Marc M. Braet

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

 

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

1994

 

 

 

 

 

 

DE  DICHTER

 

de dichter schrijft

met zijn vinger op water

hij zwemt onder water

en kan er blijvend in wonen

 

hij proeft het brandende zout

schilferend licht

wat leeft in een schelp

en erbuiten

dat alles beschrijft hij

de dichter

 

:/……

 

 

 

 

bij machte  is hij

de dag te doen opstaan

te kleuren naar wens en begeerte

 

zijn woorden kunnen hoog en massief

een vuurtoren toveren uit de kliffen van taal

of de droom van Atlantis

zingende vissen in goud geverfd

flessen met blauwe brieven gevuld

van verliefden die schipbreuk leden

en zwalpende vlammetjes zijn

rondom onbewoonde eilanden

 

ja

dat alles vermag hij

 

ook kan de dichter een lied zingen

dat het hart beroert

hij kan een stamp geven

tegen het vermolmde wrakhout

dat het onrecht recht houdt

dat de dingen bij naam niet durft noemen

 

misschien ook  kan hij bewegen

tot het omhelzen van een mens

maan    kind    bloem    gedicht    zon

 

misschien

 

(14.IX.1992)

LE  POèTE

 

le poète écrit

le doigt sur l’eau

il nage sous eau

et peut y habiter à  demeure

 

il goûte le sel brûlant

la lumière écaillée

la vie dans une coquille

et en-dehors

il décrit tout cela

le poète

 

:/……

 

 

 

 

il est à même de

faire lever le jour

de le colorer à volonté   et  à souhait

 

ses mots peuvent faire apparaître un phare

haut et massif    des falaises de la langue

ou le rêve d’Atlantide

des poissons chantants teints en or

des bouteilles remplies de bleus messages

d’amoureux naufragés

et des flammèches zigzagant

autour d’îles inhabitées

 

oui

tout cela    il le peut

 

le poète peut aussi chanter une chanson

qui émeut le cœur

peut frapper du pied

l’épave vermoulue

qui justifie l’injustice

et n’ose citer les choses par leur nom

 

peut-être même peut-il inciter

à embrasser une personne

lune    enfant    fleur    poème    soleil

 

peut-être

 

(14 IX 1992)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

Er  bestaat

 

ergens een vlakte

van kleine woorden

vingers als kreupel hout

breekbaar en angstig

 

ergens een boek

met honderdduizend woorden

maar   ik ben ze vergeten

 

er is

een vlakte van liefde

Il  existe

 

une plaine

de petits mots

doigts fragiles   et angoissés

pareils à un taillis écorché

 

un livre

de cent mille mots

je les ai oubliés

 

il existe

une plaine d’amour

 

 

 

Van reizen berooid

 

huis uitgegaan

beginpunt van wegen

met woorden betast

in regen gestaan

 

de wereld bleef rond

de hemel zo hoog

vraag legde zich

als steen   op zijn mond

 

van reizen berooid

hij naar Tampiko drijft

boot met de vlag

van liefde getooid

Enivré de voyages

 

quitté le domicile

départ de chemins

touché par des mots tactiles

debout sous la pluie

 

le monde demeura rond

si haut le firmament

la question    comme une pierre

se posa sur sa bouche

 

enivré de voyages

il dérive vers Tampiko

le pavillon  du bateau

orné d’amour

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

Wonderbaar

 

wonderbaar

wonderbaar

mooi dat sterren zijn

gemorste melk op blad van glazuur

 

en

ieder uur

dat men te vloeken staat

en met zijn hand wild door de melkweg slaat

(ach  nee   dat doet geen pijn)

hoogstens sta je verbaasd

hoe wonderbaar ver

sterren zijn

Miraculeusement

 

miraculeuses

miraculeusement

belles  les étoiles

une feuille émaillée de lait éclaboussé

 

et

à chaque heure

de jurons

où l’on frappe sauvagement dans la voie lactée

(oh  non   ça ne fait pas mal)

tu es tout au plus étonné

combien miraculeusement éloignées

sont les étoiles

 

 

