Economie
Start Omhoog Economie Statistieken Tijdsband

 

ZIGEUNERECONOMIE 1

1) Naar: Alain Reyniers, Quelques jalons pour comprendre l’économie Tsigane, in Etudes Tsiganes nr 12,
    2de semester 1998.     (Enkele bakens om de Zigeunereconomie te begrijpen)

 

Er bestaan heel wat vooroordelen rond Zigeuners en hun inkomen: ze stellen zich “vrijblijvend” op tegenover arbeid, de herkomst van hun bestaansmiddelen is duister, zowel hun rijkdom als hun armoede is verdacht.

“Sinds de dood van Christus werkt een Zigeuner niet; hij maakt nagels en hoefijzers maar dat is geen echte arbeid” (moraal van een Hongaars Zigeunersprookje).

Een boer, die alleen het werk op de akker ernstig neemt, heeft zijn twijfels over het soort arbeid dat hoort bij commerciële activiteiten.

In elke taal zijn er wel gezegdes in de zin van: “Een Zigeuner is niet gewoon hard te werken”,

“Hij kent er zoveel van als een Zigeuner van werken”, “Hij heeft zo bang van werken als een Zigeuner”, “Zo zeldzaam als een Zigeuner zonder bedrog”, “Marchanderen als een Zigeuner”.

In zijn werk over het Romanes uit 1930 plaatst Popp Serboianu de Zigeuners en de joden buiten de Roemeense samenleving “het ene volk bedelt om te leven en het ander vergaart om te domineren.” “Enkele nomaden met als enig ideaal diefstal en roof en als enig vaderland een blad in de wind”.

Het is niet zo simpel om tegen zulke achtergrond op zoek te gaan naar een genuanceerde benadering van de Zigeunereconomie.

 

1. Een traditionele arbeidsorganisatie.

 

Zigeuners bekleden de meest diverse sociale posities: vakman, handelaar, arbeider, maar ook ambtenaar, ondernemer, kunstenaar of intellectueel. Sommige van die activiteiten zijn er van oudsher: smederij, muziek, dans. Reeds in Perzische geschriften uit de 10de eeuw wordt allusie gemaakt op muzikale beroepen van Zigeuners. IJzerbewerking wordt reeds gemeld op Korfoe sinds de 14de eeuw. Meerdere documenten geven aan dat dit een eeuw later wijd verspreid was in Centraal Europa. Een nauwkeurige studie van de gebruikte werktuigen wijst uit dat hun technieken daarvoor terug gaan op een eeuwenoude traditie uit India. Ook manden vlechten, produktie van houten voorwerpen, ambulante handel, paardenhandel, etc. zijn voorouderlijke beroepen. Andere activiteiten, zoals fabrieksarbeid, zijn recenter en hen vaak van staatswege opgedrongen.

Zigeunerfamilies hebben zich steeds weer losgemaakt uit hun vertrouwde omgeving, soms uit noodzaak, soms omdat ze ervoor kozen, dan weer om geboden kansen te grijpen. Maar telkens opnieuw was het om zich op de een of andere manier in te schakelen in de maatschappij. De bestaansmiddelen van Zigeuners hangen immers in grote mate af van de economie van de maatschappij waarbinnen zij zich bewegen. Vandaar hun grote onderlinge verschillen. Zigeuners hebben zich voortdurend moeten aanpassen en niet in het minst aan de beleid dat tegenover hen gevoerd werd. Dat is zo sinds ze eeuwen geleden in Europa opdoken tot op de dag van vandaag. De Zigeunereconomie is niet statisch. Zij past in de economie van haar omgeving en het is die, die bijna altijd de voorwaarden oplegt. In zo ‘n context hebben sommige Zigeuners gedurende eeuwen een feitelijk monopolie als ijzerbewerkers kunnen behouden, bijvoorbeeld in Oost-Europa en op het Iberisch schiereiland.

 

Ondannks hun verscheidenheid kunnen we een reeks kenmerken beschrijven die toepasselijk zijn op een grote groep van Zigeuners, onafhankelijk van de tijd of plaats dat we hen tegenkomen.

