Marc M. Braet
“BRUGGE
EEN
ZOMERSPROOKJE”
1993
|
I tussen
vormen die licht zoeken tussen
spiegel en angstig water drijft
geen dode droom een
verdronken vlinder in
het verzilverde oog liggen
hier kaaimannen in
vergeten grachten en
sluimerend wachtend in
opgedroogd woonwater de
anakonda in onzichtbare verdoving ook
moeten zolders van liefde bestaan tuinen
vol sluipende schaduw koffers
die roerloze stilte bewaren de
schim van een Spaanse schildwacht en
verdorde brieven als bloemen ondervraag
niet het waarom de
pijn en haar ramen naar
altijd niemand
vroeg om gedood te worden niemand
vroeg het |
I entre
formes cherchant la lumière entre
miroir et eau inquiète ne
flotte point de rêve éteint quelque
papillon noyé dans
l’œil argenté ci-gisent
des caïmans dans
des canaux
oubliés somnolant
attendant en
gîte aqueux desséché l’anaconda plongé en invisible
anesthésie il
doit aussi exister des greniers d’amour des
jardins pleins d’ombre rampante des
coffres conservant un silence immobile le
spectre d’une sentinelle espagnole et
des épîtres desséchés comme des fleurs ne
questionne pas sur le pourquoi de
la douleur et ses fenêtres sur l’éternel personne
n’a demandé à être tué personne
ne l’a demandé |
“Brugge een zomersprookje”
|
II midden
universum van klankloze kloosters wervelende
bladeren en
weggegooide kranten kwam
bloed tot geronnen stilstand kille
jenever achtergelaten
in dode holten leek
een sneeuwlandschap van
bevroren lelies en
maan uit asbest |
II
au
cœur d’un univers de monastères sourds de
feuilles tourbillonnantes et
journaux jetés le
sang se figea
coagulé le
genièvre glacé dans
des trous inertes abandonné ressemblait
à un paysage de neige de
lys gelés et
de lune d’asbeste |
|
III verdwaalde
reiziger naar
woestijn van steen op
weg hart
vol troebele duiven kijkend
door de ogen van het paard dravend
van cafés tot kerkhoven de
geheime straten voorbij een
gouden roos in het oor de
dag vóór de vijfde maan juichte
bruisend water van fonteinen stortend
witte pijn over arduin en
het verdronken meisje herinnerde
zich plots de
naam van haar minnaar |
III
le
voyageur égaré cheminait
vers un désert de pierre le
cœur bourré de pigeons troubles regardait
par les yeux du canasson trottant
de cafés en cimetières par
les rues secrètes avec dans l’oreille une rose
dorée le
jour avant la cinquième lune l’eau
pétillante de fontaines jubila déversant
un tourment blanc sur la pierre de taille et
subitement la
fille noyée se rappela le
nom de son amant |
“Brugge een zomersprookje”
|
IV fabel
van herinnering die
namen kleurt hotel
Eenzaamheid versplintering
van droom klaaglied
als stilte stijgt tot
de verbijsterde nachtvogel signalen
van toeval wieg
van zand en schimmel sporen
trekkend achter het masker van
leugen en leed laat
ons laat
mij niet
de lippen sluiten tot
een gekartelde wonde luisterend hoe een
trein raast
door de zee van de hemel |
IV
fable
du souvenir qui
colore les noms l’hôtel
Solitude le
fractionnement du rêve lamentation quand monte le silence
jusqu’à l’oiseau
de nuit
ahuri les
signaux de hasard un
berceau de sable et de moisissure creusant
des ornières derrière le masque de
mensonge et de douleur ne
nous fais ne me
fais pas pincer
les lèvres jusques
en lésion craquelée à
écouter comment un train fonce à travers la mer
céleste |
|
V de
bevlekte zakdoek regen en afscheid verlaten
azuur zoent de
oever golvende
dans van bomen blijft
het slapende spoor danseressen
van weemoed koralen
van inkt en profiel nis die leegte
toont |
V
le
mouchoir souillé pluie et
séparation abandonné l’azur embrasse la
rive danse
d’arbres
ondulante reste
la trace dormante de
danseuses de mélancolie corails
d’encre et
profil la
niche qui se montre
vide |
“Brugge een zomersprookje”
|
VI nooit
vergeten kevers het mos de
