Marc M. Braet

 

 

BRUGGE   EEN  ZOMERSPROOKJE

Bruges    féerie d’été

 

1993

 

 

 

I

 

tussen vormen die licht zoeken

tussen spiegel en angstig water

drijft geen dode droom

een verdronken vlinder

in het verzilverde oog

 

liggen hier kaaimannen

in vergeten grachten

en sluimerend wachtend

in opgedroogd woonwater

de anakonda in onzichtbare verdoving

 

ook moeten zolders van liefde bestaan

tuinen vol sluipende schaduw

koffers die roerloze stilte bewaren

de schim van een Spaanse schildwacht

en verdorde brieven als bloemen

 

ondervraag niet het waarom

de pijn   en haar ramen naar altijd

 

niemand vroeg om gedood te worden

niemand vroeg het

I

 

entre formes cherchant la lumière

entre miroir et eau inquiète

ne flotte point de rêve éteint

quelque papillon noyé

dans l’œil argenté

 

ci-gisent des caïmans

dans des canaux  oubliés

somnolant    attendant

en gîte aqueux desséché

l’anaconda    plongé en invisible anesthésie

 

il doit aussi exister des greniers d’amour

des jardins pleins d’ombre rampante

des coffres conservant un silence immobile

le spectre d’une sentinelle espagnole

et des épîtres desséchés comme des fleurs

 

ne questionne pas sur le pourquoi

de la douleur et ses fenêtres sur l’éternel

 

personne n’a demandé à être tué

personne ne l’a demandé

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

 

 

II

 

midden universum van klankloze kloosters

wervelende bladeren

en weggegooide kranten

kwam bloed tot geronnen stilstand

 

kille jenever

achtergelaten in dode holten

leek een sneeuwlandschap

van bevroren lelies

en maan uit asbest

II

 

au cœur d’un univers de monastères sourds

de feuilles tourbillonnantes

et journaux jetés

le sang   se figea   coagulé

 

le genièvre glacé

dans des trous inertes abandonné

ressemblait à un paysage de neige

de lys gelés

et de lune d’asbeste

 

 

 

 

 

III

 

verdwaalde reiziger

naar woestijn van steen  op weg

hart vol troebele duiven

kijkend door de ogen van het paard

dravend van cafés tot kerkhoven

de geheime straten voorbij

een gouden roos in het oor

 

de dag vóór de vijfde maan

juichte bruisend water van fonteinen

stortend witte pijn over arduin

en het verdronken meisje

herinnerde zich plots

de naam van haar minnaar

III

 

le voyageur égaré

cheminait vers un désert de pierre

le cœur bourré de pigeons troubles

regardait par les yeux du canasson

trottant de cafés en cimetières

par les rues secrètes

avec   dans l’oreille    une rose dorée

 

le jour avant la cinquième lune

l’eau pétillante de fontaines jubila

déversant un tourment blanc sur la pierre de taille

et subitement

la fille noyée se rappela

le nom de son amant

 

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

 

IV

 

fabel van herinnering

die namen kleurt

 

hotel Eenzaamheid

versplintering van droom

klaaglied als stilte stijgt

tot de verbijsterde nachtvogel

 

signalen van toeval

wieg van zand en schimmel

sporen trekkend achter het masker

van leugen en leed

 

laat ons   laat mij

niet de lippen sluiten

tot een gekartelde wonde

luisterend  hoe een trein

raast door de zee van de hemel

IV

 

fable du souvenir

qui colore les noms

 

l’hôtel Solitude

le fractionnement du rêve

lamentation    quand monte le silence jusqu’à

l’oiseau de nuit    ahuri

 

les signaux de hasard

un berceau de sable et de moisissure

creusant des ornières derrière le masque

de mensonge et de douleur

 

ne nous fais    ne me fais pas

pincer les lèvres

jusques en lésion craquelée

à écouter comment un train

fonce   à travers la mer céleste

 

 

 

 

V

 

de bevlekte zakdoek

regen  en afscheid

verlaten azuur  zoent de oever

golvende dans van bomen

 

blijft het slapende spoor

danseressen van weemoed

koralen van inkt  en  profiel

nis   die leegte toont

V

 

le mouchoir souillé

pluie    et séparation

abandonné   l’azur embrasse la rive

danse d’arbres   ondulante

 

reste la trace dormante

de danseuses de mélancolie

corails d’encre   et profil

la niche   qui se montre vide

 

