Hoofdstuk IV
Jezus is Woord
In het begin van het Johannesevangelie wordt Jezus “woord“
genoemd ‘In den beginne was het Woord en het Woord was God’. Pater Lenaers is
geen voorstander van het gebruik van die naam omdat het Johannesevangelie slechts
op het einde van de eerste eeuw, begin tweede eeuw geschreven is, toen de
invloed van de Griekse cultuur in de jonge kerk al sterk geworden was. Men zou
de zaken echter ook kunnen omkeren en stellen dat de leerlingen, na enkele
decennia geleefd te hebben als leerlingen van Jezus, in niet altijd gunstige
omstandigheden, dieper en dieper zijn gaan nadenken over wie die Jezus
eigenlijk was, en dat voor hen de beste naam misschien wel de naam ‘Woord’ was.
1. Wat is een woord?
Een woord is slechts een woord als er een spreker of
schrijver én een luisteraar of lezer aanwezig zijn. Als ik woorden roep in de
woestijn dan is dat alleen een schreeuw en geen woord. De luisteraar ontbreekt.
Een bibliotheek kan duizenden boeken in de rekken hebben staan, als er geen
lezer is staan er ook geen woorden in de boeken. Het is misschien wat papier en
inkt, of voedsel voor de mieren. Een woord is maar beleefd als woord in het
horen of lezen van dat woord. Dit betekent dat het beleefde woord altijd een relatie
inhoudt. Een relatie tussen de spreker en de luisteraar. Alleen het abstracte,
het niet reële woord, bestaat op zichzelf.
Als we nu die spreker en luisteraar een beetje van meer
dichtbij bekijken, gaat het hier over twee menselijke subjecten die elk vanuit
hun eigen projecten de wereld rondom zich organiseren. Zij ervaren en verstaan
het gesproken woord niet volledig op identieke wijze. Al wat de luisteraar kan
doen is het woord verwerpen of aanvaarden voor zover hij daar nu inzicht in heeft. Als mijn dochter me komt vragen of ze vanavond mag uitgaan, dan versta ik de
woorden wel, maar het is heel onwaarschijnlijk dat ik de juiste betekenis van die woorden voor haar begrijp. Toch moet ik dat woord aanvaarden
of weigeren op basis van mijn eigen begrijpen. Het woord is dus niet een soort
doosje waar een onveranderlijke betekenis inzit, dezelfde voor iedereen. Het
woord heeft geen onveranderlijke
waarheid in zich. Ook het woord van de bijbel niet, ook het woord van God niet.
Het woord wordt maar existentiële waarheid in de verwerping of de aanvaarding
van de luisteraar of de lezer. Het is dus waar wat pater Lenaers zegt, dat de
lezer van de bijbel niet de hele betekenis, bedoeld door de schrijver zoveel
eeuwen geleden, zal begrijpen. Maar dat is ook waar, zij het misschien in
mindere mate, voor het woord dat gisteren of vandaag gesproken wordt. Zo is nu
eenmaal de beleefde werkelijkheid van het menselijke spreken en luisteren.
Spreker en aangesprokene spreken en luisteren vanuit een verschillende
organisatie van de wereld. Ze scheppen, op elk ogenblik van hun bestaan, een
wereld van betekenissen waarin dat
woord geboren wordt of waarin het een
plaats en betekenis zal krijgen zoals duidelijk blijkt in het voorbeeld van de
dochter en de vader.
Dit is natuurlijk voor vele gelovigen een schrikwekkend
vooruitzicht. Zij zijn zo gewoon aan
het vermeend bezitten van eeuwige, onveranderlijke en absolute waarheden dat
alleen al de gedachte dat ze nu zelf verantwoordelijkheid moeten dragen voor
die waarheid, hen de schrik op het lijf jaagt. En toch is er in feite niets
veranderd. Want ook al geeft de Kerk ons duizenden dogmatische formules, dan
nog blijft het waar dat die voor de gelovige slechts waarheid worden wanneer
hij of zij die waarheid aanvaardt of verwerpt, volgens wat hij of zij daarvan
verstaat. Met dit verschil, dat we in het laatste geval duidelijk te maken
hebben met de woorden van mensen en niet met Gods woord.
Er is ook niets schrikwekkends in het feit dat het woord
nooit helemaal op dezelfde wijze kan begrepen worden door de spreker en de
luisteraar. Integendeel, het is de enige manier waarop wij het egocentrisch
beleven en het egoďstisch genieten van
onze wereld kunnen doorbreken. De enige manier waarop wij betekenissen en
waarden kunnen ontdekken die gebaseerd zijn op ervaringen van anderen,
betekenissen die wij anders nooit zouden bereiken. Het woord van de andere is
altijd een zegen. Alleen al omdat het
woord van de andere, van de spreker komt
en spreekt van de aanwezigheid, in onze eigen wereld, van een andere,
voor ons onbereikbare wereld. Het is ook in deze zin dat het woord van God, als
woord van een “andere” een verrijking is.
Deze manier van naar het woord te kijken veronderstelt
echter dat we bereid zijn heel wat valse zekerheden op te geven. We moeten
aanvaarden dat de andere inderdaad de ‘andere’ is, en niet een soort cloning
van mijzelf, niet een soort ander ‘ik’, niet
een soort dubbel van mijzelf.