 

 


1.1 Ze gaan door voor nomaden.

Toch zijn ze in meerderheid gesedentariseerd. De enen hebben zelf die beslissing genomen omdat ze zeker zijn van een afzetmarkt. Anderen werden ertoe gedwongen, ook al speelden ze daarbij hun bewegingsvrijheid kwijt. Toch kiezen er veel voor activiteiten waarvoor een vaste stek niet nodig is: werk met een onmiddellijke opbrengst: tijdelijk verschaffen van goederen, diensten of handenarbeid aan een los cliënteel. Veel onder hen blinken uit als tussenpersoon tussen kopers en verkopers. Dit alles zorgt voor een gevoel van onafhankelijkheid en voor een bewegingsvrijheid die nauwelijks bedreigd worden door economische tegenslagen of pogingen tot gedwongen assimilatie.

Voldoende studies laten toe de Zigeuners onder te brengen bij de “rondtrekkende nomaden”(nomades péripathétiques). Dit wil zeggen:

- een endogame gemeenschap,

- meestal rondtrekkend (maar dit is niet essentieel),

- waarvan de voornaamste bezigheid bestaat uit de

- met onregelmatige tussenpozen

- verschaffing van goederen, diensten en handenarbeid

- aan een bevolking

- die voldoende koopkracht heeft,

- op een min of meer uitgestrekt territorium

- maar met een wisselend behoeftenpatroon.

 

1.2 Kenmerken van een Zigeunereconomie

Recente etnografische studies tonen aan dat, zelfstandige activiteiten met een onmiddellijk resultaat en met een eenmalige inspanning het meest gewaardeerd worden door de Zigeuners.

- Zij zouden dan bovenal zelfstandige arbeiders zijn, baas over hun eigen tijd en inzet, vrij te bewegen en hun arbeid te organiseren. Zij zijn het meest succesvol waar een stroeve arbeidsorganisatie niet blijkt te renderen, waar een tijdelijke nood zich voordoet, waar een gat in de markt is, waar zij de enigen zijn om zeer gespecialiseerde goederen en diensten aan te bieden.

- Hier moeten we ook de individuele of collectieve polyvalentie vermelden. Dat is de sleutel tot hoge (of minstens toch verzekerde) inkomsten en het bewijs van hun aanpassingsvermogen aan wisselende omgevingsfactoren.

De combinatie van mobiliteit en polyvalentie maakt activiteiten noodzakelijk

- waarvoor geen omvangrijke of gesofistikeerde machinerie nodig is,

- die gebaseerd zijn op de levering van goederen die gemakkelijk te vervoeren zijn,

- die een korte intense arbeid vereisen,

- meestal uit voeren in open lucht.

- Maar bovenal hangt het materieel succes van de Zigeuners af van de kunst om de juiste mogelijkheden van een onderneming in te schatten en een geheel van relaties te beheersen. Het is op die manier dat zij het economisch contact leggen met de gadgé: tegelijk een rol spelen, overtuigen, blijven aandringen, durf en doorzetting tonen.

 

 


1.3 De productie zelf kan op verschillende manieren georganiseerd worden.

Op zijn eentje werken bestaat wel maar het wordt niet gewaardeerd tussen de Zigeuners.

- Zigeuners associëren zich eerder met mekaar op basis van hun sterke familiale en sociale banden. Zulke familiale samenwerkingsverbanden kunnen op hun beurt weer heel divers zijn. Er is arbeid die alleen door vrouwen of kinderen wordt gedaan. Er kan een artisanale produktiefase zijn gereserveerd voor de mannen, gevolgd door leurhandel die voor de vrouwen is.

Er kan een associatie zijn van alle actieve familieleden enz. Een tijdelijke samenwerking, de zgn. vortacia (kameraadschap), brengt een aantal mannen bijeen - meestal verwanten - die samen op zoek gaan naar inkomsten. Dit is een fundamenteel egalitair systeem. De opbrengsten worden gelijk verdeeld zonder onderscheid tussen welk soort bijdrage elk geleverd heeft: arbeid, vervoer of gespecialiseerde beroepskennis. Het legt aan niemand verdere verplichtingen op dan de zaak waarvoor men samenwerkte. In de praktijk echter herhalen zij vaak deze manier van samenwerking als ze de positieve kanten ervan hebben ervaren.

- Welke ook de arbeidsorganisatie zij, de waar aan de man brengen blijft de hoofdzaak, en dat vereist steeds de nodige improvisatie: de leden van de groep gaan op zoek naar een lucratieve zaak. Dan moeten alle talenten naar boven gehaald worden: het cliënteel “bewerken”, met alle psychologische finesses die bij onderhandelingen komen kijken.