In het bed van de nacht

 

met

bergen  die nooit op reis gaan

met zee  doelloos  rustig vertellend

met van de warme wind lispelende tongen

 

wij

hebben   in het bed van de nacht

naar een witte maan liggen kijken

van ons hart boordevol Mozart

zo slapeloos de linkervleugel

nacht was blauwe druiven

vrouw die zacht ademt

rose wolken als flamingo’s

wandelden op het water

 

kijk

nu verschuiven de sterren

wanneer ze verbleken  later

in de nieuwe morgen

wij zullen er nog zijn

gele gordijnen

boordevol zomer

Dans le lit de la nuit

 

avec

les montagnes qui jamais ne voyagent

avec la mer babillant sans but tranquillement

avec les langues murmurantes du chaud vent

 

nous

dans le lit de la nuit

avons regardé une lune blanche

le cœur  débordant de Mozart

l’aile gauche  sans sommeil

nuit de raisins bleus

femme respirant doucement

des nuages roses comme des flamingos

se promenaient sur l’eau

 

regarde

les étoiles glissent

quand elles pâliront plus tard

à l’aube nouvelle

nous serons là encore

les rideaux jaunes

débordant d’été

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een prent met een kanon

 

gooi

de verf van woorden

tegen de slapende muur

een ruiter van zwart

 

zelfs

in de handdruk

van vergeten diplomaten

een prent met een kanon

uit vergeelde jaren

 

o

paardje

wie bezit dezelfde heupen

van droomhout

hooglied voor later

Une image avec un canon

 

lance

la peinture de mots

contre le mur endormi

un cavalier en noir

 

même

dans la poignée de main

de diplomates oubliés

une image   avec un canon

d’années jaunies

 

oh

petit cheval

qui possède tes hanches

en bois de rêve

cantique    pour plus tard

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

Van zoete olie

 

liefde

om te verklaren plechtstatig

onberekend geluid van een nieuw alfabet

nieuwer van blinkend geluk  en woordwielen

die bruggen aanrollen naar een stamelend gebaar

 

liefde

om van te proeven

om dronken te worden

liefhebben is liefde ademhalen

en   sprekend met de handen

woorden overbodig maken   en onzichtbaar

(zichtbaar mogen alleen nachten zijn

waar geen angst aan tafel zit

maar onvangbaar door de ruiten drijft)

 

liefde

om in te zwemmen

met geoefende gebaren

van blauw en wit   en het bewegen

van zoete olie in een nachtgelaat

geen zee is dieper

en minder hoogblauw

minder hooghartig   maar even beweeglijk

voor wie door een ontbladerde mond

papieren woorden spreekt

 

liefde

om in te verdrinken gelukzalig

en   als je verdrinkt   laat het geen sporen na

hoogstens een begin van artereo sclerose

maar   doodgaan   is liefde eeuwig maken

 

liefde

is goed

liefde is wetmatig

er blijft liefte te over

huîle  douce

 

l’amour

à déclarer avec solennité

alphabet original au son inné

bonheur étincelant insoupçonné à roues de mots

qui roulent des ponts vers un geste balbutié

 

l’amour

à goûter

s’en enivrer

aimer est respirer l’amour et

parlant avec les mains

rendre les mots superflus et invisibles

(seules les nuits pouvant être visibles

où nulle peur n’a place à table mais

glisse insaisissable à travers les vitres)

 

l’amour

pour y nager

en mouvements exercés

de bleu et blanc   et

en remous d’huîle douce dans un visage nocturne

nulle mer n’est plus profonde

et moins bleue-roi

moins fière mais aussi mouvante

pour qui par une bouche effeuillée

parle en mots de papier

 

l’amour

pour s’y noyer bienheureux

et quand l’on s’y noie  il ne laisse nulle trace

tout au plus un début d’artériosclérose

mais   mourir  est rendre éternel l’amour

 

l’amour

est bon

loyal

l’amour abonde

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het zachte oe- oe

 

grote

lege zeeschelp

aan de kom van mijn mond

je hoort me vertellen

boven het ruisen der branding

ik spreek je in zeewier

in gebroken wit schuim

in oranje sterren

mijn handen maken een zon uit papier

een nieuwe wereld

een gekleurd verhaal

 

blijf

me naruisen

grote holle zeeschelp

op het strand van haar hart

zul je mijn liedjes vertalen

zij zal   altijd   altijd   luisteren

naar het zachte  oe-oe  van je zeestem

le  doux  ou-ou

 

grand

coquillage creux

à la cavité de ma bouche

tu m’entends relater

par-delà le murmure du ressac

je te parle en algues marines

en écume brisée

en étoiles oranges

mes mains font un soleil en papier

un monde nouveau

une histoire en couleurs

 

perpétue

mon murmure

grand coquillage creux

sur la plage de son cœur

tu traduiras mes vers

elle   toujours elle écoutera    toujours

le doux ou-ou de ta voix de la mer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