Wel iemand die een eigen wereld met eigen betekenissen en eigen waarden
opbouwt, waarden en betekenissen die ik nooit volledig zal achterhalen. Levinas
noemde die andere: de ‘oneindige’. In ons streven naar absolute waarheden en
waarden zullen we altijd moeite hebben om dit ‘anders zijn’ te aanvaarden.
Levinas noemt het hele westerse denken een filosofie van de oorlog omdat het,
door zijn bedoeling alles te begrijpen, juist het anders zijn van de andere
probeert te doden. (4) We willen de
andere herleiden tot het zelf om hem zo beter te overmeesteren. Wij willen hem
een bepaalde plaats toewijzen in de door ons opgebouwde totaliteit. We weten
dan immers wie hij of zij is.
Dit veronderstelt verder dat we de acties van de andere
persoon nooit in hun oorsprong zullen kennen noch beweren te kennen daar ze geworteld zijn in de
vrije keuze van de andere en de opbouw
van zijn wereld rondom zich vanuit zijn geplande projecten. Met andere woorden
we moeten ophouden onszelf als goden te beschouwen. We moeten ophouden onszelf
te zien als mensen met absolute waarheden en waardeschalen. We moeten ophouden
als rechters op te treden voor iedereen rondom ons.
2. Luisteren naar Gods Woord.
Alhoewel pater Lenaers de Schrift op gelijke voet schijnt
te stellen met de Traditie (II,p.22-23), als zijnde de oudste vorm van de
Traditie, toch valt het op hoe ook hij een speciale waarde hecht aan dat oudste
deel van die Traditie. Herhaaldelijk beroept hij zich op teksten van de Schrift
om aan te tonen dat een of andere leerstelling of traditie van de Kerk niet
schijnt overeen te stemmen met wat de Schrift ons meedeelt. Hij doet dat
bovendien zonder daarbij enige uitleg te verschaffen. Hij rekent erop dat de
lezer onmiddellijk verstaat wat de tekst van de Schrift bedoelt. Pater Lenaers
zegt wel dat, “De afstand tussen onze denk- en spreekwijze en die van die twee
tot drieduizend jaar oude teksten” (II.p.18) zo groot is dat dit een bijna
onoverkomelijke hindernis zou zijn om die teksten te verstaan. Toch mogen we er
blijkbaar van uitgaan dat de meeste teksten van het Nieuwe Testament, behalve misschien de Apocalyps, niet als een soort geheimschrift moeten
gelezen worden waarvan men eerst de sleutel moet kennen vooraleer men ze kan
verstaan. Voor die teksten geldt wat
voor alle teksten van die tijdsperiode geldt. Achtergrond informatie kan zeer
nuttig en verrijkend zijn; kan meer inzicht bijbrengen, maar is ook nooit zo
belangrijk dat wit als zwart en zwart als wit moet verstaan worden. Wat mij
belangrijker schijnt te zijn is een beter inzicht te krijgen in wie nu juist
die luisteraar en spreker zijn die zich in dat woord van de Schrift ontmoeten.
A. De moderne luisteraar.
Het leven van de moderne mens heeft bepaalde
karakteristieken die de vroegere mens niet kende. Hij wordt overspoeld met zoveel
informatie dat hij noodgedwongen een keuze moet maken uit het enorme aanbod.
Die keuze zal meestal bepaald worden door zijn projecten, door wat hij doet of
van plan is te doen. We mogen dus vooronderstellen dat de mens die de keuze
maakt om de bijbel te lezen, bijna zeker een bepaalde religieuze interesse
heeft en hoogst waarschijnlijk een bepaald geloof in het bestaan van God.
Waarom zou hij anders de bijbel verkiezen te lezen?
De moderne mens is ook zeer sterk overtuigd van de waarde
van de moderne positieve wetenschappen. Zij maken het leven meer leefbaar en
zorgen voor meer welvaart. Hij aanvaardt de wetten van die wetenschappen en is
bereid er rekening mee te houden. Hij is er echter ook van overtuigd dat de
vooruitgang van die wetenschappen een proces is zonder einde. Hij weet dat de
mens de mogelijkheden van de natuur nooit helemaal zal uitputten, omdat die
mogelijkheden geen bestaan hebben in
zichzelf. Het zijn maar mogelijkheden dank zij het handelend optreden, het
manipuleren van de mens. En de mens
ervaart de manipulatie-mogelijkheden van zijn lichaam als een onuitputtelijke
horizont. De wereld verschijnt dan ook niet als een klaar en duidelijk
afgelijnd gegeven dat voor de mens ligt uitgestald. Hij is veeleer aanwezig als
een horizont die er altijd is, maar zich ook altijd verder wegtrekt en nooit
volledig gegrepen kan worden. Niemand zal proberen te voorspellen wat er met de
materiële natuur nog allemaal kan gedaan worden. Niemand zal beweren te weten
wat voor de mens absoluut onmogelijk is, omdat wat gisteren nog onmogelijk leek
vandaag al een realiteit geworden is. Daarom is spreken over absolute waarheden
voor de moderne mens bijna een taboe. Hij zal echter ook niet zo gemakkelijk
geschokt worden bij het vernemen van onverwachte nieuwigheden.
Een gevolg hiervan is dat de moderne mens eerder
verdraagzaam is ten aanzien van de opinies van anderen, tenminste zolang hij
daardoor niet in zijn eigen projecten gehinderd of gestoord wordt. Iedereen
heeft recht op zijn mening. Vrijheid van meningsuiting is een menselijk recht
en godsdienstige onverdraagzaamheid is voor de moderne mens niet meer
verstaanbaar. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat de moderne mens zeer
veel moeite heeft om te geloven in dogma’s als absolute, eens en voor altijd
vaststaande waarheden, uitgedrukt in onveranderlijke formules. Dit strookt niet
meer met zijn ervaring van de waarheid, die altijd een menselijk aspect heeft.
