De Wetten van het Leven
Lezing 1567-2 gegeven door Edgar Cayce op 26 mei 1938 voor een vrouw van 52
jaar.
Gids: Gertrude Cayce
Ja, we hebben de archieven van het wezen nu (1567) genoemd.
Ze mogen, volgens ons, zeer mooie geschriften genoemd worden, en toch zijn
ze op sommige punten zo, dat men zich kan afvragen waarom iemand die zo ver
gevorderd was in sommige ervaringen nu zo weinig in het voetlicht staat of op de
voorste plaats voor diezelfde punten.
Men kan dit misschien begrijpen door de studie van de verschillende
ervaringen met het oog op "dienst". Want denk eraan dat God naar het
hart kijkt, en niet zoals de mens, naar het uiterlijk.
Vandaar komt het dat het wezen zelfs lessen kan trekken uit die gevoelens,
die aangeboren driften die zich willen uitdrukken. Want door geen uitweg te
vinden, worden die invloeden als het ware inwendig aangevallen.
Indien ze gebruikt werden, zou het wezen nog vrede kunnen vinden, een
uitdrukkingsmiddel dat vreugde zou brengen.
Als u een uitleg probeert te vinden, vergeet niet dat die ervaringen gekozen
werden om u te helpen.
Een ervaring is niet alleen iets wat gebeurt - belangrijk is hoe u er
mentaal tegenover staat. Hoe beïnvloedt de ervaring u ? Hoe neemt u erdoor een
meer hoopvolle houding en een meer helpende natuur aan in uw leven, in uw
gewoonten, in uw omgang met anderen?
Dit zijn de criteria van elke individuele ervaring - oprechtheid van doel,
van verlangen; de volledige wet toepassen in de werkzaamheden - en die wet is de
Heer uw God te beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met al uw
krachten en uw naaste gelijk uzelf.
Dit is de volledige wet. Alle andere dingen die men zegt of schrijft zijn er
de uitleg van.
Wat houdt dit in? Op welke grond rust die redenering? Waarom komt iemand op
een bepaalde tijd aardse ervaringen opdoen?
Het antwoord op die vragen is de achtergrond waarop het Waarom uitgelegd
wordt.
In de ervaringen van elke ziel, elk wezen, elk lichaam zijn er verborgen
driften.
Eerst beginnen we met het feit dat God IS en dat de hemel en de aarde en de
hele natuur dit verkondigen. Op dezelfde wijze als er in elk hart een verlangen
is naar een onafgebroken leven.
Wat is het leven dan? Zoals reeds gezegd, in Hem leven we, bewegen we,
bestaan we. Hij, God, IS. Of het leven in al zijn ontwikkelingstrappen,
uitdrukkingen, is een openbaring van de kracht of macht die we God noemen of die
God genoemd wordt.
Het is is onafgebroken. Want die kracht, macht die de aarde, het heelal en
al de invloeden erin deden ontstaan, is iets dat voortduurt - een eerste
premisse.
Alle glorie, alle eer is dus verschuldigd aan die scheppende Kracht die in
onze ervaringen kan geopenbaard worden door de manier waarop we onze medemensen
behandelen.
Als onze geliefden, zij naar wie ons hart verlangt, ons ontnomen worden,
vragen we ons af wat we moeten geloven.
Het antwoord daarop ligt in Zijn belofte, dat God niet heeft gewild dat een
ziel zou verloren gaan, want bij elke verleiding, elke beproeving, elke
ontgoocheling voorzag Hij een uitweg of een verbetering.
Dit is niet alleen een manier van rechtvaardiging, door het geloof, het is
een manier om te weten, te beseffen dat Hij zich zorgen maakt over die
scheidingen, die ontgoochelingen.
Want afwezigheid uit het lichaam is aanwezigheid bij dit bewustzijn, dat we
als enkeling als God aanbidden. Want wat we aan de kleinsten onder ons, aan onze
medewerkers, aan onze kennissen, aan onze knechten doen, dag na dag, dat doen we
aan onze Schepper.
U kan zich afvragen waarom we dan in deze vallei, in deze ervaring, of in
dit bewustzijn komen, waar ontgoochelingen, vrees, proeven voor lichaam en
gemoed (mind) boven al de waarneembare gloriën schijnen te stijgen.
In het begin, toen de individuele wezens in leven werden geroepen, werden we
geschapen om gezellen van God de Vader te zijn.
Vlees en bloed kunnen het eeuwig leven niet erven - alleen de geest, alleen
het doel, alleen het verlangen - kan dit erven.
Die fout gemaakt door individuele werkzaamheid - niet door een andere, maar
onze fout, individueel gezien - scheidde ons af van dit bewustzijn.
Vandaar komt het dat God door het vlees een weg voorbereidde waar zich alle
ontwikkelingstrappen, geestelijke, mentale en lichamelijke, zouden kunnen
uitdrukken.
De aarde is dus een uitdrukking van drie dimensies, drie fasen of drie
manieren. Zoals de Vader, de Zoon en de Heilige Geest één zijn; zo ook zijn
ons lichaam, ons gemoed (mind) en onze ziel één in Hem.