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

VI

 

nooit vergeten kevers het mos

de met goud en zwart  omrande spiegel

waarin men niet alleen de eigen ogen

maar ook deze van de dood bespeurt

 

altijd   in het bloed   een aarzelend spoor

van zinsverbijstering  en verkalkt verlangen

 

doch schrei niet   nee  schrei niet

onder het regenscherm

van binnenskamers

 

winter komt

vlokken van bevroren zilver

schuddend uit het woud van zijn haren

VI

 

jamais scarabées n’oublient la mousse

le miroir encadré d’or et de noir

  non seulement  l’on décèle ses propres yeux

mais ceux du trépas également

 

dans le sang   toujours un soupçon hésitant

d’aberration mentale  et de désir sclérosé

 

mais ne pleure pas    non  ne pleure pas

sous le parapluie

de la chambre secrète

 

l’hiver approche

secouant les mèches d’argent gelé

de la forêt de ses cheveux

 

 

 

VII

 

leven zoeken in hoeken van duister

buiten de slagtanden van westenwind

het geheim van de anakonda niet vrezen

noch de stenen waanzin van duivels

 

tijd de laatste uren slaat

de definitieve stilte van roest

en de grote reünie van het licht

 

het zwarte masker  een deuk krijgt

het vangnet van de hemel  leeg blijkt te zijn

de cirkel  haar magische formule vergeet

en de Vlammende Ster  het vervloekte duister verzengt

wachten doden   verdiept in zwart zwijgen

onder oud scharlaken van twijfel

VII

 

chercher  vie  dans les coins de ténèbres

hors des crocs du vent d’occident

affronter le secret de l’anaconda

et la folie pierreuse de démons

 

le temps sonne les dernières heures

le silence définitif de la rouille

et  de la lumière  le grand rassemblement

 

le masque noir prend une bosse

le filet du ciel  paraît vide

le cercle oublie sa formule magique

et  l’étoile Flambante  roussit les ténèbres maudites

les morts attendent    en sombre mutisme

sous le vieil écarlate du doute

 

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

VIII

 

woedende aanval van maan

obscure namen   zwijgend kind

 

er bestaat een galop van vier ruiters

met weegschaal   zwaarden   en pijl

met doodshoofd   en brieven

een lam met zeven horens   en ogen

en zeven gouden luchters   en sterren

een mond  waaruit

een scherp tweesnijdend zwaard

en een vallende bloem uit giftig absint

 

er bestaat veel meer  dan we menen te weten

VIII

 

attaque furieuse de la lune

noms obscurs   l’enfant aphone

 

apparaît un galop de quatre cavaliers

portant balance   glaives   et flèche

à tête de mort   et missives

un agneau à sept cornes   sept yeux

sept chandeliers  et étoiles   en or

une bouche    d’où  point  une épée

effilée   à double tranchant

et une fleur retombante d’absinthe vénéneuse

 

il existe beaucoup plus que nous pensons savoir

 

 

IX

 

drie blauwe marozen over het plein

drie dronken matrozen zonder schip

waar de gescheurde zeilen bijeen

waar de lege handen van water

 

niemand slaapt in de stad

niemand slaat acht op het zonnewiel

op de wentelende val van planeten

 

dit is geen droom van vergetelheid

geen venster open op het Oosten

wie pijn miskent moet mateloos lijden

wie bang is voor de dood  sterft levend

 

twee blauwe matrozen laveren  en zingen

die schreit  kent het wondere sprookje niet

niet het venster gericht naar het Zuiden

noch de bruggen van vrees   noch de kreeft

die rusteloos schrijft  schuin lopend

over de paarse gloed van papier

IX

 

sur la place    trois bleus matelots

trois matelots   ivres   sans navire

où sont rassemblées les voilures déchirées

et  les mains vides  sans’eau

 

en ville   personne ne dort

ne prête d’attention  à la roue solaire

à la chute  rotative  de planètes

 

ce n’est pas un rêve de l’oubli

ni une baie ouverte vers l’Orient

lui qui méconnaît la douleur doit souffrir infiniment

qui craint la mort   se meurt vivant

 

deux bleus matelots titubent et chantent

lui qui pleure ne connaît pas la fable magique

la baie ouverte vers le Midi

ni les ponts de peur   ni le cancer qui inlassablement

écrit  et court en couvrant obliquement

l’embrasement mauve de papier

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

X

 

iedere waterval van taal verstenend

elk spoor   een kleine brandwonde

in de onschuldige ogen van kinderen

 

