Hoofdstuk III

 

 

 

 

De Nieuwe Taal

 

 

 

         In zijn cahiers legt pater Lenaers herhaaldelijk de nadruk op het feit dat de Kerk een taal gebruikt die de moderne mens niet meer verstaat. Deze verouderde taal zou een van de redenen zijn waarom zovele christenen de Kerk hebben verlaten. De Kerk is dringend toe aan een nieuwe taal gebaseerd op een nieuw axioma. Pater Lenaers in zijn cahiers probeert juist dat te doen: gestalte te geven aan die nieuwe taal.

 

       Er steekt veel waarheid in wat pater Lenaers hier stelt. Als we de taal van de meeste encyclieken of Romeinse documenten vergelijken met de taal die in andere wetenschappelijke artikelen, zelfs theologische artikelen, gebruikt wordt, dan is het verschil maar al te duidelijk. Aan de andere kant geloof ik niet dat het er eenvoudigweg op neer zou komen een oud en onbewijsbaar axioma te vervangen door een nieuw axioma om de zaak op te lossen. Een taal is het werk van een gemeenschap en niet van een individueel persoon. We moeten eerst trachten dieper in te gaan op wat taal eigenlijk is,  en wat er in de taal van de moderne mens veranderd is zodat de actueel gebruikte kerktaal haast onverstaanbaar geworden is.

 

        Pater Lenaers vertrekt vanuit de eerste betekenis van taal in het woordenboek van Koenen: “spraakklanken waarmee men zijn gedachten en gevoelens kenbaar maakt.” Het zou een middel zijn om wat  louter innerlijk is, toegankelijk te maken voor anderen. ( I,p. 9 ). De keuze van deze definitie alleen reeds wijst op een verschil van opvatting over wat er  nu in feite verkeerd loopt met de kerkelijke taal. Misschien zou het juister zijn taal niet uitsluitend te verbinden met louter innerlijke fenomenen. Taal stelt eigen ervaringen, welke die ook zijn, ter beschikking van anderen. Het is geen doorgeven van innerlijke inhouden. Taal is een venster waardoor ik de medemens uitnodig  te kijken naar een van mijn ervaringen. De vraag is hier: “Wat zijn die ervaringen?” Ik geloof dat juist  de basiservaringen van de mens veranderd zijn en  als gevolg daarvan ook de taal.

 

1.   De beschouwende mens.

 

A.   De oude wetenschappelijke ervaring

 

        Voor het ontluiken van de positieve wetenschappen en de beginnende industrialisatie, werd de ervaring van de mens gezien als een observatie, als een kijken of schouwen. De mens met zijn intelligentie keek naar de dingen en distilleerde daaruit de essentie of de wezenheid van een ding. Het verstand van de mens werd door de middeleeuwer dan ook  gezien als een ‘facultas visiva’, als ‘een kijkend vermogen’. Het verstand greep de wezenheid van een ding. Daarom werd het resultaat van dat schouwen dan ook ‘be-grip’ genoemd.  Dit begrip werd als iets innerlijks opgevat omdat het in het verstand van de mens te vinden was. Door de taal kon dat begrip dan aan de andere mens worden overgedragen. Door de definitie van het woordenboek van Koenen over te nemen, schijnt pater Lenaers zich akkoord te verklaren met deze opvatting over de taal.  Weliswaar ontsnapte de individualiteit van de dingen aan het menselijk intellect. Die kwam echter  tot ons doorheen de zintuiglijke observatie. Maar in het begrip, en bijgevolg ook in de taal, werd het ding gegrepen zoals het werkelijk, in zijn wezen, was. Wat waren die wezenheden of essenties?  Het waren de ideeën van God zelf die Hij, door zijn scheppende kracht, in de materialiteit had geïndividualiseerd. Het is maar al te duidelijk dat hiermee het waarheidsgehalte van onze kennis met die van God gelijk gesteld kon worden. Wij konden de absolute waarheid kennen.. Die schouwende kennis van de essenties was het hoogste vermogen van de mens. Hier realiseerde hij in de hoogste mate dat hij een beeld van God was. De hemel werd dan ook begrepen als het eeuwig aanschouwen van Gods aanschijn.