met goud en zwart omrande
spiegel waarin
men niet alleen de eigen ogen maar
ook deze van de dood bespeurt altijd in het bloed een aarzelend
spoor van
zinsverbijstering en verkalkt
verlangen doch
schrei niet nee schrei niet onder
het regenscherm van
binnenskamers winter
komt vlokken
van bevroren zilver schuddend
uit het woud van zijn haren |
VI
jamais
scarabées n’oublient la mousse le
miroir encadré d’or et de noir où non seulement l’on décèle ses propres
yeux mais
ceux du trépas également dans
le sang toujours un
soupçon hésitant d’aberration
mentale et de désir
sclérosé mais
ne pleure pas
non ne pleure
pas sous
le parapluie de
la chambre secrète l’hiver
approche secouant
les mèches d’argent gelé de
la forêt de ses cheveux |
|
VII leven
zoeken in hoeken van duister buiten
de slagtanden van westenwind het
geheim van de anakonda niet vrezen noch
de stenen waanzin van duivels tijd
de laatste uren slaat de
definitieve stilte van roest en
de grote reünie van het licht het
zwarte masker een deuk
krijgt het
vangnet van de hemel leeg
blijkt te zijn de
cirkel haar magische formule
vergeet en
de Vlammende Ster het
vervloekte duister verzengt wachten
doden verdiept in zwart
zwijgen onder
oud scharlaken van twijfel |
VII
chercher vie dans les coins de
ténèbres hors
des crocs du vent d’occident affronter
le secret de l’anaconda et
la folie pierreuse de démons le
temps sonne les dernières heures le
silence définitif de la rouille et de la lumière le grand
rassemblement le
masque noir prend une bosse le
filet du ciel paraît
vide le
cercle oublie sa formule magique et l’étoile Flambante roussit les ténèbres
maudites les
morts attendent
en sombre mutisme sous
le vieil écarlate du doute |
“Brugge een zomersprookje”
|
VIII woedende
aanval van maan obscure
namen zwijgend
kind er
bestaat een galop van vier ruiters met
weegschaal
zwaarden en
pijl met
doodshoofd en
brieven een
lam met zeven horens en
ogen en
zeven gouden luchters
en sterren een
mond
waaruit een
scherp tweesnijdend zwaard en
een vallende bloem uit giftig absint er
bestaat veel meer dan we
menen te weten |
VIII
attaque
furieuse de la lune noms
obscurs l’enfant
aphone apparaît
un galop de quatre cavaliers portant
balance glaives et
flèche à
tête de mort et
missives un
agneau à sept cornes
sept yeux sept
chandeliers et étoiles en
or une
bouche d’où point une épée
effilée
à double
tranchant et
une fleur retombante d’absinthe vénéneuse il
existe beaucoup plus que nous pensons savoir |
|
IX drie
blauwe marozen over het plein drie
dronken matrozen zonder schip waar
de gescheurde zeilen bijeen waar
de lege handen van water niemand
slaapt in de stad niemand
slaat acht op het zonnewiel op
de wentelende val van planeten dit
is geen droom van vergetelheid geen
venster open op het Oosten wie
pijn miskent moet mateloos lijden wie
bang is voor de dood sterft
levend twee
blauwe matrozen laveren en
zingen die
schreit kent het wondere
sprookje niet niet
het venster gericht naar het Zuiden noch
de bruggen van vrees
noch de kreeft die
rusteloos schrijft schuin
lopend over
de paarse gloed van papier |
IX
sur
la place trois
bleus matelots trois
matelots ivres sans
navire où
sont rassemblées les voilures déchirées et les mains vides sans’eau en
ville personne ne
dort ne
prête d’attention à la roue
solaire à
la chute rotative de
planètes ce
n’est pas un rêve de l’oubli ni
une baie ouverte vers l’Orient lui
qui méconnaît la douleur doit souffrir
infiniment qui
craint la mort se meurt
vivant deux
bleus matelots titubent et chantent lui
qui pleure ne connaît pas la fable magique la
baie ouverte vers le Midi ni
les ponts de peur ni le
cancer qui inlassablement écrit et court en couvrant
obliquement l’embrasement
mauve de papier |