De waarheid heeft voor hem altijd te maken met het actuele en/of mogelijke
project dat hij in zijn wereld realiseert.
B. De bijbellezer.
Dit geldt ook voor de bijbellezer. Elke lezer leest de
bijbel als een woord tot hem gericht. Tot hem als gelovige of tot hem als
gewoon geďnteresseerde. Hij wil weten wat er in staat. Noodzakelijkerwijze zal
elke lezer of lezeres wat hij of zij
leest verstaan vanuit zijn of haar kijk
op de wereld, vanuit zijn of haar opvoeding en projecten. Een éénzinnige
waarheid moet men uit die veelvuldige lezingen dus niet verwachten en dat doet
de moderne mens ook niet. Is het trouwens niet de ervaring van iedereen die
regelmatig de bijbel leest dat hij of zij er telkens weer nieuwe aspecten of
inzichten in vindt die hij of zij bij
vroegere lezingen nooit in gelezen
heeft? Bijbellezing is niet een op zoek gaan naar in de tekst aanwezige
waarheden, daar zoveel eeuwen geleden in verborgen door de gewijde schrijvers,
of een soort orakeldoos waarin men alle waarheden kan vinden zoals pater
Lenaers het voorstelt. (I.p.18-19). Lezen is een gebeuren nu, een gebeuren
tussen de spreker en de luisteraar; tussen de schrijver en de lezer. De enige
voorwaarde om de waarheid te vinden is de oprechtheid van de lezer om te lezen
wat hij voor ogen heeft.
Met dit al wordt het begrijpelijk dat het voor de moderne mens
moeilijk, zoniet onmogelijk, is de onfeilbaarheid van wie dan ook te
aanvaarden. En elke eerlijke kerkhistoricus zal ons weten te vertellen dat er
slechts zeer weinig leerstellingen zijn die in de loop der eeuwen niet op
verschillende wijze ingekleurd werden. Nog geen 50 jaar geleden was er in de
officiële boeken van de katholieke moraal te lezen dat het binnengaan in een
protestantse tempel doodzonde was. Toch duidelijk een uitspraak over geloof en
zeden. Welke kerkleider zou dit vandaag nog onderschrijven?
C. Theologie en leergezag.
Wil dit zeggen dat men het leergezag van de Kerk dan
helemaal over boord moet gooien? Ik
geloof het niet. Wel moet het woord “theologie” een andere betekenis krijgen. Het
is niet langer de absolute wetenschap over
het woord van God, maar de getuigenis van een gelovig mens, die vertrouwd is
met de bijbel, en zijn doordachte lezing aan zijn meegelovigen wil meedelen, om
ook voor hen de lezing van de bijbel vruchtbaarder te maken. Theologie wordt
meedelen van een ervaring. Dit heeft
wel als gevolg dat de theologie haar vroeger
spreken vanuit absoluut gedefinieerde essenties moet opgeven en de taal
van de manipulerende mens moet leren gebruiken. Inderdaad, de lezer manipuleert
of interpreteert de voorliggende tekst op dezelfde wijze als de wetenschapper
de natuur in zijn laboratorium manipuleert. Hij geeft zelf de betekenis, maar
doet het wel in dialoog met de natuur of, in het geval van de lezing, met de
tekst. Die betekenis wordt verrijkt door het dialoog met andere wetenschappers
of lezers. In elk geval, het resultaat
is een menselijk product. Het leergezag van de Kerk zou dan ook als taak hebben
de getuigenissen van grote gelovigen aan de christenheid kenbaar te maken om zo
de gelovigen te helpen in hun eerlijk zoeken naar de betekenis van Gods woord
in hun leven van vandaag. De moderne mens weet immers maar al te goed dat de
volle waarheid op onze dagen in gemeenschap gevonden wordt. Grote menselijke
projecten op alle vlakken gebeuren niet langer door individuen maar door
groepswerk.
Volgens deze zienswijze kan men ook het pauselijk leergezag
een plaats geven. Het is waar dat de Paus niet door de gelovige gemeenschap
gekozen werd als leider van de gehele kerk, maar het kan ook niet ontkend
worden dat hij in feite door de kerkgemeenschap bevestigd wordt als erkende
leider na zijn kroning. Men hoeft maar naar de honderdduizenden enthousiaste
bezoekers, die heel het jaar door, altijd maar weer, op het St. Pietersplein
samenkomen, te kijken om te weten dat de Paus inderdaad door de gelovigen als
leider aanvaard is, ook zonder een zogezegde democratische verkiezing. Voeg
daarbij het feit dat, vooral de laatste jaren, bijna alle wereldleiders hun
opwachting komen maken bij het
Vaticaan. Zij ook zijn getuigen van het
moreel gezag van de Paus. Niet dat ze zijn woorden met onfeilbaarheid zullen
bekleden maar wel zullen ze er naar luisteren als naar iemand die terecht met
gezag spreekt. Als dat waar is voor die wereldleiders, dan is het ook wijs voor
de christelijk gelovige naar zijn manier om het Woord Gods te lezen, te
luisteren. Zijn getuigenis kan mijn lezing alleen maar verrijken. Men hoeft
daarvoor niet in onfeilbare uitspraken te geloven.
