Kwaad
HET KWADE IN
DIENST VAN MENSELIJKE ONTWIKKELING
door Johanna van Zwet
Evenals vele
anderen heb ik in de afgelopen weken de TV-beelden van etnische zuivering en
bombardementen met gemengde gevoelens aan mij voorbij laten trekken. En alsof
deze portie geweld en wreedheid nog niet voldoende is, voegen zich daar nog
dagelijk andere gruwelen aan toe.Het nieuwsbericht maakt dagelijks melding van
de medeogenloze mens die zich in kille wreedheid ontpopt. Is het mogelijk, zo
vroeg ik mij af, om zonder angst, cynisme, of erger nog: onverschilligheid, te
reageren wanneer gewelddadige gebeurtenissen zich als een giftige cocktail aan
ons presenteren? Ik snakte geestelijk naar adem, en besloot dan ook inspiratie
op te doen bij de werken van twee geliefde geestelijke leiders: Edgar Cayce’s
“A Search For God” (vert.: “Een Zoektocht Naar God”) en Kahlil Gibrans
“De Profeet”.
Zowel Cayce
als Gibran spreken over misdaad en over het kwade. Beiden bieden een hoopvol
perspectief als het gaat om menselijke barbaarsheid. Sterker nog, ze beweren dat
goed en kwaad, dag en nacht, deel uitmaken van de menselijke ervaring, en een
groter doel dienen. En laat ik daaraan toevoegen dat dit grotere doel ons begrip
te boven zal gaan indien we het niet nadrukkelijk proberen te begrijpen. Maar
als de recente gruwelen iets hebben losgemaakt, dan is het wel een drang naar
duiding, een zoektocht naar zin. Nu meer dan ooit hebben we er behoefte aan
boven onze initiële angst uit te rijzen om opnieuw geloof en hoop in onze armen
te sluiten. Laten we eens kijken wat deze beide mystici over de mensheid te
zeggen hebben.
Het beeld
dat Cayce en Gibran van de mensheid schilderen is er een van verbondenheid. We
zitten als het ware met z’n allen in het zelfde schuitje. Dat betekent dat we
moeten denken in termen van menselijke verbondenheid, in plaats van verschillen
tussen mensen. Beide leiders spreken over de mensheid als een eenheid, als een
enkele organisme:
We zouden onszelf nooit moeten toestaan ons gescheiden en apart te
voelen van God en van onze medemensen; want hetgeen onze naaste aangaat
aan
de andere kant van de wereld gaat ons aan. (Cayce in “A Search For
God”)
Een enkel blad (kan niet) geel worden zonder het stille medeweten van
de
ganse boon.(Gibran in “De Profeet”)
Maar waarom,
vroeg ik me toen af, worden de metaforische bladeren uberhaupt geel, en wat word
ik dan geacht te doen?
Op deze
vraag biedt Cayce’s filosofie een antwoord. Hij legt uit dat alle zielen in
het begin een waren met de Vader. Ze waren allen gezegend met vrije wil. Enkelen
van deze zielen kozen ervoor om zich af te keren van het Licht en brachten zo
het kwade op het toneel. Ze wisten echter niet dat ze niet langer meer in een
gezegende toestand verkeerden. Er was dringend behoefte aan een manier om de
zielen tot die gewaarwording te brengen. Dat is de reden voor de fysieke
ervaringswereld. Door het meemaken van gebeurtenissen in de tastbare wereld
worden zielen zich bewust van hun afscheiding van de spirituele wereld. Door
ervaring, door lijden, door conflicten en overwinningen, en door liefde en
dankbaarheid leert de ziel onderscheid te maken tussen dag en nacht, licht en
donker, goed en kwaad. De ziel moet leren echte waarden te plaatsen waar ze
horen. Het doel van de ziel op aarde is om de aard van zijn relatie tot de
Schepper te leren begrijpen en zodoende meer en meer in het Licht te leven.
Maar waar
bevinden wij ons dan, stelde ik mij de vraag, hoe ver nog tot het Licht? Laten
we, om deze vraag te beantwoorden, eens kijken wat Gibrans visie is op de reis
van de mens. Gibran legt uit dat ons goddelijk zelf voor altijd onbesmeurd
blijft. Maar hij voegt daar meteen aan toe dat ons goddelijk zelf niet de enige
is die in ons verblijft. Veel in ons is nog mens, en veel in ons is nog niet aan
het mens-zijn toe, “maar een vormloze dwerg die slaapwandelt in de nevel,
zoekend naar zijn eigen ontwaken”. Zolang we dwergen blijven in de mist, maken
we geen onderscheid tussen goed en kwaad, tussen wreedheid en liefde. Maar zodra
we ons ontwikkelen als mens, worden we hoe langer hoe meer gevoelig en groeit
ons onderscheidingsvermogen. Barbaarsheid en gruweldaden beginnen op ons in te
werken. De mens in ons is het die kennis heeft van misdaad. Ontwikkelen we ons
dan nog verder, dan breekt uiteindelijk de dag aan van ons god-zelf en zien we
alle daden in het volle licht. Gibran zegt daarover:
Alleen dan zul je weten dat de rechtopstaande en de gevallen dezelfde
man
zijn, die in de schemering staat tussen de nacht van zijn dwerg-zijn en
de dag
van zijn god-zelf. (“De Profeet”)
Wat kunnen
wij, die met gestokte adem een wereld aanschouwen van wrede oorlogsvoering en
willekeurige moordpartijen, nu aanvangen met deze perspectieven? Cayce adviseert
ons om onverminderd door te zetten, want
Gods plan voor de wereld zal niet omvergeworpen worden (“A
Search For God”)
We waren een
met de Vader in het begin, en zullen een zijn met Hem aan het einde. Duistere
gebeurtenissen vormen de aanzet tot een ommekeer in ons opdat we het licht
opnieuw waarderen en omhelzen. Ze sporen ons aan echte waarden te plaatsen waar
ze horen. En als we dan uiteindelijk begrijpen wat de aard is van onze relatie
tot de Schepper en tot elkaar, dan aanschouwen we tezamen de glorieuze dageraad
van ons goddelijke zelf.
Johanna
van Zwet is auteur van het boek “My Kids Grow and So Do I”, over
spiritualiteit en ouderschap, gebaseerd op de Cayce readings. Zij woont
momenteel in Geel.