niet de meeuwen  die vandaag

de troebele koorts van de zee vertalen

niet de hunker naar woede

die ons iedere ochtend overvalt

ook de kristallijnen vissen niet

noch pleinen onder hun vreemde hemel

 

blijft vreugde met deuren naar altijd

tedere intimiteit op een gekleurd plaatje

X

 

toute cascade de mots  va  se pétrifiant

toute trace laisse une légère brûlure

dans les yeux innocents d’enfants

 

non pas les mouettes  qui à ce jour

traduisent la trouble fièvre de la mer

ni l’appel à la colère

qui nous assiège chaque matin

non plus les poissons cristallins

ni les plaines sous leur ciel étrange

 

il reste la joie avec ses portes vers l’éternité

la tendre intimité sur une image colorée

 

 

 

XI

 

de stad heeft haar kroon van glitter opgezet

cherubijnen dalen neer op witte pluimen

om de hoeken van straten

droomt zich de blinde  onthoofde stemmen

 

Brugge kent parken van wanhoop

en werveling van droevige duiven

het terras van Craenenburg loopt leeg

maar niemand nam de dag in de mond

niemand bewaart de geur van puin en regen

noch hoop   noch verwachting

licht wordt begraven onder ketens en lawaai

nalatend een blauw spoor van verbrande olie

in de wijken  staan slapelozen

wankelend op   als uit een schipbreuk

 

de stad heeft haar namaakjuwelen afgelegd

maan trilt in een boog van kleine kringen

XI

 

la ville a mis sa couronne scintillante

les chérubins sur leurs plumes blanches descendent

aux coins de rues

l’aveugle s’imagine des voix sans têtes

 

Bruges connaît des parcs de désespoir

le tourbillon de pigeons tristes

la terrasse du Craenenburg se vide

mais personne n’a pris le jour en bouche

ne garde l’odeur de ruine  et de pluie

ni espoir   ni espérance

la lumière est ensevelie sous chaînes et tapage

laissant une trace bleue d’huîle brûlée

dans les quartiers les insomniaques se lèvent

chancelants comme naufragés

 

la ville a retiré ses faux bijoux

la lune tremble en arc de petits cercles

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

XII

 

hier moeten sterke stemmen weerklinken

uit blakerend blauwsteen

die geen weet hebben van witgekalkte graven

volgestouwd met cijfers  en plannen

dromen  en slapeloosheid

noch van gras  dat het slapend gebit

van de paarden niet kent

noch van brekende ogen  als de beiaard

sterren strooit over onbewoonde huizen

en tussen tinnen syllaben van dronkaards

 

hier moet een zuivere driehoek ontstaan

uit zoekende passer en winkelhaak

harmonie van wijsheid

schoonheid

&

kracht

XII

 

ici doivent résonner de fortes voix

de la pierre bleue noircie

qui ne connaissent pas les tombes chaulées

bourrées de chiffres   et de plans

de rêves   et d’insomnie

ni ne connaissent l’herbe ignorant

la mâchoire endormie des chevaux

ni d‘yeux se brisant quand le carillon sème

des étoiles sur les maisons inhabitées

et entre les syllabes d’ivrognes  étamées

 

Ici doit naître par l’étude de compas et d’équerre

un triangle pur et l’harmonie entre

sagesse

beauté

&

force

 

 

 

                                                                                                   

XIII

 

een dichter peilt

naar de kern der dingen

nachtzwaluw van Saturnus

gewonde pols

In het verband van de droom

 

o   gepolijste stem van de steen

kind van waarheid

dat huilt  omdat men het roept

en bang is te verdwalen

in het labyrinth van duister

 

:/……

 

 

licht moet heersen   licht

dat donkere maankant van het landschap

vol witte bloemen et

licht dat de gekartelde wonde geneest

de definitieve vervoering van Mozart bezingt

 

een dichter gaat

 tot het eerste landschap

duikt met de tweede en de derde reis

op uit de kern der dingen

met doorgesneden pols

XIII

 

un poète jauge

le coeur des choses

engoulevent de Saturne

le poignet blessé

dans le pansement du rêve

 

oh    voix polie de la pierre

enfant de vérité

qui pleure parce qu’on l’appelle

et craint de s’égarer

dans le labyrinthe d’obscurité

 

:/……

 