Geen eindstation

 

geen

eindstation

geen halte waar tijd bleef stilstaan

blinde treinwagon

waar alles  regelmaat  en  grijs is

men oneindig wijs is

geen dromen  nog worden geboren

 

liever

tot de dag van morgen behoren

grenzeloos wijd en blauw

de haven uitvaren

met gedoofde lichten desnoods

maar leven

hartstochtelijk leven  en  groot

voor de zon  rond als brood

de vrouw die ons hart is

de mens onze smart is

voor al het geluk

dat een mond moet bezingen

 

geen

eindstation

geen halte tussen nutteloze dingen

maar op de wijzers van de zon

gaan staan

en springen

Pas de terminus

 

pas

de terminus

pas de halte où  le temps s’arrêta

wagon aveugle

où tout est régularité et gris

où l’on est infiniment sage

où il ne reste plus de rêves à naître

 

plutôt

appartenir au jour de demain

infiniment étendu et bleu

appareiller

lumières éteintes s’il le faut

mais vivre

passionnément et grand

pour le soleil rond comme du pain

pour la femme notre cœur

l’homme notre douleur

pour tout le bonheur

qu’une bouche doit chanter

 

pas

de terminus

ni de halte parmi les choses inutiles

mais sur les aiguilles du soleil

aller se placer

et sauter

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

Tot aan de grenzen

 

zo

bleef regen

niets meer dan tijdelijkheid

waardoor wij hand in hand liepen

naar grenzen zonder land

 

riepen

zwarte wolken ons toe

halt te houden

maar schroeiend dreven wij

in ons brandpunt mee

ondeelbaar

als een schilderij van Klee

 

bleef

regen

een tussentijdig lied

terwijl we lachend liepen

doorheen hernieuwd gebied

door zon en bloem bekoord

tot aan de grenzen

van een droevig woord

Jusqu’aux frontières

 

ainsi

la pluie ne fut

rien de plus que temporalité

par où nous courions     main dans la main

vers des frontières sans terre

 

nous criaient

des nuages noirs

de nous arrêter

mais nous étions emportés

brûlants dans notre focale passionnée

indivisibles

tels une peinture de Klee

 

la pluie

continua

une chanson par intervalles

nous courions en riant

à travers une contrée renouvelée

séduits   par soleil et fleurs

jusqu’aux frontières

d’une désolante parole

 

Donkeroogje

 

duiven

opstoven  als wit poeder

bedekkend het duister verdriet

 

regen

hem vergezelde wanhopig

beelden bevroren tot oorlog

dravend het dartele veulen

op poten uit glas

 

donkeroogje

eenzamer lerend

echt verdriet later opduikt

als je alleen bent met twee

Petit oeil noir

 

des pigeons

tourbillonnèrent   tels une poudre blanche

couvrant le sombre chagrin

 

la pluie

l’accompagna   désespéré

les statues se congelèrent en guerre

le poulain folâtre passa au galop

sur pattes de verre

 

petit-œil-noir

se vit plus solitaire

d’apprendre que le véritable chagrin

remonte quand on se trouve seul d’une paire

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

Binnen een zingend binnenrijm

 

zou

willen dat maan zuiver zilver is

dromen   dromen blijven

de vis

louter lichaam in de bolle bokaal

van handen

een levend vokaal

 

zou

willen dat bliksem inslaat

ze in lichterlaaie staat van liefde

zon haar brandmerkt voor altijd

 

zou

willen dat ze nooit

de bittere beet proeft van de dood

 

zal

haar levend houden

binnen een zingend binnenrijm

zij

springfontein  en roder rood

waar pijn  de tijd ontvlucht

en tijd  de prille pijn

Dans une rime intérieure chantante

 

je voudrais

que la lune soit de pur argent

que les rêves   restent des rêves

le poisson

un simple corps dans le bocal

bombé des mains

une vivante vocale

 

je voudrais

que tombe la foudre

qu’elle brûle en flammes d’amour

que le soleil la marque pour toujours

 

je voudrais

qu’elle ne goûte jamais

la morsure amère de la mort

 

je la garderai

vivante

dans une rime intérieure chantante

elle

fontaine   source rouge   et plus rouge

où la douleur échappe au temps

et le temps au naissant tourment

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

Van de vuurrode bloem

 

soms

bij het horen

het horen bijvoorbeeld

van het lied

het lied van de vuurrode bloem

 

het

werd maar geen lente

geen lente vol wilde papaver

vogels vlochten niet langer

listige nesten

in het haar van de tijd

en stil stond de tijd

 

verwonderlijk

leek het

dat niets meer gebeurde

 

het

lief liep getooid

met eenvoud als rijkdom

tijd lag versteend

op haar teken te wachten

 

verwonderlijk

was het

dat niets meer gebeurde

alleen nog het lied

van de vuurrode bloem

bleef bijwijlen te horen

 