Men kan zich natuurlijk de vraag stellen: moet elke mens dan zo maar op zichzelf beslissen
wat waar is? Ja, maar ook hier moet men het woord ‘waarheid’ blijven verstaan
als een gebeuren in het leven van die bepaalde persoon en niet als een eeuwige
voor iedereen geldende en onveranderlijke formulering. Ook hier vraagt lezing
de oprechtheid van de lezer. Hij kan tenslotte alleen zichzelf bedriegen en
beweren te verstaan wat hij niet echt gelezen heeft. Hier komen we wel zeer
dicht bij wat pater Lenaers telkens weer het ‘existentiële beleven’ van het
geloof noemt of dat nu in het gebed of in het ontvangen van de sacramenten
gebeurt of in de lezing van het Woord. Dit existentiële beleven is ook voor hem
het enige wat echt waardevol is voor de gelovige mens. Wat belangrijk is, is de orthopraxie, het
gelovige handelen met de juiste mentaliteit, terwijl het belang van de
orthodoxie of de juiste leer eerder op het tweede plan verdwijnt. Een voordeel
van op deze manier naar de bijbellezer te kijken zou dan zijn dat het schandaal
van de verdeeldheid van de christelijke Kerken, gebaseerd op verschillende
theologische formuleringen, zonder veel moeite uit de wereld zou kunnen
geholpen worden. De nu “gevreesde Congregatie van het Geloof” (II. p.27) zou
een gewaardeerde bron van inspiratie kunnen worden voor ieder die met de Kerk ernstig
de bijbel wil lezen. Elke gelovige
mens, die van Jezus houdt en probeert diens leer, zoals hij of zij die
verstaat, in zijn of haar leven gestalte te geven, zal als een eervol lid van
de gemeenschap van gelovigen aanvaard
worden. De relatie met de Heer, en niet langer een reeks dogmatische
formuleringen wordt de stof waaruit het éne lichaam van de Heer wordt
opgebouwd.
Dat dit een niet zo moeilijk haalbare kaart is blijkt uit
mijn ervaring in Manila. Kardinaal Sin had zeker niet dezelfde theologische
opvattingen als ikzelf. Maar hij was een goed mens met veel zin voor humor.
Toen hij nog in goede gezondheid was verliep het ritueel van onze begroeting
dikwijls langs deze lijnen: “Ha, pater Francis, hoe gaat het met uw filosofie?”
En als ik dan antwoordde: "Beter dan met uw theologie, Eminentie.” dan kon
hij daar hartelijk om lachen. Niettegenstaande andere geloofsformuleringen
behoorden we tot dezelfde Kerk van de Heer Jezus. Onze eenheid was niet
gebaseerd op dezelfde leer maar op dezelfde liefde voor de Heer en voor zijn
mensen. En het is toch daaraan dat we de leerlingen zullen erkennen.
D. De Spreker.
Voor de gelovige luisteraar is de spreker God, maar dit
betekent niet dat de luisteraar God kent. De spreker openbaart immers zichzelf
in zijn spreken. Wij komen maar te weten wie een spreker werkelijk is door naar
hem te luisteren. Dit is waar voor elk spreken en luisteren. Het is maar door
aandachtig te luisteren dat we stilaan de spreker zullen leren kennen. Wij allen voelen ons gefrustreerd of
gekwetst, als degene tot wie we spreken niet echt luistert, maar al op voorhand
schijnt te weten wat we eigenlijk willen zeggen. Hij herleidt mijn ‘anders
zijn’ tot het eigen Zelf-zijn. Hij maakt mij tot wie hij denkt dat ik ben. Niet
een spreker, maar een ding. Niet iemand die zelf leeft, de wereld rondom zich
organiseert en betekenis geeft en daarbij ook zichzelf, maar een schaakstuk op
het speelbord van de zogezegde luisteraar die zelf betekenis geeft aan de
spreker.
Spreker en luisteraar hebben beiden hun eigen wereld, met
eigen betekenissen en eigen waarden. Door zijn spreken echter, toont de spreker
zijn wereld en dus ook zichzelf aan de luisteraar. In het woord ontdoet hij
zijn wereld wel van de eigen betekenissen en waarden. Hij biedt die wereld aan
aan de luisteraar zodat deze er zijn eigen waarden en waarheden kan in ervaren.
Daarom noemen we het woord abstract en objectief, ontdaan van de eigen waarheid
en van de eigen genotsbeleving van de werkelijkheid. Deze objectiviteit van het
woord maakt samenwerking mogelijk. En samenwerking is de basis van elke
menselijke cultuur. Elk van de leden van een menselijke gemeenschap laat in het
woord de eigen waarheden en waarden achter, om zo tot gezamenlijke
instellingen, gewoontes en gebruiken te komen waarbinnen hij, zij het in meer
beperkte mate, toch zijn eigen waarheden en waarden kan nastreven. Het is in
deze zin dat de Joodse filosoof Levinas zal zeggen dat de taal rechtvaardig is.
Elke mens heeft het recht zijn eigen waarden en waarheden na te streven binnen
de door de gemeenschap aanvaarde
grenzen. Zo is men in de meeste menselijke gemeenschappen tot overeenkomsten
gekomen in verband met familie en huwelijk, geld en bezittingen, gezag en
wetten zelfs godsdienst en godsdienstige praktijken. Elke cultuur is het werk
van eeuwen en een nooit ophoudend
proces. Het is de menselijke wijsheid van de gemeenschap.