 

la lumière doit régner     lumière

qui emplit de fleurs blanches

le sombre côté lunaire du paysage

lumière qui guérit la plaie tailladée

qui chante l’ultime extase de Mozart

 

un poète atteint

le premier paysage

au second et troisième voyage

il émerge du cœur des choses

le poignet tranché

 

 

 

 

 

XIV

 

je zeven gezichten  door steen gewond

je bevroren koorts van iedere morgen

als de vuilnisman  fluitend  voorbijkomt

je lichaam nog stuiptrekkend ruist

en  je bloedende droefheid ontkleurt

de veel kleinere droom in puin valt

liefde vervliegt als ontkurkt parfum

en de kreeft van de astrologie

als een schroeivlek  plots opvlamt

 

tot de poorten van somber water

tot de duistere wallen van nacht

de bevroren verlangens

de wortels verrot  en verkalkt

 

laat de bittere smaak van de droesem

laat de toverdrank  voor de grotere droom

laat in  ei-witte  ogen

de verdronken vlinders

XIV

 

tes sept visages  par pierre  blessés

ta fièvre   à l’aube   gelée

quand passe l’éboueur en sifflotant

ton corps encore contorsionné   frémit

ton chagrin saignant pâlit

le rêve mineur   s’écroule

l’amour   comme un parfum debouché   s’évapore

le cancer astrologique

comme une brûlure    s’enflamme

 

jusqu’aux portes d’eau sombre

jusqu’aux remparts obscurs   de nuit

les espérances gelées

les racines pourries   et calcifiées

 

laisse là   le goût amer de la lie

laisse au rêve majeur   la boisson magique

laisse dans des yeux  blancs d’oeuf

les papillons noyés

 

 “Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

 

 

 

XV

 

wanneer het tumult van de zondag

de bruggen van straten gesloten

en de golf mensen over je heen

wie zal luidkeels de groene standbeelden bezingen

de koffer van onmacht dragen

wie heeft weet van de galgen

de brieven geschreven aan de Zeven Kerken

 

en wat  over

de eerste  en de vierde ruiter

de tweede  en de derde

 

dat tussen de troon  met de 4 dieren

een lam staat  met zeven horens

en zeven ogen

 

dat een wit paard verscheen

met vrolijke ruiter  met boog

dat hem een kroon werd gegeven

 

dat een vuurrood paard verscheen

met zwijgende ruiter  met tweesnijdend zwaard

 

en  een gitzwart paard

met man  en met weegschaal

 

en een vaalgroen paard

met  als ruiter de dood

XV

 

quand règne le tumulte du dimanche

avec les ponts de rues fermés

et le flot de personnes sur toi

qui glorifiera les statues vertes à gorge déployée

qui portera le coffre d’impuissance

qui est informé des potences

des lettres écrites aux Sept églises

 

et quoi  à propos

du premier  et du quatrième cavalier

du second et du troisième

 

qu’au milieu du trône aux quatre animaux

se tient un agneau à sept cornes

et sept yeux

 

qu’apparut un cheval blanc

au cavalier joyeux tenant un arc

qu’une couronne lui fut conférée

 

qu’apparut un cheval rouge feu

au cavalier taciturne tenant un glaive à double tranchant

 

et un cheval noir jais

l’homme tenant une balance

 

et un cheval verdâtre

avec pour cavalier la mort

 

 

 

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

 

 

XVI

 

laat het kind weet hebben

van zee als glas

met vuur vermengd

 

dat iemand zijn dolkmes slijpt

 

dat deze stad van hevig onweer

als een Heilige Koe zal geslacht

 

dat zelfs het licht zal vernield

de nacht  en onderwaterse rozen

 

de tinnen toren valt

de koning van hermelijn

vazallen  en hun violen

 

dat gevallen is New-Babylon

dat verwoest werd Arkadia

 

op de gothische trap van wonden

wolken   en vergeten namen

ladingen  goud  & zilver

juwelen & parels

fijn linen   zijde   & scharlaken

voorwerpen uit ivoor

koper   ijzer  & marmer

kaneel  &  reukwerk     mirre  &  wierook

wijn  &  olie

XVI

 

que l’enfant soit informé de

la mer   comme du verre

mêlé au feu

 

de ce que quelqu’un aiguise sa dague

 

que cette cité par violent orage

sera immolée comme Vache Sacrée

 

que même seront anéantis la lumière

la nuit   et les roses sous-marines

 

tombent la tour d’étain

le roi d’hermine

les vassaux et leurs violons

 

que s’est effondrée la Nouvelle Babylonne

que fut détruite l’Arcadie

 

sur l’escalier gothique de plaies douloureuses

de nuages   et noms oubliés

se trouvent  cargaisons  d’or  & argent

bijoux & perles

fines toiles de lin   soie   & écarlate

objets en ivoire

cuivre    fer   & marbre

cannelle   & parfums    myrrhe   & encens

huîle   & vin

 