“Brugge een zomersprookje”
|
X iedere
waterval van taal verstenend elk
spoor een kleine
brandwonde in
de onschuldige ogen van kinderen niet
de meeuwen die
vandaag de
troebele koorts van de zee vertalen niet
de hunker naar woede die
ons iedere ochtend overvalt ook
de kristallijnen vissen niet noch
pleinen onder hun vreemde hemel blijft
vreugde met deuren naar altijd tedere
intimiteit op een gekleurd plaatje |
X
toute
cascade de mots va se
pétrifiant toute
trace laisse une légère brûlure dans
les yeux innocents d’enfants non
pas les mouettes qui à ce
jour traduisent
la trouble fièvre de la mer ni
l’appel à la colère qui
nous assiège chaque matin non
plus les poissons cristallins ni
les plaines sous leur ciel étrange il
reste la joie avec ses portes vers l’éternité la
tendre intimité sur une image
colorée |
|
XI de
stad heeft haar kroon van glitter opgezet cherubijnen
dalen neer op witte pluimen om
de hoeken van straten droomt
zich de blinde onthoofde
stemmen Brugge
kent parken van wanhoop en
werveling van droevige duiven het
terras van Craenenburg loopt leeg maar
niemand nam de dag in de mond niemand
bewaart de geur van puin en regen noch
hoop noch
verwachting licht
wordt begraven onder ketens en lawaai nalatend
een blauw spoor van verbrande olie in
de wijken staan
slapelozen wankelend
op als uit een
schipbreuk de
stad heeft haar namaakjuwelen afgelegd maan
trilt in een boog van kleine kringen |
XI
la
ville a mis sa couronne scintillante les
chérubins sur leurs plumes blanches descendent aux
coins de rues l’aveugle
s’imagine des voix sans têtes Bruges
connaît des parcs de désespoir le
tourbillon de pigeons tristes la
terrasse du Craenenburg se vide mais
personne n’a pris le jour en bouche ne
garde l’odeur de ruine et de
pluie ni
espoir ni
espérance la
lumière est ensevelie sous chaînes et tapage laissant
une trace bleue d’huîle brûlée dans
les quartiers les insomniaques se lèvent chancelants
comme naufragés la
ville a retiré ses faux bijoux la
lune tremble en arc de petits
cercles |
“Brugge een zomersprookje”
|
XII hier
moeten sterke stemmen weerklinken uit
blakerend blauwsteen die
geen weet hebben van witgekalkte graven volgestouwd
met cijfers en
plannen dromen en
slapeloosheid noch
van gras dat het slapend
gebit van
de paarden niet kent noch
van brekende ogen als de
beiaard sterren
strooit over onbewoonde huizen en
tussen tinnen syllaben van dronkaards hier
moet een zuivere driehoek ontstaan uit
zoekende passer en winkelhaak harmonie
van wijsheid schoonheid & kracht |
XII
ici
doivent résonner de fortes voix de
la pierre bleue noircie qui
ne connaissent pas les tombes chaulées bourrées
de chiffres et de
plans de
rêves et
d’insomnie ni
ne connaissent l’herbe ignorant la
mâchoire endormie des chevaux ni
d‘yeux se brisant quand le carillon sème des
étoiles sur les maisons inhabitées et
entre les syllabes d’ivrognes
étamées Ici
doit naître par l’étude de compas et d’équerre un
triangle pur et l’harmonie entre sagesse beauté & force |
|
XIII een
dichter peilt naar
de kern der dingen nachtzwaluw
van Saturnus gewonde
pols In
het verband van de droom o gepolijste stem van de
steen kind
van waarheid dat
huilt omdat men het
roept en
bang is te verdwalen in
het labyrinth van duister :/…… licht
moet heersen
licht dat
donkere maankant van het landschap vol
witte bloemen et licht
dat de gekartelde wonde geneest de
definitieve vervoering van Mozart bezingt een
dichter gaat tot het eerste
landschap duikt
met de tweede en de derde reis op
uit de kern der dingen met
doorgesneden pols |
XIII un
poète jauge le
coeur des choses engoulevent
de Saturne le
poignet blessé dans
le pansement du rêve oh voix polie de la
pierre enfant
de vérité qui
pleure parce qu’on l’appelle et
craint de s’égarer dans