Als we nu terug keren naar de spreker van het Nieuwe Testament
dan valt het op dat deze zich aan ons openbaart als iemand die totaal andere
opvattingen naar voor schuift dan deze die we in onze cultuur kennen. We moeten
maar even nakijken wat Jezus te vertellen heeft over de familie, over geld en
bezit over gezag, wetten en straf. Over wat hij te zeggen heeft over het
nastreven van de eigen waarden en van het eigen genot in de werken die men
doet. (5). Telkens weer openbaart hij zich als degene die de menselijke
cultuur, die toch menselijke wijsheid is, in vraag stelt. In de eerste brief
aan de Korinthiërs wordt zelfs beweerd dat de wijsheid van de mens domheid is
in de ogen van God en omgekeerd. We komen hier dus voor een spreker te staan
die een echte heteronomie betekent. Iemand die andere wetten voorstelt aan
degenen die in Hem geloven. We staan voor de totaal “Andere” die zelfs de wijsheid van de gemeenschap in vraag stelt.
E. Geloven in de “Andere”.
De vraag is of we dat anderszijn van die spreker willen
aanvaarden. We zouden het ja-antwoord op die vraag ‘geloof’ kunnen noemen. Maar in hoever zijn wij daartoe bereid? In
hoever willen wij luisteraars zijn die het anders zijn van de spreker echt
aanvaarden en hem toelaten zichzelf uit te drukken? Zijn we niet veeleer
geneigd zelf te zeggen wie en wat die spreker is? Als we deze drang in onszelf
reeds terugvinden in het luisteren naar mensen die tot onze cultuur behoren,
hoe veel te meer als de spreker onze hele cultuur in vraag stelt?
Reeds lang voordat de bijbel, en zeker het Nieuwe Testament
te lezen of te horen was, wisten de mensen wie God was. Bibliotheken vol zijn
erover geschreven. Men wist dat Hij de schepper was van hemel en aarde, welke
zijn eigenschappen, welke zijn geboden en verboden waren. Dat Hij de loner was
van het goede en de straffer van het kwade. Dat Hij almachtig was als Schepper
van al wat is en dus in onze wereld kon optreden hoe en waar en zoals hij
wilde. Deze God was echter wel een zwijgende God. Zoals de bijbel zal zeggen:
Hij had een mond maar praten deed hij niet. Die God was in feite het antwoord
van de mens op de vragen van de mens naar het begin en het einde. Het was dan
ook een zeer anthropomorphistische God. Zijn wetten waren de wetten die in de
mensenmaatschappij ook aanvaard werden. Het was de God van de tweede wereld
waarover hoger reeds gesproken
Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat, wanneer de
mensen de bijbel begonnen te lezen als een woord komende van God, ze die
spreker niet echt zelf lieten spreken. Zij meenden immers reeds te weten wie
die God was en hoorden of lazen in zijn uitspraken alleen maar dat wat
overeenkwam met het Godsbeeld dat zij zelf in hun cultuur hadden opgebouwd.
Eigenlijk luisterden ze niet naar de ‘Andere’.
Wat hij zei was hen vertrouwd en gaf een antwoord op al hun vragen omdat
ze zelf de antwoorden reeds gegeven hadden. In feite was de hele heteronomie
van de spreker al op voorhand weggemoffeld door een zeer gesofistikeerde
theodicea of natuurlijke godsleer. Het is dan ook terecht dat pater Lenaers dit
godsbeeld, dat in feite een afgodsbeeld is, kwijt wil en voortdurend aan de
kaak stelt.
Ik geloof echter niet dat de zaak wordt opgelost met het
oude axioma te vervangen door een nieuw axioma of de oude godsleer door een
nieuwe godsleer, die misschien wel moderner klinkt, maar evenzeer gebaseerd is
op het menselijk denken en niet op het luisteren naar de spreker. Ik heb er
reeds op gewezen dat theologie bedrijven niets anders zou mogen zijn dan een
getuigenis over hoe de theoloog, als lezer, de boodschap van de bijbel
verstaat. Het is de weergave van een gebeuren tussen een heterogene spreker en
een luisteraar, en niet het verkondigen van een reeks eens en voor altijd
vastgelegde waarheden gebaseerd op klaar afgelijnde wezenheden of essenties.
F. Monisme of heteronomie.
En hier kom ik in moeilijkheden met pater Lenaers.
Inderdaad, hij aanvaardt geen
heteronomie in de wereld van mens en natuur, die volgens hem helemaal
autonoom moet gezien worden. Voor de gelovige mens zou die automie in feite een
theonomie zijn. Als we die stelling aanvaarden kan niets nog de menselijke
kennis in vraag stellen. De menselijke kennis wordt opnieuw als absoluut
beschouwd, als Gods kennis. Het is waar dat voor hem die menselijke kennis
historisch moet bekeken worden. God openbaart zichzelf doorheen de historische
evolutie van de kosmos, maar niets of niemand kan de absolute waarde van die
kennis nog in vraag stellen. De kennis van de mens is opnieuw Gods kennis
geworden. Ik herinner me dat Prof. Jan Vanderveken, toen nog een hevige
voorstander van de process-filosofie,
eens beweerde: “ Ik ben blij dat ik een moment mag zijn in het denken
van God over zichzelf. “ Ik kan het denken van pater Lenaers alleen in dezelfde
zin verstaan.