:/……

 

 

werd

het geen lente

en leefden vogels niet langer

in het haar van de tijd

van de tijd die versprong

van planeet tot planeet

het lief liep getooid

zo heerlijk getooid

met de zon  en de maan

 

verwonderlijk

bleef het

soms bij het horen

het horen bijvoorbeeld van het lied

het lied van de vuurrode bloem

hoe mijn hart smolt als zilver

tot zilveren tranen

toen haar halfopen mond

zacht zong in zijn mond

Du carmin flamboyant

 

parfois

en percevant

en entendant

par exemple    le chant

le chant du carmin flamboyant

 

le

printemps ne perçait pas

point de printemps aux coquelicots sauvages

les oiseaux ne tissaient plus

leurs nids astucieux

dans la chevelure du temps

et suspendu était le temps

 

surprenant

ce parut-il

que plus rien ne se produise

 

la

bien-aimée courait parée

pour toute richesse   de simplicité

le temps  pétrifié

attendait son signe

 

surprenant

était-il

que plus rien ne se passe

seulement   encore    par moments

s’entendait le chant

du carmin flamboyant

 

:/……

 

 

il ne vint pas

de printemps

les oiseaux ne vivaient plus

dans la chevelure du temps

le temps    qui ressautait

de planète en planète

la bien-aimée courait parée

si merveilleusement parée

de soleil et de lune

 

il restait

surprenant

parfois   en entendant

par exemple   entendant le chant

le chant du carmin flamboyant

que mon cœur fonde comme l’argent

en larmes d’argent

pendant qu’entrouverte sa bouche

doucement chantait dans sa bouche

 

 

Het grote feest

 

waar

zij aantreedt voor haar grote feest

feest van eindelijk gelukkig zijn

en zijn  is liefde maken  zoete dagdroom

buiten de woorden van verleden tijd

 

tijd

waarvan de wijzers afvielen  een dag

dag die stilstond in zijn eigen brandpunt

en het punt dat iemand zette achter hem

dag  waarvan de wijzers afvielen  te vroeg

 

waar

zij aantreedt  wordt geluk meervoudig

meervoud is een woord dat dubbel spreekt

voor wie alleen blijft wakker in de nacht

en sterft   en nogmaals sterft

opnieuw   steeds maar opnieuw

La grande fête

 

où elle s’avance pour sa grande fête

fête d’être enfin heureuse

où s’accomplit l’amour   rêve doux du jour

hors des mots du temps passé

 

temps

dont   un jour   les aiguilles tombèrent

le jour  qui fit halte en sa focale

au point que quelqu’un plaça derrière lui

le jour où les aiguilles tombèrent trop tôt

 

où elle s’avance  le bonheur se multiplie

multiple est un mot qui parle doublement

pour qui reste éveillé   seul   la nuit

et se meurt   et de nouveau

meurt   encore    sans cesse à nouveau

 “Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de tuin van haar klanken

 

trage

tango Van weemoed

van wanhoop de zwarte wijn

 

reizend

door vroegere steden

herinnerend vrienden

die achteloos stierven

 

in

de tuin van haar klanken

die barokke schrei van een liefde

springende snaar bij Colrelli

 

wachtend

weken en jaren

trage tango van weemoed

zwarte tango van Auschwitz

Au jardin de ses harmonies

 

lent

tango de nostalgie

vin noir de désespoir

 

voyageant

par villes d’antan

de ses amis se souvenant

qui moururent sans attention

 

au

jardin de ses harmonies

pleur baroque d’amour ce cri

de corde cassée chez Corelli

 

patientant

semaines et années

lent tango de nostalgie

tango noir d’Auschwitz

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

Over de Newa

 

in

een praalbed  een kraalbed

zoende nacht zacht rozen en margrieten

 

dreef

een lied van vloeibaar zilver

over de Newa  over de Newa

dreef een lied van zingend zilver

en een maan uit parsepein

 

kwam

verdriet in beweging

van kade tot kade

verdriet in beweging

van wolk tot woord

 

viel

over zijn gelaat

schaduw  en schaduw van schaduw

viel afscheid   en as

over de Newa   over de  Newa

Sur la Neva

 

dans

un lit d’apparat   un lit de perles

la nuit baisait doucement roses et marguerites

 

il flottait

une chanson de fluide argent

sur la Neva   sur la Neva

flottait une chanson d’argent chantant

et une lune de massepain

 

le chagrin

s’agita

de quai à quai

le chagrin s’agita

de nues à paroles

 

il tomba

sur son visage

une ombre   et l’ombre d’ombre

séparation tomba   et cendres

sur la Neva   la Neva

 