le labyrinthe d’obscurité :/…… la
lumière doit régner
lumière qui
emplit de fleurs blanches le
sombre côté lunaire du paysage lumière
qui guérit la plaie tailladée qui
chante l’ultime extase de Mozart un
poète atteint le
premier paysage au
second et troisième voyage il
émerge du cœur des choses le
poignet tranché |
|
XIV je
zeven gezichten door steen
gewond je
bevroren koorts van iedere morgen als
de vuilnisman fluitend voorbijkomt je
lichaam nog stuiptrekkend ruist en je bloedende droefheid
ontkleurt de
veel kleinere droom in puin valt liefde
vervliegt als ontkurkt parfum en
de kreeft van de astrologie als
een schroeivlek plots
opvlamt tot
de poorten van somber water tot
de duistere wallen van nacht de
bevroren verlangens de
wortels verrot en
verkalkt laat
de bittere smaak van de droesem laat
de toverdrank voor de grotere
droom laat
in ei-witte ogen de
verdronken vlinders |
XIV tes
sept visages par pierre blessés ta
fièvre à l’aube
gelée quand
passe l’éboueur en sifflotant ton
corps encore contorsionné
frémit ton
chagrin saignant pâlit le
rêve mineur
s’écroule l’amour comme un parfum
debouché
s’évapore le
cancer astrologique comme
une brûlure
s’enflamme jusqu’aux
portes d’eau sombre jusqu’aux
remparts obscurs de
nuit les
espérances gelées les
racines pourries et
calcifiées laisse
là le goût amer de la
lie laisse
au rêve majeur la
boisson magique laisse
dans des yeux blancs
d’oeuf les
papillons noyés |
“Brugge een zomersprookje”
|
XV wanneer
het tumult van de zondag de
bruggen van straten gesloten en
de golf mensen over je heen wie
zal luidkeels de groene standbeelden bezingen de
koffer van onmacht dragen wie
heeft weet van de galgen de
brieven geschreven aan de Zeven Kerken en
wat
over de
eerste en de vierde
ruiter de
tweede en de
derde dat
tussen de troon met de 4
dieren een
lam staat met zeven
horens en
zeven ogen dat
een wit paard verscheen met
vrolijke ruiter met
boog dat
hem een kroon werd gegeven dat
een vuurrood paard verscheen met
zwijgende ruiter met
tweesnijdend zwaard en een gitzwart
paard met
man en met
weegschaal en
een vaalgroen paard met als ruiter de dood |
XV quand
règne le tumulte du dimanche avec
les ponts de rues fermés et
le flot de personnes sur toi qui
glorifiera les statues vertes à gorge déployée qui
portera le coffre d’impuissance qui
est informé des potences des
lettres écrites aux Sept églises et
quoi à
propos du
premier et du quatrième
cavalier du
second et du troisième qu’au
milieu du trône aux quatre animaux se
tient un agneau à sept cornes et
sept yeux qu’apparut
un cheval blanc au
cavalier joyeux tenant un arc qu’une
couronne lui fut conférée qu’apparut
un cheval rouge feu au
cavalier taciturne tenant un glaive à double
tranchant et
un cheval noir jais l’homme
tenant une balance et
un cheval verdâtre avec
pour cavalier la mort |
“Brugge een zomersprookje”
|
XVI laat
het kind weet hebben van
zee als glas met
vuur vermengd dat
iemand zijn dolkmes slijpt dat
deze stad van hevig onweer als
een Heilige Koe zal geslacht dat
zelfs het licht zal vernield de
nacht en onderwaterse
rozen de
tinnen toren valt de
koning van hermelijn vazallen en hun
violen dat
gevallen is New-Babylon dat
verwoest werd Arkadia op
de gothische trap van wonden wolken en vergeten
namen ladingen goud & zilver juwelen
& parels fijn
linen zijde &
scharlaken voorwerpen
uit ivoor koper ijzer & marmer kaneel & reukwerk mirre & wierook wijn & olie |
XVI que
l’enfant soit informé de la
mer comme du
verre mêlé
au feu de
ce que quelqu’un aiguise sa dague que
cette cité par violent orage sera
immolée comme Vache Sacrée que
même seront anéantis la lumière la
nuit et les roses
sous-marines tombent
la tour d’étain le
roi d’hermine les
vassaux et leurs violons que
s’est effondrée la Nouvelle Babylonne que