Pater Lenaers verwerpt wel zeer uitdrukkelijk dat zijn
denken pantheďstisch zou zijn (II, p.36-37). Al is de wereld niet te scheiden
van God en drukt God zichzelf in die wereld uit, toch is die God oneindig veel
groter dan die gedeeltelijke zelfuitdrukking in de wereld. Hij overstijgt die
wereld en valt er niet mee samen. Maar met deze interpretatie zitten we wel
zeer dicht bij de leer van Spinoza die beweerde dat God zich slechts in twee
van zijn oneindig vele eigenschappen aan de mens openbaarde nl. in de
uitgebreidheid en in het denken. Ook hier is God groter dan de schepping, maar
is er niet van gescheiden. Het menselijk denken blijft echter een manifestatie
van Gods denken.
Het is duidelijk dat we op metafysisch terrein zitten.
Pater Lenaers wil over de dingen praten zoals ze zijn in zichzelf, in hun
essentie. Het ‘zijn’ en de ‘zijnden’ bestaan los van de handelende mens en
liggen open voor zijn beschouwing. Die zijnden komen niet uit het laboratorium
of de werkplaats als producten van het manipuleren van de mens. Ze bestaan
onafhankelijk van de mens. Het is de oude taal van de schouwende mens. Vandaar
ook het grote respect van pater Lenaers voor de natuurwetten van de positieve
wetenschappen. Deze hebben in onze wereld het laatste woord daar ze deel
uitmaken van het wezen zelf van de natuur
en als dusdanig manifestaties zijn van God zelf. Niets of niemand kan die autonomie komen verstoren. Ook de
relatie van de materiële wereld met de levenskracht of vitaliteit van het
menselijk lichaam valt buiten zijn perspectief.
Het is waar dat ook de moderne mens nooit uitdrukkelijk
denkt aan die relatie natuurmenselijke vitaliteit, maar toch is hij er diep van
overtuigd dat hij nooit alle natuurwetten
zal vinden, eenvoudigweg omdat er geen bepaald aantal natuurwetten bestaan en
omdat zijn ervaring hem leert dat die wetten maar ontdekt worden door het
historisch handelen van de mens. Dat handelen is ergens beperkt en beperkend en
bijgevolg onderworpen aan wetten
Het is wel waar dat pater Lenaers dikwijls moeite heeft om deze monistische manier van denken vol
te houden. God trekt de mens aan naar het goede. Hij inspireert, kent,
bemoedigt en bemint de mens. Hij gaat niet akkoord met al wat die mens doet en
uitspookt. Toch allemaal uitspraken die op een dualiteit schijnen te wijzen.
Langs de andere kant echter zegt hij ook dat ons ‘ik’ toch niet zo belangrijk
is. Het belangrijke is dat de zelfopenbaring van God kan voortgaan en dat de
Liefde, die God in wezen is, uiteindelijk zou triomferen in heel de kosmos.
Deze uitspraken zijn soms zo sterk gesteld dat men de indruk moeilijk kan
ontlopen dat heel het verlossinggebeuren niets anders is dan het gigantisch
werk van een God die zichzelf probeert te openbaren zoals hij werkelijk is. De
mens als ‘ik’, ook al is het op dit ogenblik de hoogste uitdrukking van God in
de kosmos, verdwijnt daarbij in het niet. Het monisme triomfeert en God verlost
uiteindelijk zichzelf.
Misschien moeten we tot het besluit komen dat er
uiteindelijk niet zo’n groot verschil bestaat tussen het oude en het nieuwe
axioma. Geen van beiden aanvaardt een echte “Andere”. Beiden beweren een zicht
te hebben op de totale werkelijkheid zoals ze in zichzelf is. Hun
meningsverschil bestaat erin hoe die totale werkelijkheid gestructureerd is.
Volgens het oude axioma is de werkelijkheid een gebouw met twee verdiepingen.
Boven de hemel en beneden de aarde. De bewoners van die twee werelden zijn wel
verschillend in deze zin dat de bewoners van de benedenverdieping volledig
afhangen van de bewoners van de bovenverdieping. Er is wel een soort valluik
tussen de twee verdiepingen zodat het mogelijk is van de ene verdieping naar de
andere te gaan. Het valluik echter kan alleen geopend worden door de bewoners
van de bovenverdieping. Het gehele beeld is echter zeer duidelijk en volledig
begrijpelijk. Het geeft een inzicht in de totaliteit van het zijn. Er is geen
echt andere die dit beeld in vraag stelt. De werkelijkheid is wat ze is, voor
Jan en alleman; voor God en mens.
Anders is het gesteld met de opvattingen van het tweede
axioma. Hier is er geen sprake meer van twee verdiepingen en twee verschillende
soorten bewoners. Er bestaat slechts één soort werkelijkheid die zich
ontwikkelt in de geschiedenis. Men kan dus beter niet meer het beeld van het
afgewerkt gebouw gebruiken. De werkelijkheid wordt hier gezien als een
organisme dat leeft en zich ontwikkelt en niet als een onveranderlijke, voor
altijd bestaande werkelijkheid. Dat organisme is in feite God die alles in allen
is en zich doorheen de tijd steeds meer en meer openbaart. Maar ook hier heeft
men een onbevraagbaar inzicht in het geheel, in de totaliteit van het
zijn. Men weet hoe de werkelijkheid in
elkaar steekt en die kennis wordt door geen ”andere” bevraagd omdat er in feite
geen “andere” is. Beide axioma’s verdedigen een metafysica die een inzicht
geeft in het geheel. Zelfs het begin en het einde worden verklaard. En pater
Lenaers noemt het begin van de schepping de oerknal. Beiden beschikken daardoor
over een absolute goddelijke kennis. Zoals de Nederlandse dichter W. Kloos het
al zei: “Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten.”