 

        Het model van deze opvatting over het begrip is te vinden in de wiskunde, een wetenschap die reeds lang voor de middeleeuwen al sterk ontwikkeld was. De wiskunde gebruikt klaar gedefinieerde begrippen, die volledig de inhoud van dat waarover gesproken wordt weergeven. De in de wiskunde gebruikte woorden zijn geen vensters waardoorheen men naar de werkelijkheid kan kijken. Het zijn geschilderde vensters. Ze wijzen alleen naar zichzelf, naar het door de mensen gemaakte begrip. Dit is mogelijk omdat deze begrippen steunen op een menselijke overeenkomst die de inhoud van die begrippen bepaalt. Er zijn in wiskundige begrippen dan ook geen heteronome elementen. Alles is menselijke overeenkomst. Deze manier om de menselijke kennis te begrijpen bereikte zijn hoogtepunt in de rationalistische filosofieën van de 16de eeuw. Descartes beweerde dat de bron van elke ware kennis de klare en duidelijke begrippen zijn die de mens zijn ingeboren. De taal was bijgevolg niets anders dan een middel om die innerlijke begrippen over te dragen aan de andere mens. Spreken was mededeling van innerlijke begrippen. De wereld  zelf had met het verwerven van kennis  niets meer te maken. Er was dan ook geen enkele heteronomie.

                                                                                                                                                  

B. Dogmatische Theologie.

 

        Tot op onze dagen is de dogmatische theologie en de moraal theologie gebaseerd op deze opvatting over wetenschap en kennis. De dogma’s worden opgebouwd  vanuit het klare begrip van een essentie, uitgedrukt in een definitie.  Daarop worden dan de wetten van de logica toegepast die gebaseerd zijn op de eerste princiepen. Volgens Thomas van Aquino  zijn het juist deze eerste princiepen die ons doen delen in de kennis van God zelf.  Het zijn zaden van Gods kennis in de menselijke intelligentie. We kunnen hier niet al die eerste princiepen op een rijtje zetten, maar toch is het goed  enkele ervan terug in het geheugen te roepen: “Wat is, is, wat niet is, is niet”. “Er is geen middenweg tussen zijn en niet zijn.”  “ Zo men is, zo men handelt.”  “ Niemand geeft wat hij niet heeft.”   “Alles heeft een oorzaak.”

 

        Langs deze weg was men bekwaam een hele leer op te bouwen over God, over zijn bestaan en eigenschappen, over wat scheppen betekent, over Gods almacht en alwetendheid. Steunend op de essenties, geschouwd in de gematerialiseerde ideeën van God, en op het juiste gebruik der eerste princiepen had deze wetenschap een absolute waarde. Het was werkelijk een ” sacra theologia”, een “heilige theologie”. Het was het woord van God zelf en moest aanvaard worden zoals het werd geformuleerd. De waarheid lag in de woorden zelf. De weg naar de onfeilbaarheid lag open en bloot. De juiste formulering van het geloof werd zo belangrijk dat het de maatstaf werd van de eenheid van de gemeenschap van de gelovigen. Wie niet de juiste formules uitsprak werd als ketter veroordeeld. Mensen die echt Jezus in hun leven aanvaard hadden en leefden volgens wat zij van zijn leer verstonden,  werden buiten de kerk gestoten omwille van andere inzichten of andere formuleringen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat pater Lenaers deze dogmatisch en moreel theologische formuleringen radicaal verwerpt in zijn cahiers. Ze zijn de vruchten van de oude taal. Theologie is een menselijk en tijdgebonden wetenschappelijk bedrijf. Dogma’s over de drie personen in één natuur of de twee naturen in één persoon, over de transsubstantiatie van het brood, over de straffen der hel en de maagdelijke geboorte, over de zonde en de vergiffenis der zonde, de leer over de sacramenten enz. enz. zijn evenzoveel menselijke beschouwingen gebaseerd op soms zeer miniem bijbelse informatie waaruit dan een essentie gedistilleerd werd. De mens- en wereldbeschouwing die aan de basis liggen van deze logische hoogstandjes zijn al lang voorbijgestreefd en onbegrijpelijk geworden voor de moderne mensen.

