Hoofdstuk I

 

 

 

 

Heteronomie en menswording

 

 

 

         Er zijn maar weinig hoofdstukjes te vinden in de cahiers van pater Lenaers waar de heteronomie niet telkens weer wordt geduid als de oorzaak van de kwalen van onze geloofsformuleringen. Volgens hem moet die heteronomie dan ook verdwijnen als volledig in strijd met de moderniteit. Daarom is eerst en vooral een grondig onderzoek nodig naar de rol van de heteronomie in het leven van de mens. Ik zou dat willen doen aan de hand van een fenomenologische beschrijving van de mens in zijn relatie met de wereld, de medemens en eventueel met God.

 

l. De mens en de heteronome wereld

 

Alhoewel de mens deel uitmaakt van de materiële wereld, valt hij er niet volledig mee samen. De mens is de zingever van de materiële wereld. Hij ontmoet die wereld voortdurend in de uitwerking van zelfs de minste van zijn projecten. Zelfs als ik alleen maar zou willen slapen heb ik een bed, een hoofdkussen of een vloer nodig. Ik ontmoet die wereld telkens, en meestal tegelijkertijd, als een mogelijkheid en als een hinderpaal; het bed is te zacht of te hard of te kort, maar toch is het beter dan op de stenen vloer te slapen. Ofschoon  het waar is dat ik door mijn doen de wereld maak tot wat hij op dat moment is, nl. een slaapstede, toch heeft ook de materiële wereld zelf een woordje mee te spreken in wat ik tot slaapstee kan maken of niet. De wereld heeft aldus een eigen inbreng die heteronoom is van mijn inbreng. Ik kan moeilijk een slaapstede maken van een doornige rozenstruik. Er is een stilzwijgende, maar ononderbroken dialoog bezig tussen de wereld en mijn lichaam-ik met zijn projecten. Die dialoog is altijd al aanwezig en wij kunnen nooit helemaal achterhalen welke de inbreng is van de materiële wereld en van het ik-lichaam in het tot stand komen van de betekenis van de dingen. Feit is echter dat er twee niet volledig  met elkaar te identificeren ‘eenheden’ bij betrokken zijn, die samen de veelzijdige betekenissen van de materiële wereld te voorschijn roepen. De wereld is ‘de andere’ die daar is en nooit hier’, die een eigen autonomie heeft die voor mij als heteronoom overkomt en daarom ook als een hinderpaal ontmoet wordt. Ik moet bijvoorbeeld mijn hoofdkussen regelmatig eens opschudden wil ik goed slapen.

 

Wat meer is: ik heb dat “anders zijn’, die autonomie van de wereld nodig om me zelf te leren kennen. Ik weet alleen wat ‘zien’ of ‘horen’ betekent door de zichtbare of hoorbare dingen buiten mij. Zij zullen me vertellen hoe scherp ik nog kan zien of horen. Zij vertellen me dat een mens op de maan kan landen en onder welke voorwaarden. Anders gezegd:  het is de autonome wereld die mij tot in de details leert wie ik eigenlijk ben. Ik heb zijn autonomie, zijn heteronomie tegenover mij, nodig om mezelf en mijn mogelijkheden te leren kennen. Geen echt zelf bewustzijn zonder de materiële wereld. Geen ‘hier’ zonder’ daar’. Anderzijds krijgt de wereld zijn mogelijkheden en betekenissen slechts langs de mogelijkheden van het menselijk lichaam. Door hun dialoog verrijken die twee elkaar voortdurend. De mens krijgt een duidelijker inzicht in zichzelf en zijn mogelijkheden door de wereld, terwijl de wereld steeds rijkere mogelijkheden aan de mens te bieden heeft en daardoor ook meer en meer gekend wordt. Deze kennis verwijst echter altijd naar het lichaam van het menselijke subject. Iets is hoog of laag, ver of dichtbij in verhouding tot de grootte van mijn lichaam. Iets is warm of koud omdat mijn lichaam de verschillen kan ervaren. Wat zou warmte of koude kunnen betekenen indien mijn lichaam er geen enkele ervaring van zou hebben? Een molshoop is geen berg tenzij ons lichaam niet groter zou zijn dan dat van een mier. De wereld verwijst altijd, in al wat wij doen naar de kracht en de mogelijkheden van ons  ik-lichaam. Daarom ook is elke werkelijkheid altijd voor of achter ons, links of rechts van ons, boven of onder ons. Iets is maar microscopisch klein omdat onze ogen maar tot een bepaalde grootte kunnen zien. Onze levenskracht reikt niet verder. Moest een mens sprongen kunnen maken van drie kilometer, een marathon lopen zou een klein kunstje zijn, maar onze beperkte levenskracht laat dat niet toe. En de wereld verschijnt altijd en noodzakelijk volgens de mogelijkheden  van die levenskracht.