Wat ik tot hiertoe heb proberen te zeggen is dat noch in de
theologie van het oude axioma noch in de theologie van het nieuwe axioma de
heterogene God wordt aanvaard. De eigenlijke God van beiden is de menselijke
rede. En de zekerheid dat deze de werkelijkheid kan kennen zoals ook God ze
kent. Het is een geloof in de kracht van het menselijk denken en niet in het
Woord dat tot ons gesproken wordt. God zelf is tot sluitsteen gemaakt van het
menselijke denken. Nochtans de luisteraar die echt eerbied heeft voor de
spreker zou niets in de schoenen van de
spreker mogen schuiven, dat die spreker niet zelf heeft geopenbaard. De vraag
echter is: in hoever zijn wij daartoe bereid of zelfs bekwaam. Wij denken dat
we de andere begrijpen en vertalen wat we horen aanstonds in de taal van onze
eigen ervaringen. Wij vergeten dat de spreker niet in mijn, maar in een andere
wereld leeft en dat mijn interpretatie dus meer dan waarschijnlijk verkeerd is.
Is niet de hele katholieke theologie gebaseerd op zulke, soms zeer
gesofistikeerde, logische afleidingen en redeneringen? Wij weten te veel over
God, en het meeste van onze kennis over Hem is niet gebaseerd op het Woord. Wij
noemen God wel een mysterie maar hebben duizenden boeken geschreven om dat
mysterie uit te leggen en aanvaardbaar te maken voor de menselijke rede. Ik
denk hier aan de theologische hoogstandjes over de transsubstantiatie, over de
Drievuldigheid en de Godmenselijkheid van Jezus. Niet ten onrechte valt pater
Lenaers veel van deze oude theologische
formuleringen aan. Maar hij vergeet dat hij het doet op basis van zijn geloof
in de kracht van dezelfde menselijke rede.
Ook hij geeft de redenen aan waarom de moderne menselijke rede die
formuleringen wel naast zich moet neerleggen. Het gesproken woord heeft daar
blijkbaar niets mee te maken. Als we op dezelfde wijze met een medemens zouden
omgaan, zou het ons dikwijls kwalijk genomen worden, zelfs als die
gesprekspartner tot dezelfde cultuur zou behoren.. Het is reeds heel wat
moeilijker om met mensen van andere culturen om te gaan. Hoeveel te meer dan
als het over een spreker gaat, die radicaal alle menselijke wijsheid in vraag stelt
en die zelfs dwaasheid durft te noemen.
Waarom zouden wij moeilijkheden maken als God zich
openbaart als vader, zoon en geest?
Waarom trachten wij daar met onze rede een verstaanbare uitleg voor te
vinden? Denken wij dan niet te vlug dat ons zijnsdenken ook op God toepasselijk
is en alles kan beheersen? Als God ons
zegt dat Hij mens geworden is door de maagd Maria, dan hoeft hij ons niet uit
te leggen hoe dat juist in zijn werk is gegaan, noch hoe een mens God kan zijn.
Maar wij moeten ook niet zeggen dat zoiets onmogelijk is op basis van
menselijke redeneringen tenzij we denken dat de menselijke rede inderdaad de
laatste norm van de waarheid is. Als God zegt dat Hij woord is en tot ons
spreekt doorheen al die verschillende
menselijke schrijvers, dan moet ik ook die actie van God niet proberen
uit te leggen of te weerleggen. Als God de totaal andere is waarom zou ik dan
zijn manier van handelen trachten te vatten en uit te leggen? Ik kan het
menselijke handelen, zelfs mijn eigen handelen, slechts een beetje begrijpen, waarom zou ik dan de
pretentie hebben Gods handelen te begrijpen. God hoeft daar zelfs helemaal geen natuurwetten voor ondersteboven te
gooien. Die natuurwetten zijn er immers maar door het menselijke handelen met
zijn beperkte vitaliteit. Wat weten wij over de relatie God -natuur? Zeer vele
van de moeilijkheden van pater Lenaers schijnen mij juist daaruit voort te
komen dat hij denkt het goddelijk handelen te kunnen begrijpen terwijl we hem
toch voortdurend een mysterie noemen. Terwijl we in al onze
geloofsbelijdenissen zeggen: “Ik GELOOF in God de almachtige Vader, Schepper
van hemel en aarde” zijn we maar wat fier dat we het bestaan van God met de
rede kunnen BEWIJZEN juist uit het feit dat hij hemel en aarde geschapen heeft.
Dit toont nogmaals aan dat wij blijkbaar denken een inzicht te hebben in het
goddelijke handelen Ik ben er van overtuigd dat juist zulke pretentie de
oorzaak is van vele misverstanden. Hoe zouden wij kunnen begrijpen dat God een
vrije mens schept? Iemand die totaal afhankelijk is van zijn Schepper en er
toch volledig vrij tegenover staat? Als God een mysterie is dan zijn ook al
zijn handelingen voor ons mysterie.