 

        Toch is het ook een feit dat de gelovige mens wil weten hoe het nu eigenlijk staat met zijn verhouding tot God. De betekenis van zijn leven nu, en ook na de dood, hangt ervan af en dus wil hij zekerheid. In de Griekse oudheid was het probleem niet al te groot. God en mens waren gemaakt van dezelfde oerstof of archè. Ze verstonden elkaar dus eerder gemakkelijk. Ergens behoorden ze tot elkaar. Meer ingewikkeld werd het toen de Joden met hun scheppingsgedachte een haast onoverbrugbare afstand schiepen tussen de Schepper en de geschapen mens. Hoe kon die mens nog zeker zijn Gods wil en plannen kennen? Augustinus kwam als eerste met een oplossing aandraven. Telkens de mens eerlijk naar de waarheid zoekt zal God zijn verstand verlichten zodat hij niet dwaalt. De fameuze Illuminatieleer. Later zal Thomas van Aquino die band  tussen het menselijk verstand en Gods kennis versterken door te verklaren dat juist in zijn intellectuele vermogens de mens naar het beeld van God geschapen is en dat er goddelijke elementen in het menselijke intellect te vinden zijn: de eerste princiepen. God en mens waren weer in éénklank. De gelovigen konden weer rustig op hun leraren rekenen en deden dat ook tot enkele decennia geleden.

 

C.  En pater Lenaers zelf?

 

        Feit is dat  pater Lenaers sterk van leer trekt tegen zeer vele en vertrouwde dogmatische leerstellingen van de Kerk. Meestal baseert hij die kritiek op de bevindingen  van de huidige stand van positieve wetenschappen zoals geologie, biologie, psychologie, geschiedenis enz., wetenschappen in wiens waarheid de moderne mens onwrikbaar gelooft. Toch stel ik mij de vraag of hijzelf wel helemaal afstand kan doen van de beschouwende denkwijze waarop die oude leerstellingen gebaseerd waren. Niet zelden vertrekt ook hij van de definitie van een klaar begrip om van daaruit tot zogezegde absolute uitspraken te komen. Ik wil hier slechts enkele voorbeelden aanhalen. Sprekend over de ‘Autonomie van de Kosmos’ (I, blz. 34). zegt hij dat de mens  het hoogtepunt is van de kosmos. De kosmos is autonoom. Dus ook de mens, als hoogtepunt, moet wel  autonoom zijn. Uit deze autonomie wordt dan onmiddellijk afgeleid dat de mens absolute en onaantastbare rechten heeft die onmiddellijk op een rijtje worden gezet.  Dit wordt immers duidelijk door de analyse van het begrip ‘autonoom.’ Hetzelfde gebeurt wanneer hij over de schepping spreekt. Hij vergelijkt deze met het menselijk spreken waarin de mens zichzelf uitdrukt zonder dat het gesprokene een eigen bestaan begint te leiden. Hieruit wordt dan, helemaal volgens de regels van de logica, weer afgeleid dat de zelfexpressie van God verloopt in de vorm van een kosmische evolutie, die moeizaam en traag verloopt, wiens  schoonheid en rijkdom minder duidelijk was vroeger dan op onze dagen. (II,blz.37). Zo komen we tenslotte uit op een Godsbeeld dat wel een Gij is maar geen Persoon omdat persoon ‘individualiteit’ insluit. Een ‘gij’ dat geen ‘ik’ is, maar wel liefde.  Die liefde nu kent en keert zich tot het andere ‘gij’ dat de mens is. Hoe een abstract woord als liefde uiteindelijk dan toch optreedt als een persoon zonder een persoon te zijn, vereist van mij al een even fantastische hersengymnastiek als het aanpraten van drie personen in één natuur. Ik kan me niet ontdoen van de indruk dat we hier helemaal beland zijn op het niveau van de pure abstracte woorden, die helemaal niets meer met de werkelijkheid te maken hebben. Geschilderde vensters, waardoorheen niets meer te zien valt.