We hebben gezien, we weten dat de Zoon het mentale voorstelt,
vertegenwoordigt.
Hij, de Zoon, was in de aardse aarde, zoals wij, en toch was Hij de Godheid.
Vandaar komt het dat het mentale zowel stoffelijk als geestelijk is en in
onze ervaringen bezit neemt van zijn omgeving, zijn verlangen.
Het gemoed (mind), zoals Hij, was het Woord - en woonde onder ons, en we
aanschouwden Hem als het aangezicht van de Vader.
Zo is ons gemoed (mind) geschapen, zo ontwerpt ons gemoed (mind) zoals Hij,
en IS de bouwer.
Waar ons gemoed (mind) steeds aan denkt, wat we ons gemoed (mind) voeden,
dat voedsel geven we ons lichaam en, ja, onze ziel.
Vandaar dat al deze elementen de achtergrond zijn, als het ware, voor de
uitleg van onze ervaring, van onze verblijven op aarde.
Want de astrologische of betrekkelijke stand van de aarde (onze thuis) is
niet het middelpunt van het heelal, is niet het middelpunt van onze gedachten;
het koninkrijk van de Vader, het koninkrijk der Hemelen is in ons. Waarom? Omdat
ons gemoed (mind), de Zoon, in ons is.
Dan, bewust zijnde van Hem, kunnen we begrijpen wat Hij zei: "Je
verblijft in mij, zoals ik in de Vader - Ik zal in u komen wonen."
Daar de aarde haar drie dimensionele ontwikkelingstrap van onze ervaring in
ons zonnestelsel bezet, en daar elk van de planeten in het zonnestelsel een trap
van ons bewustzijn voorstelt (de elementen van ons begrip of onze zintuigen) zo
heeft elkeen op zijn plaats, in zijn plan, een verwantschap met ons, zoals ons
verlangen naar stoffelijk voedsel, d.i. voedsel voor het lichaam met al zijn
eigenschappen, met alle mogelijkheden eruit te nemen datgene waarmee we ons
voeden en dit te veranderen in de elementen voor ons lichaam.
Alle elementen waarmee we ons voeden, bouwen bloed, beenderen, haar, nagels,
het gezicht, het gehoor, het aanraken, het gevoel, de uitdrukking.
Waarom? Omdat ze leven krijgen door de aanwezigheid van de geest van de
Scheppende Kracht (in ons).
Zo neemt ons gemoed (mind) en zijn eigenschappen datgene waaruit we ons
mentale ik voeden en vormt ons idee van onze verwantschap met die dingen die
tegen Zijn verlangen ingaan of die niet met de algemene Wet overeenstemmen- dat
is de Vader beminnen met ons gemoed (mind), ons lichaam, onze ziel, en onze
naaste gelijk onszelf.
Al deze astrologische invloeden getuigen, of zijn als aangeboren invloeden,
van onze werkzaamheid, van ons verblijf in een ervaring. Niet omdat we met de
zon in dit of dat teken geboren zijn, niet omdat Jupiter of Mercurius of
Saturnus of Uranus of Mars opkomt of ondergaat, maar wel omdat we geschapen
werden, een beetje lager dan de engelen die Zijn aangezicht altijd aanschouwen,
om Zijn gezellen te zijn, mede-erfgenamen met Hem die de Redder, de Weg is.
We hebben ze (de astrologische invloeden) teweeggebracht door onze
werkzaamheden in onze ervaringen in die rijken. Zo getuigen we van werkzaamheid,
door IN een bepaalde stand te zijn, wegens onze werkzaamheid, wegens ons
verblijf in die omgeving, met betrekking tot de universele krachten .
Vandaar getuigen zekere driften, niet buiten onze wil, maar beheerd door
onze wil.
Want zoals werd gegeven: elke dag stelt men voor u leven en dood, goed en
kwaad. Wij kiezen volgens onze natuur. Indien onze wil gebroken werd, indien we
bevel kregen dit of dat te doen, of om een robot te worden, dan verloren we onze
individualiteit en zouden we in Hem zijn zonder bewustzijn, zonder ons ervan
bewust te zijn dat we met Hem één zijn, en dat we zelf kunnen kiezen.
Want we KUNNEN, zoals God, "ja" zeggen tegen dit, "nee"
tegen dat. We kunnen dit of dat in onze ervaringen bevelen, door de gaven die we
ter onze beschikking hebben ontvangen. Want we zijn inderdaad werkers,
medewerkers in de wijngaard des Heren, of van degenen die Zijn komst vrezen.
En elke dag kiezen we wie we willen dienen. We laten ons merkteken na in de
geschriften van tijd en ruimte terwijl we door Zijn koninkrijk trekken.
Dan beïnvloeden ze ons, rechtstreeks of onrechtstreeks, op de manier waarop
we ons voor een bepaalde invloed verklaren in deze stoffelijke ervaring. Onze
besluitvorming dit of dat te doen is beïnvloed (door die geschriften in tijd en
ruimte, door vorige werkzaamheden).
(vertaling: M. Vansteenkiste)