Tot tweemaal toe schrijft pater Lenaers dat hij het
mysterie van het kwaad zelfs in het nieuwe axioma niet kan verklaren, en dat
die uitleg ook volledig ontbreekt in de theologie van het oude axioma. Hij
heeft daarin gelijk omdat geen van de twee axioma’s een echte heterogene God
erkent. Ze kennen alleen een God die alles wat is, geschapen heeft zoals het
is, of een God, die alles in allen is. Waar is er dan nog plaats voor het
kwade, indien God pure goedheid en liefde is? Is het niet omdat wij menen te
weten wat scheppen is dat we het kwade niet kunnen plaatsen? Is het niet omdat
we het mysterie van Gods almacht en alwetendheid ontkracht hebben, dat we de
zondigheid van de mens niet kunnen begrijpen? Wanneer God zich echter openbaart
als Woord, als spreker, als de totaal andere, dan kan de luisteraar twee dingen
doen: het woord beamen of het woord verwerpen. Geloof of ongeloof. Het kwade
ligt in zijn diepste wezen in het verwerpen van het Woord. Het heil in het
aanvaarden ervan. Ook dat is een belofte van de spreker. Men moet nog niet zo
heel vertrouwd zijn met de boeken van het Nieuwe Testament om daarin te lezen
dat het geloof zal zalig maken. Dat geloven is niet het kunnen opzeggen van de
twaalf artikelen van het geloof of gelijk welke andere geloofsbelijdenis. Het
is het aanvaarden van de spreker in zover wij zijn spreken, na eerlijk luisteren, verstaan. Het is geloven in de
spreker eerder dan aan sommige formuleringen.
Maar wat betekent het voor ons dat God tot ons komt als een
spreker, als een “heteronome Andere” die zelfs onze menselijke wijsheid in
vraag stelt? Mijn antwoord zou zijn: “verrijking”, of als men een meer
vertrouwde religieuze term verkiest “verlossing”. Immers als het waar is
dat zelfs het menselijk woord van de
andere mijn egocentrische kijk op de wereld en mijn egoďstisch genieten van de
wereld doorbreekt en in vraag stelt en mij verrijkt met een objectieve wereld
met een horizont van betekenissen en mogelijke geneugten waarin een
intersubjectieve samenwerking mogelijk is, zou hetzelfde dan ook niet gelden
voor het aanvaarden van Gods woord?
God stelt inderdaad onze menselijke wijsheid en cultuur in
vraag. Onze wijsheid over de familie, over bezittingen en geld, over gezag en
wetten, zonde en rechtspraak, over
beloning en straf, alles wordt in het Nieuwe Testament aan kritiek onderworpen.
Die kritiek gaat in tegen waarden die wij in ons dagelijks leven hoog
inschatten en die nu door Jezus’ uitspraken in vraag worden gesteld. Hij
vertelt ons dat wij een balk in ons oog hebben zonder dat we ons daarvan bewust
zijn. Zijn woord komt tot ons als een uitnodiging. Wij kunnen het aanvaarden of
verwerpen. Wij trachten echter meestal de geit en de kool te sparen. We durven
als gelovigen het woord niet verwerpen omdat we echt in Jezus geloven. Maar
zijn wijsheid is te utopisch om waar te zijn, en daarom, in plaats van het
woord te aanvaarden, zullen we trachten het
aanvaardbaar te maken door het zo uit te leggen dat het met onze
menselijke rede en wijsheid strookt. ‘Jezus bedoelt het anders’, is de uitleg,
en we kunnen rustig verder leven. De menselijke rede blijft triomferen.
Nochtans als we naar de resultaten kijken van het leven
volgens de waardeschalen van onze verschillende culturen, dan is er niet zo
heel veel om fier op te gaan. Ongelijkheid, onwetendheid, armoede, geweld, ontevredenheid
zijn overal te vinden. Internationale
instellingen en veel persoonlijke goede wil die werken vanuit menselijke wetten
en wijsheid schijnen wel een hopeloos gevecht te leveren. Gods woorden brengen
een andere wijsheid: de wijsheid van het Rijk Gods. Deze wijsheid luidt anders
dan de wijsheid van het rijk van de menselijke rede. Die wijsheid aanvaarden is
het geloof en het geloof is verlossing. Ongeloof brengt de dood. We hoeven
daarbij niet te denken dat God ons zal straffen als we zijn woord niet
aanvaarden. God heeft ons lief en wil alleen het goede van de mens. Het niet
geloven draagt rampzalige gevolgen in zichzelf. Maar ook dat kunnen we moeilijk
aanvaarden omdat zulk aanvaarden de wijsheid van onze rede in vraag zou
stellen. Daarom is het gemakkelijker het straffen in de schoenen van God te
schuiven en ons mislukken aan het feit dat we de menselijke rede niet genoeg volgen. Zo hebben we
tenminste een God die we kunnen begrijpen en grijpen. Maar God is de ‘Andere’,
is ‘heteronoom’ en bijgevolg stelt hij
in vraag.
Het bidden van de gelovige tot die God kan elke vorm
aannemen die overeenkomt met het verstaan van het Woord door die mens. Zelfs
kaarsen en processies kunnen een utdrukking
zijn van de onmacht van de mens om het woord echt te beleven. De kern van alle
bidden en kaarsen zal uiteindelijk altijd neerkomen op het: “Uw Rijk kome. Uw
wil moge geschieden op aarde zoals die al geschiedt in uw Rijk.”. Buiten het
Rijk heerst alleen de zonde, die niet moet gezien worden als een overtreding
van de wet van God, maar als gevolg van het ongeloof. Zonde is al het kwaad dat
ons omringt.
Terug naar voorblad. Naar Hoofdstuk 5.