 

       Verbazingwekkend is ook de logica waarmee komaf gemaakt wordt met de verrijzenis van Jezus. Pater Lenaers begint met te zeggen dat we moeten ophouden met over ‘verrijzenisverhalen’ te spreken. Het zijn veeleer ‘verschijningsverhalen’. Daarna wordt een onderzoek ingesteld naar het wezen van de ‘verschijning’. Het is een projectie. Bijgevolg is het geloof in de verrijzenis een projectie vanuit een sterke, innerlijke persoonlijke ervaring zoals ook gebeurt in hedendaagse verschijningsverhalen. (II.106-107).

 

         2. De manipulerende mens.

 

        Met het verschijnen van de positieve wetenschappen en industrialisatie, verandert de menselijke ervaring grondig. De bron van de kennis is niet langer het schouwen van de dingen, maar het behandelen der dingen. De vindplaats van de kennis en de waarheid is niet langer het schouwspel maar het laboratorium of de werkplaats. De mens behandelt de dingen en door die behandeling veranderen de dingen. De dingen zijn niet langer onveranderlijke essenties of wezenheden. Het zijn de producten van menselijke manipulaties. Het gevolg daarvan is dat de mens niet langer geïnteresseerd is in de kennis van de wezenheid van de dingen, in wat nu eigenlijk echt de natuur van het ding is. Die wezenheid of essentie schijnt immers voortdurend te veranderen. De moderne mens is geïnteresseerd in de bruikbaarheid van de dingen. Veeleer dan de natuur van de dingen wil de mens de gebruiksaanwijzing van de dingen kennen. We hoeven maar naar de verpakkingen van de moderne producten te kijken. De gebruiksaanwijzing staat erbij en dikwijls ook wat men beter vermijdt te doen. Het ding verwijst naar de mens, in zijn ontstaan en in zijn doel, niet meer naar een scheppende God. Het is wel waar dat de mens niet alles kan maken van gelijk wat. Hij moet dialogeren met de wereld die hem omringt en naar die wereld luisteren. Maar het is evenmin zo dat hij eerst de natuur van de dingen ontdekt en daarna begint te manipuleren. Het omgekeerde is eerder waar: Hij leert meer en meer de dingen kennen door ze te manipuleren. “We doen het, en het lukt” is de grote slogan van het laboratorium. Het product is het resultaat van een ononderbroken en altijd al bezigzijnde dialoog tussen de handelende mens en de ‘natuur’, wat die op zichzelf ook zou zijn. De mens ontmoet de natuur nooit in haar zuivere vorm, los van zijn manipuleren.

 

A. Slechts menselijke kennis.

 

        Een gevolg van deze nieuwe manier om met de werkelijkheid om te gaan is het feit dat de taal van de mens niet meer verwijst naar begrippen, maar naar aanwijsbare dingen die zich rondom ons bevinden. Het is zelfs zo dat de mens geen begrijpelijke kennis meer heeft van de materiële dingen. Alles wat wij over de materie weten is wat wij er mee doen. En de naam die wij geven aan het product van ons doen. En wat doen wij? We verdelen de materie in altijd kleinere en kleinere deeltjes en geven die kleinste deeltjes dan weer een andere naam. De naamgeving moet echter gepaard gaan met een aanwijzing;  “Dit hier is een neutron of een proton”. Die aanwijzing gebeurt altijd door een menselijk ‘ik’, dat daarvoor zijn lichaam gebruikt (vb. een vinger of een woord dat situeert). Die aanwijzing wordt altijd opgevangen door een menselijk ik-lichaam dat kijkt of hoort en daardoor het ding lokaliseert tegenover het eigen lichaam. Wat doen we nog met de materie? We verbinden  sommige van die deeltjes met andere deeltjes en geven het resultaat een naam, bv. “Dit is een computer”. Maar ook hier moet iemand het product aanwijzen en iemand het lokaliseren. Het woord geeft dus geen innerlijk begrip meer weer zoals  bij de kennis van de schouwende mens. Het woord is een aangeboden venster, waardoorheen de aangesprokene zelf de ervaring van dat stuk materie kan beleven. Het is noodzakelijk een menselijke kennis.