 

        Toch is ook een  zekere autonomie van de wereld onvermijdelijk. Die autonomie vertoont zich echter aan de mens als een ‘heteronomie’. De natuur legt ook zijn  wet op  aan de mens, de zingever. Dit wordt bevestigd door het feit dat de mens voor bijna elke nieuwe uitvinding ook nieuwe veiligheidsvoorzorgen moet in acht nemen. Men geeft een scheermesje niet in de handen van een wiegenkind. En het feit dat men de verspreiding van de kennis van atoomenergie wil beperken wijst erop hoe drastisch de heteronomie van de wereld ons leven kan beïnvloeden. Een mens die de heteronomie van de wereld niet aanvaardt, zal als mens ten ondergaan.

        We moeten echter nog een stap verder gaan in ons nadenken over de verhouding van de mens met de wereld. De wereld, geboren uit de  dialoog met het ik-lichaam, is de enige wereld die we kennen. Die wereld is de werkelijkheid, geboren uit het werk van de mens. Die werkelijkheid, is dat wat wij het “zijn” noemen. Marx heeft al gezegd dat het object van elke menselijke handeling telkens de hele wereld is, waarbij het concrete project als figuur werkt op de achtergrond van het geheel van het ‘zijn’. Merleau-Ponty zal in dezelfde zin spreken van horizonten in onze werkelijkheidsbeleving. Levinas zal spreken over de ‘totaliteit’ die noodzakelijk verbonden is met elk project van het ‘ik’. In dit project krijgt de hele wereld en het hele ‘zijn’, zijn betekenis. Die totaliteit is de enige wereld die wij ervaren, de enige wereld waarvan wij genieten of waar wij pijn om lijden. Het is de wereld waarin wij onze waarheden  en waarden terugvinden. Na deze analyse kan ik me niet ontdoen van de indruk dat God uitroepen tot zijnsgrond van al wat is, niet helemaal met deze fenomenologische zijnsopvatting in overeenstemming te brengen is. Het ‘zijn’ verschijnt slechts met de mens, met zijn ‘hier’ en met zijn project. Het heeft te maken met het werk van de mens. Als die God ‘is’ dan zou hij een maaksel van mensenhanden moeten zijn. En zulke goden zijn ons niet onbekend.

 

2.De mens en de heteronome medemens.

 

        Het ‘ik’, als mens leeft niet alleen in de wereld. Andere ‘ikken’ leven naast mij. Zoals ik hebben ook zij de hele wereld rondom zich betekenis gegeven vanuit hun projecten en plannen. Ze beleven hun eigen ervaringswereld met hun eigen geneugten en pijn. Ze ontdekken in de wereld van de totaliteit die zij rondom zich opbouwen, hun eigen betekenissen, waarheden en waarden. Ze beschikken over  hun eigen grote of minder grote levenskracht die hun de wereld toont zoals hij voor hen ‘is’. Hij is de zingever en zinontdekker in een oorspronkelijke dialoog tussen zijn ik-lichaam en de wereld om zijn eigen projecten te realiseren.

 

        Alle dagen ontmoet ik die andere mens, dat ‘andere ik’ met zijn eigen ervaringswereld, waarden en waarheden. Hij is autonoom, zoals ook ik mijn eigen autonomie ervaar. Maar hoe dan ook, ik moet er mee omgaan. Ik kan hem niet vermijden.

 

        Ik kan die medemens ontmoeten op verschillende manieren. Daar hij als lichaam deel uitmaakt van de materiële wereld kan ik hem een plaats geven in de ruimte die ik telkens weer rondom mijn ‘lichaam-hier’ opbouw. Ik kan die medemens een rol laten spelen en betekenis geven in de realisatie van mijn eigen plannen. Hij wordt dan een nuttig instrument of een hinderpaal in de realisatie van dat project. Hij is niet meer dan een deel van de totaliteit die ik rondom mij opbouw, een ding, al zij het dan een ding met rede en vrije wil begaafd. Als ik in mijn plannen wil slagen zal ik ook daar rekening mee moeten houden zoals ik rekening dien te  houden met de autonomie van alle andere materiële dingen. Alhoewel deze benadering van de mens tot zijn medemens zeer veel voorkomt, vooral als het gaat over mensen die we slechts toevallig ontmoeten in een eerder functionele relatie, toch kan men hier moeilijk spreken van een echte menselijke ontmoeting. Andere manieren van ontmoeten zijn mogelijk.

 

        We kunnen bijvoorbeeld de materiële wereld eenvoudigweg verdelen. De medemens mag vrij zin en betekenis geven en zijn genot nastreven in dat deel van de wereld dat hem toegewezen is, terwijl ik in mijn stuk van de wereld mijn zin en betekenis kan blijven geven en mijn genot kan nastreven door mijn eigen plannen door te voeren.. Ik eerbiedig zijn anders-zijn terwijl hij mijn anders-zijn eerbiedigt. De moeilijkheid hier is wel: wie zal die verdeling maken? In de meer democratische wereld wordt dit gedaan  door de wetgevende macht, hoe dan ook door het volk gekozen. Maar ook deze benadering van de medemens is niet altijd bevredigend vermits ook hier geen echte ontmoeting plaatsgrijpt. Er is alleen geen uitbuiting meer. Het recht van de sterkste blijft echter een grote rol spelen.