fut détruite l’Arcadie sur
l’escalier gothique de plaies douloureuses de
nuages et noms
oubliés se
trouvent cargaisons d’or &
argent bijoux
& perles fines
toiles de lin soie &
écarlate objets
en ivoire cuivre fer &
marbre cannelle & parfums myrrhe &
encens huîle & vin |
“Brugge een zomersprookje”
|
XVII om
te zien de struktuur van de steen om
atomen en wonden te zien om
het troebele hart van de hobo te horen de
verkilde lach van gebroken kristal om
de droefheid van kringen te kennen hun
ontstaan en uitdeinend verdwijnen de
morsige mossen van de vergeetput stilte
van gekantelde huizen te
horen kreet
van de breuklijn in water om
de bloedende stem te begrijpen poort
van tempel en tekens de
sporen van takken te volgen in
een trieste fossiele wereld om
jezelf te bewerken als steen die
moet dienen tot bouwen en
hopen om
te horen waarom de zon
zingt en
eenzaamheid voelen van verminkte maan |
XVII pour
voir la structure de la pierre des
atomes et des plaies pour
ouir le cœur troublé du hautbois le
rire refroidi du cristal brisé pour
connaître la tristesse des cercles leur
naissance
décroîssance et
leur fin les
mousses crasseuses de l’oubliette et
entendre le mutisme de maisons renversées le
cri de la ligne de faille dans l’eau pour
s’expliquer la voix saignante porte
du temple et de présages pour
suivre les traces de branches dans
un monde fossile morose pour
te tailler toi-même
en
pierre devant
servir à construire et espérer afin
d’entendre pourquoi chante le
soleil et
ressentir la solitude d’une lune
mutilée |
“Brugge een zomersprookje”
|
XVIII het
verhaal dat hier zeewater
golfde papieren
bootjes langs
oevers van oud zilver vroeger
aan je bruggen gestaan als
op wacht duizend
jaar onder
een lichtboog van duister fluweel aan
je poorten gestaan eindeloos
blijft nacht
leunen op
wat ziek is en
zinkt slechts
akker en koren bestaat met
verschroeide geur van metaal onschuldige
droefheid voor
later |
XVIII l’histoire qu’ici ondoyait l’eau de
mer barquettes
en papier le
long de berges en vieil argent jadis
je me suis trouvé à tes ponts en
sentinelle durant mille
ans sous
un arc de lumière en velours
sombre me
suis retrouvé à tes portes sans
fin la nuit s’appuie sur le
maladif puis
sombre seuls
existent champ et grain à
odeur roussie de métal innocent
chagrin pour un lendemain |
|
XIX waar
aarde zich bezuipt aan afval men
torens cement opzet gonzende
horzels de violette
traan
verduisteren van
de maan in haar ultieme sikkel in
het hart van menig meisje onrust
heerst en
kantoorleegte sluipende
dood zich aanbiedt in
het glanzende uitstalraam van de slager en
de gevangenis zich vult met
troebele landschappen ook
daar heerst
eenzaamheid van dauw blanke
woorden van witsteen harde
lucht vol gebroken stilte ook
daar krast
de kreft in vaal marmer oude
namen in een driehoek van licht |
XIX où
la terre se soûle de déchets l’on
construit des tours de ciment des
taons bourdonnants assombrissent la larme
violette de
la lune à son ultime croissant dans
le cœur de mainte fille règne
l’inquiétude et
le vide au bureau la
mort rampante se présente dans
la vitrine brillante du boucher et
la prison se remplit de
paysages troubles là
aussi règnent
la solitude de la rosée les
mots vierges en pierre-blanche un
air dur rempli de silence brisé là
aussi dans
le marbre terne le
cancer grave des
noms anciens dans un triangle de
lumière |
“Brugge een zomersprookje”
|
XX wie
om brood en wijn mee te delen wie
weeft het linnen van hoop wie
huilt om de wonden van schietgaten wie
smelt ringen en hun
mysterie waar
blijft de arme met
transparante handen het
door tuberkulose doorboord kantwerk de
massa met machines en
hefkranen de
hotels toegejuicht door de stervenden bladgoud
fonkelt en
schreeuwt met