Als doorzichtig licht

 

had

de maan

van haar lijkwade ontdaan

 

kwam

drijvend in een geel klein scheepje

liefde met verstilde gebaren

en een zeil vol verdriet

 

uit

en onuitspreekbaar

als doorzichtig licht

pijn die niemand hoorde

zon die men verzon

Comme une lumière transparente

 

on avait

débarassé

la lune de son linceul

 

arriva

flottant dans une petite barque jaune

l’amour aux gestes apaisés

à voile remplie de chagrin

 

éteint

indéfinissable comme

une lumière transparente

le chagrin que personne n’entendit

soleil imaginé

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

Flessenpost

 

eindeloos

luchtschip vol zee

dansende vissen en linten

zo dreven lachtende landschappen

onze droevige ogen voorbij

 

hij

heeft haar zwijgen

als een witte waaier ontvouwd

het vragen gedoofd

de engel gestreeld die zong

in het bed van haar heupen

 

zij

heeft de kreet van een dode vogel gehoord

gerinkel van zilveren bellen

rozemarijn die verdronk in het licht

 

doorheen

de mond van het gedicht

flessenpost  tot een vreemd strand gericht

Bouteille à la mer

 

à l’infini

un vaisseau spatial de mer rempli

de poissons et rubans dansants

ainsi dérivaient les paysages riants

devant nos yeux peinés

 

il

a déplié son silence

comme un éventail blanc

éteint les questions

caressé l’ange chantant dans

le lit de ses hanches

 

elle

entendit le cri d’un oiseau mort

le tintement de sonnettes argentées

le romarin noyé dans la lumière

 

à travers

la bouche du poème

une bouteille à la mer vers une plage étrangère

 

 

 

Een klein blauw doosje

 

in

een klein blauw doosje

mag je hemp wegschenken

 

zullen woorden vervagen

samen met het parfum van herinnering

waar heb ik hem ontmoet   gesproken

wie beet zijn lachende lippen stuk

Un petit écrin bleu

 

dans

un petit écrin bleu

tu peux faire don de lui

 

les mots s’émousseront

dans le parfum du souvenir

où l’ai-je rencontré    lui ai-je parlé

qui lui a déchiré les lèvres riantes avec les dents

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

 

Boven lievere woorden

 

vanzelfsprekend

moest hij opnieuw opstaan

en vallen

wolk die hem riep

reis door de regen

het verbluffend vuurwerk

van pijn

 

hem

wenkte

 

hij

huilde van angst

stampte    klauwde   en beet

tevergeefs het verweer

van de grotere dagen

 

vanzelfsprekend

moest hij weer vallen

en opstaan

ster die hem wenkte

het schrijven van liefste

boven lievere woorden

Plutôt que mots tendres

 

évidemment

il devait se relever

et retomber

un nuage lui cria

traverse la pluie

le feu d’artifice spectaculaire

de la douleur

 

il lui

fit signe

 

lui

pleura de peur

rua   griffa    mordit

en vain la résistance

des jours meilleurs

 

évidemment

il devait retomber

et se relever

une étoile lui fit signe

qu’il écrive  chérie

plutôt que mots tendres

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

Hoe mooier hoe wilder

 

haar

hand zijn woorden greep

als een kind de vlinder

taal zich opende

(en weet je nog hoe zand hem omsloot

dolle zoenen die moesten gedeeld

droom vol witte banken)

 

o

zij kwam naar hem toe

als lamp in de mist

in Vlaanderen papavers staan

hoe mooier hoe wilder

 

haar

hand zijn woorden greep

dodelijk as en krijt

taal zich sloot

 

dichtgevouwen

ingedeukt

het breekpunt molekulair

Au plus beaux au plus sauvages

 

sa

main saisit ses paroles

comme un enfant le papillon

le langage se déploya

(te souviens-tu comme le sable l’encercla

les baisers fous à partager

le rêve rempli de bancs blancs)

 

oh

elle vint vers lui

comme une lampe dans le brouillard

En Flandres se trouvent des coquelicots

au plus beaux aux plus sauvages

 

sa

main saisit ses paroles

craie et cendre mortelle

le langage se referma

 

replié

renfoncé

point de rupture moléculaire

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

Te hoog

 

zwarte

dag

in een huis zonder meisje

 

huis

gangen   deuren   kamers

en een vleugje barok

 

zijn

gewond aan de vleugel

van de linkerlong

 

angst

wanneer men spreekt

wanneer men zwijgt

 

angst

om beeld   en woord

angst zoals men soms pijn heeft

 

weten

de smaak van waanzin

woord  dat ze was    waarop hij steunde

grote hoed uit stro

 

wellicht

waren ze

een verdieping te hoog geklommen

Trop haut

 

journée

noire

dans un foyer sans fille

 

la maison

des couloirs  portes    chambres

et un soupçon de baroque

 