 

        Een derde benaderingswijze bestaat erin de verschillen tussen onze eigen werelden te overbruggen om zo tot eventuele samenwerking te komen en tot de realisatie van gemeenschappelijke projecten. Dit gebeurt eerst en vooral door de taal. Door de taal worden dingen of situaties aangeduid die door ieder van ons op een eigen manier beleefd en gewaardeerd worden. Daardoor laat de taal de samenwerking toe in een zelfde project  waarin iedere betrokkene bereid is een eigen plan op te geven en aan een gemeenschappelijk plan te werken. Door de taal ontstaat de objectieve wereld waarin we elkaar wel ontmoeten, maar die tenslotte geen andere beleefde realiteit heeft buiten de taal. De taal is de eerste bouwsteen van elke menselijke cultuur waardoor mensen samen economische, politieke, en religieuze instellingen, waarden en waarheden opbouwen. Die cultuur uitbouwen  is de nooit ophoudende taak van mensen die willen samen blijven leven. Steeds meer en meer  delen van de materiële wereld worden met woorden aangeduid zodat meer en meer gezamenlijke projecten kunnen  uitgevoerd worden. Microbiologie is tenslotte niets anders dan de mogelijkheid steeds kleinere en kleinere deeltjes van het levend lichaam aan te duiden en deze daarna te manipuleren. Elke wetenschappelijke vooruitgang is daarop gebaseerd. De taal is een gemeenschappelijk venster waardoorheen ieder die de taal verstaat, met eigen ogen naar de werkelijkheid kan kijken. De taal is dus wel uiterst belangrijk in de menswording van de mens. Ze leidt ons binnen in de wereld van de andere ‘ikken’. Zij kunnen mijn beleven van de werkelijkheid verrijken door me telkens nieuwe ervaringen aan te bieden en zo de ervaring van ‘mijn’ totaliteit rijker maken. Dit is echter slechts mogelijk als ik de heteronomie van de andere aanvaard, als ik hem toe laat mij te leiden.Bovendien, als ik wil samenleven zal ik tenminste een deel van mijn eigen waarden en waarheden moeten opgeven, evenals een deel van het genieten van mijn wereld. Samenleven is het ‘neen’ van de andere aanvaarden. Hij bevraagt voortdurend mijn waarden en waarheden door het feit dat hij andere waarden en waarheden beleeft in zijn ‘totaliteit’.

 

       Door het samenleven en het samenwerken bouwen we een cultuur op met eigen waarden en waarheden die min of meer door iedereen in de gemeenschap worden beleden. Dit gebeurt dan weer in het samen tot stand brengen van wetten, instituties, gewoonten en gebruiken. Elke cultuur  heeft als doel het leven zo leefbaar mogelijk te maken voor het merendeel van de leden van die gemeenschap. Toch zal iedereen  met eigen ogen op die cultuur neerkijken en er zijn eigen genot en pijn in ervaren. De heteronomie van de andere mens speelt dus wel een grote rol in de menswording van de mens. Tenslotte is een volwassen mens juist degene die het ‘neen’ van de andere wil en kan aanvaarden. Door dit aanvaarden voelt een volwassen mens zich thuis in zijn eigen cultuur.

 

        Dit betekent wel dat in onze ontmoeting met de medemens de ervaring van heteromie veel sterker is dan in onze ontmoeting met de wereld. Het gaat hier om een “anders-zijn” dat we nooit volledig zullen achterhalen. De ‘andere’ als andere behoort niet tot mijn “zijnsveld” of tot de totaliteit die ik telkens weer opbouw in mijn handelingen. Levinas noemt hem de ‘oneindige’ die zelf een eigen totaliteit opbouwt, verschillend van de mijne. Dit is de reden dat we dikwijls de ervaring hebben door een andere mens niet begrepen te worden of een andere mens niet volledig te begrijpen. Hij ontsnapt aan mijn zingevend begrijpen, daar hijzelf zin geeft. Ik ontmoet hem als degene die me bevraagt. In het aanvaarden van die bevraging groei ik tot volwassenheid. Mijn weten is maar mijn weten. Mijn waardeschaal  is slechts mijn waardeschaal. Het is mijn overtuiging dat dit aanvaarden van en eerbied voor het anders-zijn van de andere deel uitmaakt van de mentaliteit van de moderniteit. De moderne mens heeft het veeleer moeilijk om “eeuwige” waarheden te aanvaarden.

 

 

 

             Terug naar voorblad.                 Naar Hoofdstuk 2.