 

B. Verbonden met het lichaam.

 

        Een  verder gevolg van deze nieuwe vorm van kennis is  dat ze gebonden is aan de manipulatieve kracht of vitaliteit van het menselijke lichaam.  Het is wel zo dat, door allerlei door de mens gebouwde instrumenten, die manipulatiekracht van het menselijk lichaam enorm is toegenomen. Niemand kan zelfs voorspellen waar de grens van de menselijke greep op de materiële wereld, door middel van de instrumenten, ligt. Toch is het ook zo dat de mens moet rekening houden met de materiële wereld die zich  telkens aanbiedt, niet alleen als een mogelijkheid, maar ook als een hinderpaal die moet overwonnen worden. De natuur vertoont zich als een hinderpaal in zover ze een probleem betekent voor de levenskracht of de vitaliteit van de mens; in zover ze die vitaliteit bedreigt of weerstaat. Denk maar aan de begeesterende ontdekking van de atoomkracht, en hoe die tegelijkertijd enorme veiligheidsmaatregelen met zich meebrengt omdat juist die machtige atoomkracht een gevaar betekent voor die beperkte vitaliteit van de mens. De natuur verschijnt ons dus maar in het licht van onze vitaliteit. Moest onze vitaliteit kleiner of groter zijn, de wereld zou ons anders verschijnen. Moesten wij geen ervaring hebben van temperatuurverschillen, van warmte en koude, wij zouden nooit naar temperaturen gevraagd hebben. Moesten wij geen visueel vermogen hebben, we zouden nooit kleuren onderscheiden hebben, nooit over kleuren gesproken hebben. We staan hier inderdaad zeer ver af van de rustige zekerheid van de middeleeuwse schouwende mens die de wezenheid der dingen kende en daardoor ook absolute goddelijke kennis kon bereiken. Die zekerheid is voor altijd verloren. Onze kennis is maar menselijke kennis, gebonden aan onze lichamelijkheid. De natuurwetten waarover wij spreken zijn geen absolute wetten, geen door God voor altijd vastlegde karakteristieken van de materiële wereld. Ze zijn een uitdrukking van de relatie van de vitaliteit van de mens met de natuur en geen uitdrukking van de natuur in zichzelf, die voor ons onbereikbaar blijft. Ze verwijzen naar de vitaliteit en vermogens van het menselijk lichaam in dialoog met de natuur.

 

C. Waarheid als gebeuren.

 

        Ook ‘waarheid’ krijgt een andere betekenis. Waarheid gaat terug naar een historisch  gebeuren tussen dat ik-lichaam en de materiële wereld. Waarheid verwijst niet meer naar een voor altijd vastliggend geheel van zijnde dingen, naar onveranderlijke eeuwige essenties en hun relaties. ‘Zijn’ is ‘zijn-voor-de-mens’. Die mens is altijd een ‘ik’ die de zijnden vanuit zijn actuele of mogelijke projecten voortdurend opnieuw rondom zich organiseert in een zinvolle totaliteit. Die waarheid is tijdgebonden zoals de actieve mens tijdgebonden is. Een klaslokaal ziet er anders uit en wordt anders georganiseerd  voor de leraar die moet lesgeven  en voor de kuisvrouw die na de les de klas moet schoonmaken. Bord, stoelen en tafels, de microfoon en het krijt hebben een andere betekenis voor beiden omdat ze een ander project hebben. Ons geloof moet volgens mij in deze nieuwe waarheidsopvatting een uitdrukking vinden. Theologie hoeft niet noodzakelijk metafysica te zijn,  gebaseerd op de essenties van de dingen.

 

 

 

 

            Terug naar voorblad.                     Naar Hoofdstuk 4.