être

blessé à l’aile du

poumon gauche

 

la peur

quand on parle

quand on se tait

 

peur

de l’image   du mot

peur comme quand on a mal

 

connaître

le goût de la folie

le mot qu’elle était    sur qui il s’appuyait

le grand chapeau de paille

 

sans doute

étaient-ils

grimpés un étage trop haut

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

Zich sluit

 

liefde

in hem zinkt

en zich sluit

en zich opent

 

vermoeide

regen

haar wakker kust

zo kwetsbaar

zo onuitspreekbaar

 

droefheid

in ons

zinkt   en zich sluit

en zich sluit

Se ferme

 

l’amour

s’enfonce en lui

et se referme

et s‘épanouit

 

la pluie

lasse

l’éveille en baisers

si fragile

ineffable

 

la tristesse

s’enfonce en nous

se referme

et se ferme

 

Nu hij geen handen meer heeft

 

hoe

zou hij kunnen spreken

met zijn stem onder water

de dagen kunnen omvatten

haar hart als een steigerend paard

nu hij geen handen meer heeft

 

toen

hij dood neerzat

voor de krijtmuur van haar gelaat

hij dood neerzat

de longen vol verdronken geluid

waren zijn woorden reeds niet meer hoorbaar

vuurkoraal doofde tot sintels in zijn borst

van zijn lippen bleef het bewegen mekanisch

 

nu

hij geen handen meer heeft

hoe zou hij kunnen spreken

Lors qu’il n’a plus de mains

 

comment

parlerait-il

la voix sous eau

contenir les jours

son cœur de jument cabrée

lors qu’il n’a plus de mains

 

une fois

mort   assis

devant le mur crayeux de son visage

assis   mort

les poumons remplis de bruit noyé

ses paroles déjà inaudibles

un corail de feu expira en escarbilles dans sa poitrine

le mouvement des lèvres seulement mécanique

 

lors

qu’il n’a plus de mains

commment parlerait-il

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

Signaal

 

kan

hij bij haar niet komen

het water te diep was

binnen de glijbaan der stromen

zij wakker ligt in zijn dromen

dacht dat hij eindelijk sliep

 

zwarte

nachtvogel riep

signaal boven donkerder water

weerkaatsend woorden voor later

 

kon

hij bij haar niet komen

het water bleef eindeloos diep

en dieper nog dreven de dromen

waar zijn angstige mond om haar riep

Signal

 

il ne peut

la rejoindre

l’eau était trop profonde

dans le tobogan des fleuves

elle couchée éveillée dans ses rêves

pensait qu’il dormait enfin

 

noir

un oiseau de nuit cria

signal sur l’eau plus obscure

ricochant les mots pour plus tard

 

il ne put

la rejoindre

l’eau resta infiniment profonde

et plus profonds encore flottaient les rêves

où l’appelait sa bouche angoissée

 

 

Met een meisje

 

hij

zou in een boudoir willen wonen

met een meisje   een regenwolk

met een hart dat van honger sterft

 

maar

de minister heeft een proklamatie gericht

maar de minister zal harder moeten optreden

maar de minister zou keizer willen worden

in dit laffe land waar men zo vlug vergeet

 

hij

zou in een groot wit bed willen liggen

met een meisje uit louter room   en zo jong

hij zou zijn lichaam in het hare laten zinken

hij zou één enkel ogenblik gelukkig zijn

Avec une fille

 

il

voudrait habiter dans un boudoir

avec une fille   un nuage de pluie

le cœur mourant de faim

 

mais

le ministre a dirigé une proclamation

le ministre devra intervenir plus durement

le ministre voudrait devenir empereur

dans ce pays lâche où l’on oublie si vite

 

lui

voudrait être couché dans un grand lit blanc

avec une fille toute jeune de pure crème

Il laisserait son corps sombrer dans le sien

il serait heureux   un seul instant

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Weer verder

 

we

hebben dit allemaal achter ons

het wonderdier   het lied van de regenboog

vallende nacht van tevredenheid

verstilde handen   het temperament

 

minder

dan zij die wenend smeken

om sirenen   om de wondere boottocht

de stad met haar zwijgend gelaat

niemand woont er   niemand leeft er

 

soms

zijn ze talrijk  en onweerstaanbaar

woorden uit suiker  en heldere blijdschap

vrouwen met zachte lippen  en handen van genezing

zo komt men weer verder

De l’avant

 

