Nabeschouwingen.

 

        Na de lezing van de twee cahiers van Pater Lenaers, kwamen spontaan de volgende gebeurtenissen in mij op. In de voorhof van de buurman van mijn zus en schoonbroer stond een hoge drie-stammige berkenboom. In de kruin was er heel wat dood hout en de boom gaf nogal wat vuil af in de herfst. Toen besloot de buurman die boom te laten snoeien. Toen ik echter de volgende keer daar op bezoek was, stond ik stom van verbazing. Van de grote kruin was niets meer overgebleven.  Alleen drie dikke witte stompen lijnden mistroostig hun naakte armen af tegen een blauwe hemel. Toen ik mijn verwondering over die grondige verminking uitsprak en vroeg of zulk drastisch gebruik van het snoeimes wel nodig was geweest, antwoordde  de buurman. “ Echt veel is er niet veranderd. Het is dezelfde boom gebleven  van vroeger.” Dezelfde boom? Ja, maar er was geen schaduw meer waar we onze stoelen konden zetten voor een gezellige babbel. Ook miste ik het geritsel van de   bladeren in de wind. Ik zou dezelfde vraag willen stellen aan pater Lenaers. Was zulk een drastisch neerhalen van al die zuilen echt noodzakelijk om mensen terug naar het geloof te brengen?

 

        Enkele dagen voor ze stierf bezocht ik mijn grootmoeder vooraleer ik terug naar het klooster moest vertrekken.  Ze wist dat het einde nabij was en zei: “Franske, als ik straks bij ons Heerke zal zijn, zal ik hem zeggen dat hij goed voor u moet zorgen.”  Geen vrees voor een oordelende strenge rechter, geen vragen om een mirakel dat haar van haar pijn zou afhelpen. Ook geen vragen rond de ziel. Moest ik haar gevraagd hebben: “Wie bedoelt ge eigenlijk met ‘ons Heerke’, de Vader, de Zoon of de Heilige Geest?”, ik ben zeker dat het voor haar een onverstaanbare vraag zou geweest zijn.. Ze zou niet geweten hebben wat te antwoorden, ook al maakte ze elke dag verscheidene malen het kruisteken in naam van de drie personen. Ze had geen problemen met de structuur van de Drievuldigheid. Alleen een rustige zekerheid dat alles goed zou zijn. Dat men met ons Heerke rustig een babbeltje kon doen en dat die zou luisteren ook al was men gestorven. Voor haar was de omgang met God een persoonsrelatie, ook al had grootmoeder niet verder dan de lagere school gelopen. Waarschijnlijk waren er een hele hoop dode takken in haar geloofsboom die mochten weggesnoeid worden. Maar ik voel me wel thuis met haar in dezelfde geloofsgemeenschap. En ik denk dat pater Lenaers  met mij helemaal akkoord zal zijn als ik beweer dat heel onze discussie eigenlijk niet zo belangrijk is. Wat veel belangrijker is, is dat we een geloof hebben in Jezus zoals mijn grootmoeder: een geloof dat rust en zekerheid brengt, ook al is de orthodoxie niet  helemaal orthodox.

 

 

 

 

Voetnoten :

 

(1)          respectievelijk gepubliceerd in 2001 en 2003 door ‘Tijdschrift voor Geestelijk Leven”, Oude -Kleefse baan 2, NL-6571 Berg en Dal 

Ravenstraat 98, B-3000 Leuven

(2)          Gevaert Francis ; “Our Log in my Eye” (*)

Claretian Publications, Quezon City, Filippijnen 1996 ( hier geciteerd als “Our Log”)

(3)          Meer uitgebreide studie over de oorsprong van het godsbeeld. “Our Log”, pp. 10-28

(4)          Levinas E.  : Totalité et Infini; Martinus Nijhoff, La Haye, 1961;  p. X

(5)          Zeer uitgebreide studie over het “anders-zijn van Jezus’leer”. “Our Log”, pp. 57-170.

(6)          Uitgebreide studie over het ongeloof in de verrijzenis.  “Our Log”, pp. 177-186.

 

 

(*)       In België te verkrijgen:

-         Missiehuis van Scheut

Ninoofse steenweg 548

B-1070 Brussel

 

-         Standaard Boekhandel

Naamsestraat 57

B-3000 Leuven       

 

-         Johannes Boekhandel

Alfons Smetsplein 10

B-3000 Leuven

 

 

 

                                    Terug naar voorblad.