 

 

 

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

 

 

 

 

 

 

 

XVII

 

om te zien de struktuur van de steen

om atomen  en wonden  te zien

om het troebele hart van de hobo te horen

de verkilde lach van gebroken kristal

 

om de droefheid van kringen te kennen

hun ontstaan  en  uitdeinend  verdwijnen

de morsige mossen van de vergeetput

stilte van gekantelde huizen  te horen

kreet van de breuklijn in water

 

om de bloedende stem te begrijpen

poort van tempel en tekens

de sporen van takken te volgen

in een trieste fossiele wereld

 

om jezelf te bewerken als steen

die moet dienen tot bouwen  en hopen

om te horen  waarom de zon zingt

en eenzaamheid voelen van verminkte maan

XVII

 

pour voir la structure de la pierre

des atomes et des plaies

pour ouir le cœur troublé du hautbois

le rire refroidi du cristal brisé

 

pour connaître la tristesse des cercles

leur naissance   décroîssance   et leur fin

les mousses crasseuses de l’oubliette

et entendre le mutisme de maisons renversées

le cri de la ligne de faille dans l’eau

 

pour s’expliquer la voix saignante

porte du temple et de présages

pour suivre les traces de branches

dans un monde fossile morose

 

pour te tailler toi-même   en  pierre

devant servir  à construire  et  espérer

afin d’entendre  pourquoi chante le soleil

et ressentir la solitude d’une lune mutilée

 

 

 

 

 

 

 

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

XVIII

 

het verhaal  dat hier zeewater golfde

papieren bootjes

langs oevers van oud zilver

 

vroeger aan je bruggen gestaan

als op wacht   duizend jaar

onder een lichtboog van duister fluweel

aan je poorten gestaan

 

eindeloos blijft nacht   leunen

op wat ziek is   en zinkt

slechts akker  en koren  bestaat

met verschroeide geur van metaal

 

onschuldige droefheid  voor later

XVIII

 

l’histoire   qu’ici ondoyait l’eau de mer

barquettes en papier

le long de berges en vieil argent

 

jadis je me suis trouvé à tes ponts

en sentinelle   durant mille ans

sous un arc de lumière  en velours sombre

me suis retrouvé à tes portes

 

sans fin la nuit s’appuie sur

le maladif    puis sombre

seuls existent champ et grain

à odeur roussie de métal

 

innocent chagrin pour un lendemain

 

XIX

 

waar aarde zich bezuipt aan afval

men torens cement opzet

gonzende horzels   de violette traan  verduisteren

van de maan in haar ultieme sikkel

 

in het hart van menig meisje

onrust heerst  en kantoorleegte

sluipende dood zich aanbiedt

in het glanzende uitstalraam van de slager

en de gevangenis zich vult

met troebele landschappen

 

ook daar

heerst eenzaamheid van dauw

blanke woorden van witsteen

harde lucht vol gebroken stilte

 

ook daar

krast de kreft in vaal marmer

oude namen in een driehoek van licht

XIX

 

où la terre se soûle de déchets

l’on construit des tours de ciment

des taons bourdonnants assombrissent la larme violette

de la lune à son ultime croissant

 

dans le cœur de mainte fille

règne l’inquiétude    et le vide au bureau

la mort rampante se présente

dans la vitrine brillante du boucher

et la prison se remplit

de paysages troubles

 

là aussi

règnent la solitude de la rosée

les mots vierges en pierre-blanche

un air dur rempli de silence brisé

 

là aussi

dans le marbre terne   le cancer grave

des noms anciens dans un triangle de lumière

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

 

 