nous

avons tout cela derrière nous

l’animal prodige   la chanson de l’arc-en-ciel

la nuit tombante en contentement

les mains calmées   le tempérament

 

moins

que ceux qui larmoyants implorent des sirènes

une excursion mirobolante en bateau

oh   la ville au visage muet

personne n’y habite   personne n’y vit

 

parfois

elles sont nombreuses   irrésistibles

les paroles en sucre et de joie claire

les femmes aux lèvres douces  aux mains guérissantes

c’est par cela que l’on va de l’avant

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

Als vlinderblauw

 

nog

mogelijk een zon te maken in de nacht

koraalloos eiland van angst   angstiger nog

dan slechts grijze lijn te zijn in wind

 

nog

mogelijk te denken aan een handgebaar

zacht als vlinderblauw  en zachter op de dorst

van een gelaat van zijn gekneusd gelaat

 

mogelijk

een lied te dromen van een lied

in de lichtboog van de dag   de dwaze dag

die men bezweert met een versteende stem

Bleu-papillon

 

possible

encore de produire un soleil dans la nuit

île de panique sans corail   plus angoissante

que d’être une simple ligne grise au vent

 

possible

encore de penser à un geste de la main

doux comme le bleu-papillon   plus doux pour la

soif du visage   de son visage meurtri

 

possible

de rêver au chant d’une chanson

dans l’arc de lumière du jour  du jour fou

que l’on conjure d’une voix pétrifiée

 

 

Het indigo

 

van

alle dagen   de mooiste

hebben we gekoesterd

als een zomerzon

een windstoot liefde

 

van

alle woorden

de beste bewaard

voor de vroege herfst

die het leven verkleurt

onbewoonbaar

 

van

het afscheid

het voorlopig adres genoteerd

en van een vallend blad   het einde

roerloos  als het einde

het einde

L’indigo

 

de

tous les jours  le plus beau

nous l’avons chéri

comme un soleil d’été

un coup de foudre passionné

 

de

tous les mots

le mieux conservé

avant l’automne avancé

qui décolore la vie

inhabitable

 

de

l’adieu

noté l’adresse provisoire

et d’une feuille tombante le flétrissement

inerte comme la conclusion

le dénouement

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Suite

 

is

het wellicht niet zo

in dit leven

een avond die sterft

langzaam

 

hij

vroeg toch niet veel

een suite

voor de linkerhand

een lichtje boven het bed

daarmee was hij reeds tevreden

Suite

 

n’en est-il

peut-être pas ainsi

en cette vie

un soir qui se meurt

lentement

 

il

n’en demandait pas tant

une suite

pour la main gauche

un lumignon au-dessus du lit

puis il était satisfait ainsi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

Grensen verleggend

 

haar

deelachtig wou maken aan de laatste droom

de honger naar taal

de geheime code wou meegeven

de verloren liefde

de reizen per trein  auto  boot  vliegtuig

geboekt  en in gesprekken vereeuwigd

over deze die niemand weet

de reizen van oog tot oog   woord tot woord

grenzen verleggend

 

haar

deelachtig wou maken

aan verdriet  geluk  koorts

het waanzinniger wit van maan

letters berekend als steen tegen steen

sleutels die deuren openen

waarachter altijd het geheim wacht

 

deelachtig

wou maken van zichzelf

buiten het pover lied  en de littekens

die  zo  onzichtbaar zijn

dat niemand kan geloven

hoe hij ineenkrimpt van pijn

als zij ze met haar droevige ogen zoent

 

steeds

korter de tijd

verloren waaien jaren door mekaar

traag zinken bittere nachten

over alles wat hij met haar had willen zien

Reculant les frontières

 

le souhait

de lui donner le dernier rêve en partage

la faim du langage

de lui confier le code secret

l’amour égaré

les voyages en train auto bateau avion réservés

et en dialogues immortalisés

de ceux-là ignorés de tous

d’œil à œil    de mot à mot

qui reculent les frontières

 

le souhait

de lui donner en partage

chagrin bonheur fièvre

le blanc plus démentiel de la lune

les lettres cassant comme pierre contre pierre

les clefs ouvrant les portes

derrière lesquelles toujours le secret attend

 

le partage

de soi-même

en plus de la pauvre chanson et des cicatrices

si invisibles que

personne ne peut croire

combien il rétrécit de mal

lorsqu’elle les baise de ses yeux tristes

 

de plus en plus court

le temps

les années envolées mélangées

lentement fondent les nuits cruelles

sur tout ce qu’il aurait voulu découvrir avec elle

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

Iets ongenaakbaars

 