gescheurde stem tot spiedende lenzen wetend dat dagelijks brood dient
gebroken de
wil tot vooruitgang in
vervulling moet gaan gelukkig wie wakker
blijft dromen
behoudt geheimzinnige
kracht die
bliksem oproept en
aardbeving en
de hand wijst met de beker wijn en
de gekartelde gouden ring wie
breekt de gevangenissen open gevuld
met muziek en ontbijt terwijl
kinderen plaatjes kleuren en
vergezichten overbrengen op papier en
niemand een wolk wil worden noch
blauwe vlam van
vergetelheid |
XX avec
qui partager le pain et le vin qui
tisse le lin de l’espoir qui
pleure les plaies de
trous de balles qui
fond les alliances et leur
mystère où
reste le miséreux aux mains diaphanes la
dentelle percée de tuberculose la
masse aux machines et grues les
hôtels applaudis par les agonisants l’or
en feuilles étincelle
et hurle à
voix déchirée vers les
lunettes aux aguets sachant
que le pain quotidien se doit d’être partagé que
la volonté de progrès doit
être exaucée heureux
qui reste éveillé garde
ses rêves ce
pouvoir mystérieux qui
éveille foudre et séisme qui
désigne la main à la coupe de vin et
la bâgue cannelée en or qui
force les prisons empli
de musique et
déjeûne tandis
qu’enfants colorent des images et
transmettent des panoramas au papier car personne ne veut devenir un
nuage ni
la flamme bleue de
l’oubli |
“Brugge een zomersprookje”
|
XXI zoek
niet naar uitgedoofde glans op
gekleurd glas gevat in
lood niet
naar ader van koraal
noch naar engel als
een slapende wimpel ook
niet naar windroos voor de volgende morgen noch
naar water dat stilstaat voor
eeuwig over
haar zullen
weeklagen en wenen koningen ontucht en weelde droom
een meeuw te zijn en
te dromen als meeuw als
een sneeuwwit oorkussen waarop
iemand een naam borduurde droom
onder het hoge horloge van
tijd die een rots
blijft kijk
uit over de stad tot
aan de einder zie
de pleinen en de
hinderlaag en
het geluid van de molen en
het licht van de lamp wil
dat de krachtige windstoot van liefde jubelend onvertaalbaar de poorten
opent vragen
ontsluit die bedekt zijn met
aarde onder
de harde onschuld van een voet |
XXI ne
recherche pas de gloire éteinte sur
le vitrail en couleurs
ni la
veine du corail
ni l’ange comme
une flamme endormie ni
la rose des vents pour le matin suivant ni eau stagnante pour l’éternité
sur
elle pleureront se lamenteront les
rois de débauche et d’opulence rêve d’être une
mouette rêve comme la
mouette d’un
oreiller blanc-neige sur
lequel l’on broda un nom rêve au pied d’une haute
horloge du
temps qui reste un roc regarde
par-dessus la ville
jusqu’à l’horizon vois
les plaines et
l’embuscade et le bruit du
moulin et la lumière de la
lampe désire
que le puissant coup de
foudre de l’amour exultant intraduisible ouvre les
portes dégage
les questions recouvertes de
terre sous
l’inconscience brutale d’un
pied |
“Brugge een zomersprookje”
|
Als het blauw twee duifjes
zaten op
het hoofd van Gezelle het
ene wit tot en
met het
andere blauw als
blauw dag koerden ze dag lieve
mensen uit Brugge over
de stad dreef een beiaard van
zilver parfum van
kastanjes bezoekers
voorbijgaan
nauwelijks horen het
wondere lied van Gezelle de
grote
droevige meester voor immer de
dichter bleef zwijgend en
brons op
zijn hoofd zaten twee duifjes het
ene witter dan dons het
andere blauw als het
blauw |
Comme le bleu deux
tourterelles sur
la tête de Gezelle l’une
blanche tout à
fait l’autre
bleue comme
bleu bonjour
roucoulaient-elles
b’jour bonnes
gens de Bruges sur
la ville glissa un carillon d’argent un
parfum de châtaignes des
touristes passent
entendent à peine la
merveilleuse chanson de Gezelle le
grand
triste maître à
jamais le
poète silencieux resta de bronze sur
sa tête deux
tourterelles l’une plus blanche que
duvet l’autre bleue comme le
bleu |