XX

 

wie om brood  en wijn  mee te delen

wie weeft het linnen van hoop

wie huilt om de wonden van schietgaten

wie smelt ringen  en hun mysterie

 

waar blijft de arme  met transparante handen

het door tuberkulose doorboord kantwerk

de massa  met machines en hefkranen

de hotels toegejuicht door de stervenden

 

bladgoud fonkelt  en schreeuwt

met gescheurde stem tot spiedende lenzen

wetend  dat dagelijks brood dient gebroken

de wil tot vooruitgang

in vervulling moet gaan

 

gelukkig  wie wakker blijft

dromen behoudt

geheimzinnige kracht

die bliksem oproept  en aardbeving

en de hand wijst met de beker wijn

en de gekartelde gouden ring

 

wie breekt de gevangenissen open

gevuld met muziek en ontbijt

terwijl kinderen plaatjes kleuren

en vergezichten overbrengen op papier

en niemand een wolk wil worden

noch blauwe vlam

van vergetelheid

XX

 

avec qui partager le pain et le vin

qui tisse le lin de l’espoir

qui pleure   les plaies de trous de balles

qui fond les alliances  et leur mystère

 

où reste le miséreux aux mains diaphanes

la dentelle percée de tuberculose

la masse aux machines et grues

les hôtels applaudis par les agonisants

 

l’or en feuilles étincelle   et hurle

à voix déchirée  vers les lunettes aux aguets

sachant que le pain quotidien se doit d’être partagé

que la volonté de progrès

doit être exaucée

 

heureux qui reste éveillé

garde ses rêves

ce pouvoir mystérieux

qui éveille foudre et séisme

qui désigne la main à la coupe de vin

et la bâgue cannelée en or

 

qui force les prisons

empli de musique   et déjeûne

tandis qu’enfants colorent des images

et transmettent des panoramas au papier

car   personne ne veut devenir un nuage

ni la flamme bleue

de l’oubli

 

 

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

 

 

 

XXI

 

zoek niet naar uitgedoofde glans

op gekleurd glas  gevat in lood

niet naar ader van koraal   noch naar engel

als een slapende wimpel

ook niet naar windroos voor de volgende morgen

noch naar water  dat stilstaat voor eeuwig

 

over haar   zullen weeklagen  en  wenen

koningen   ontucht   en  weelde

 

droom een meeuw te zijn

en te dromen als meeuw

als een sneeuwwit oorkussen

waarop iemand een naam borduurde

droom onder het hoge horloge

van tijd   die een rots blijft

kijk uit over de stad   tot aan de einder

zie de pleinen   en de hinderlaag

 

en het geluid van de molen

en het licht van de lamp

 

wil dat de krachtige windstoot van liefde

jubelend    onvertaalbaar   de poorten opent

vragen ontsluit  die bedekt zijn met aarde

onder de harde onschuld van een voet

XXI

 

ne recherche pas de gloire éteinte

sur le vitrail en couleurs    ni

la veine du corail    ni l’ange

comme une flamme endormie

ni la rose des vents pour le matin suivant

ni   eau   stagnante  pour l’éternité

 

sur elle pleureront se lamenteront

les rois de débauche et d’opulence

 

rêve  d’être une mouette

rêve  comme la mouette

d’un oreiller blanc-neige

sur lequel l’on broda un nom

rêve   au pied d’une haute horloge

du temps qui reste un roc

regarde par-dessus la ville    jusqu’à l’horizon

vois les plaines   et l’embuscade

 

et    le bruit du moulin

et    la lumière de la lampe

 

désire que le puissant  coup de foudre de l’amour

exultant    intraduisible    ouvre les portes

dégage les questions  recouvertes de terre

sous l’inconscience  brutale   d’un pied

 

 

 

 

 

 

“Brugge   een  zomersprookje”

Bruges    féerie d’été

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als  het  blauw

 

twee  duifjes zaten

op het hoofd van Gezelle

het ene wit   tot en met

het andere  blauw   als blauw

 

dag   koerden ze   dag

lieve mensen uit Brugge

over de stad dreef een beiaard

van zilver    parfum van kastanjes

 

bezoekers voorbijgaan    nauwelijks horen

het wondere lied van Gezelle

de grote    droevige

meester  voor immer

 

de dichter bleef zwijgend  en brons

op zijn hoofd zaten twee duifjes

het ene witter dan dons

het andere  blauw als het blauw

Comme  le  bleu

 

deux tourterelles

sur la tête de Gezelle

l’une blanche    tout à fait

l’autre bleue  comme bleu

 

bonjour    roucoulaient-elles     b’jour

bonnes gens de Bruges

sur la ville glissa un carillon d’argent

un parfum de châtaignes

 

des touristes passent     entendent à peine

la merveilleuse chanson de Gezelle

le grand    triste

maître   à jamais

 

le poète silencieux resta de bronze

sur sa tête    deux tourterelles

l’une    plus blanche que duvet

l’autre    bleue comme le bleu