languit

onderhuids wonend  had hij

dromend  willen liggen praten tegen haar

kijkend door zijn ogen naar haar wereld

 

sprekend

tot het trillende licht

over de razende  klagende  liefde

fusee die opduikt uit een stalen zee

maan verdrinkend in een wolk van melk

vragend   vragend  over angst en droefheid

 

schrijvend

met een vlugge vlinderhand

vluchtend uit de tijd  het zo barbaarse sterven

liggend onderhuids  en haar dus nakend

dromend willen liggen wachten op haar stap

 

ze

hem zeggen  zou  bijvoorbeeld   liefste

hem dat zou laten liefhebben wat was

voordat de wereld werd gemaakt meervoudig

iets ongenaakbaars  dat hem raken zou

onderhuids tot in het hart van een gedicht

 

hij

had wonend in haar  lang voorbij

met vreemde stem  geschreid   herinner mij

Inaccessible

 

allongé

à demeure sous la peau   rêvant

il avait voulu bavarder avec elle

par ses yeux vers son monde regardant

 

parlant

à la lumière vacillante

de l’amour furieux plaintif

la fusée   qui  d’une mer d’acier  émergeant

jaillit   noyant la lune dans un nuage de lait

interrogeant questionnant sur la peur et la peine

 

écrivant

d’une main vive papillon

fuyant hors du temps le trépas si barbare

allongé sous la peau en rêvant

de vouloir attendre son pas approchant

 

elle

lui dirait par exemple  chéri

lui ferait aimer ce qui existait

avant que le monde ne fut créé  multiple

quelque chose d’inaccessible qui le toucherait

sous la peau jusqu’au cœur de son poème

 

lui

logé en elle voilà très longtemps

d’une voix étrange  avait pleuré   souviens-toi de moi

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

Het esperanto

 

van

een avond blind

door een nieuwere nacht gegaan

 

vlinders

gestorven waren

wolken dreven versteend

het Esperanto van de vogels

vergezelde de blinde

 

en

de mens

ach   de mens  is dezelfde gebleven

achter het masker van lafheid en leed

onder het kleed van onverschilligheid

 

rondtastend

binnen de vele vormen

van verdriet  onherkenbaar

binnengegaan met sneeuw in het haar

binnengegaan met roet in de stem

met vingers uit as

een droevig liedje voor later

L’esperanto

 

d’un

soir devenu aveugle

il traversa une nouvelle nuit

 

les papillons

étaient décédés

les nuages glissaient pétrifiés

l’Esperanto des oiseaux

accompagnaient l’aveugle

 

et

l’humanité

ah  l’homme est resté le même

derrière le masque de lâcheté et la souffrance

sous l’habit d’indifférence

 

tâtonnant

sous les multiples formes

du chagrin irreconnaissable

il était rentré   la neige dans les cheveux

la suie dans la voix

en cendres les doigts

pour l’avenir   un refrain malheureux

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

 

 

Een romance

 

langer

hoe meer

splitsen woorden woorden

reddeloos verloren lijkt de taal

 

onder

een zwarte sneeuwboom gelegen

onder een witte wade

in een alfabed

 

de

heldere tekens   de muziek   de reizen

van vuur en water  het buigzamere licht

van liefde  tot liefste

 

steeds

verder

drijft hij van zijn dode lichaam af

nooit meer de bloedarme mond

het juichend verhaal   een romance

Une romance

 

plus

les mots scindent les mots

plus

la langue paraît irrécupérable

 

sous

un arbre de neige noir

sous un linceul blanc

couché dans un lit alpha

 

les

signes clairs   la musique   les voyages

la lumière plus souple par le feu et l’eau

d’aimé  jusqu’à bien-aimé

 

toujours

plus loin

il dérive de son corps éteint

plus jamais  de sa bouche anémiée

l’anecdote triomphale   une romance

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Ik ben bedroefd maar niet wanhopig”

Je suis triste mais pas désespéré

 

 

 

 

 

 

Zo weerloos

 

in

alle sprookjes leven wachtende kinderen

suikerstil  het geluk  als een gouden vogel

opgespaarde vreugde voor morgen

 

er

is

de wind   die een gat slaat in de nacht

de minister die wetteksten citeert

een mens die ademt in zijn kooi

en ieders zee kleurt als emerald

 

wie

moet dit verhaal schrijven voor later

 

in

alle sprookjes blijft de liefde zoek

zijn de kinderen van vuur

en zonder woorden   zo weerloos

Si impuissants

 

dans

tous les contes vivent des enfants silencieux

en attente du bonheur  comme d’un oiseau doré

une joie pour demain épargnée

 

il

y a