen. Zoals reeds werd gegeven : "Voor u wordt het goede en het boze gezet."

Het boze is opstand. Goed is de Zoon van het Leven, van het Licht, van de Waarheid;  en de Zoon van het Licht, het Leven en de Waarheid kwam als stoffelijke wezen om de mens de weg te tonen en hem te leiden tot de opgang van goed over kwaad in deze stofwereld.

Zoals er een persoonlijke redder is, zo is er ook een persoonlijke duivel.

 26. Genoeg.

(vertaling: M. Vansteenkiste)