- Zij hechten veel belang aan “geluk”: men hoopt er harder op naarmate de moeilijkheden bij de economische activiteiten groter worden.

 

1.4 Een lijn in de diversiteit

De activiteiten van Zigeuners verschillen doorheen de geschiedenis, van de ene groep tot de andere, van het ene land tot de andere. Zo hebben bepaalde staten in het verleden een hele reeks beroepen verboden aan de Zigeuners, andere hebben hen dan weer verplicht zich te plooien naar de wil van een meester. Toch blijft de zelfstandige arbeid ongeveer overal hoog in het vaandel. Verzamelen en onderhandelen blijven een bijzondere aantrekkingskracht hebben, dat kunnen we op talloze plaatsen terugvinden. Onderhandelen, het geld doen rollen, aanpassingsvermogen dankzij de polyvalentie, dat zijn de sleutels voor het economisch succes. Toch zijn er veel Zigeuners die ongeschoolde arbeid verrichten, in tijdelijke contracten zitten of in sociaal ondergewaardeerde beroepen. Veel van deze laatsten worden bedreigd door werkloosheid en zijn vroeg of laat aangewezen op sociale uitkeringen.

 

Het ontbreekt ons aan gegevens om een volledig inzicht te krijgen op de plaats die de Roms, Manoesjen, Gitanos en Voyageurs innemen in de economie in hun land. Wanneer hun economisch belang bekeken wordt als individuen (hetgeen niet overal het geval is) dan wordt hun bijdrage meestal gemeten met betrekking tot de grote sectoren en de meest voorkomende vormen van arbeid. De tendensen daarin zijn soms hoopgevend, soms alarmerend. De situatie in Oost- en Centraal Europa, waar er grote aantallen Roma leven, is hierin tekenend. In deze maatschappijen die hoofdzakelijk van de landbouw leefden, leken de traditionele Zigeuneractiviteiten, in essentie gericht op die landbouw, ten dode opgeschreven. Ook al vóór de Tweede Wereldoorlog. De inschakeling van de Roms in de industrialisatie en de collectieve landbouw zou hun aansluiting bij het proletariaat nog versnellen.. Vandaag ondergaat deze laag gekwalificeerde arbeid een sterke sociale uitsluiting, veroorzaakt door de verhoogde technologische eisen en door de privatisering van de produktiemiddelen in Oost-Europa. Daarentegen herstellen heel wat Roms, met de hierboven geschetste achtergrond, hun eigen economie in ere met heel wat raakpunten met de nomadische ingesteldheid.

 

 


2. De communistische periode.

In de decennia vóór de Tweede Wereldoorlog wordt het leven voor de Zigeuners in Centraal en Oost-Europa steeds moeilijker: zij moeten aan de kost zien te komen als handarbeider maar ze vinden nekel tijdelijke en onzekere banen.

Alsof ze tijdens de oorlog nog niet genoeg afgezien hadden worden de Roma daarna geconfronteerd met de communistische regimes. Bijna overal worden ze een verarmde sociale klasse met een minderwaardig statuut. Volgens de nieuwe ideologieën spreekt het vanzelf dat die armoede zal verdwijnen met de komst van de nieuwe socialistische orde. Van daaruit leggen de staten een assimilatiepolitiek op aan hun Roma (met uitzondering van Bulgarije dat een zekere culturele erkenning ontwikkelt tussen 1947 en 1953). Als gevolg daarvan ontstaat een uitgebreide proletarische arbeidersklasse. En samen daarmee syndicaten, kaders en intellectuelen. Een beperkt aantal Roma maakt zelfs carrière binnen de administratie en de Partij.

Van lieverlee gaan de producenten van houten voorwerpen in de collectieve boerderijen werken, trekken muzikanten naar bouwwerven en beginnen de smeden als fabrieksarbeiders.

Sommige Roma die in dat industrieel gebeuren stappen kunnen hun traditionele vaardigheden nog behouden, bijvoorbeeld sommige smeden. De meerderheid van de Roma zit echter in slecht betaalde en laag gewaardeerde jobs die geen hoge kwalificatie vereisen.

 

Toch biedt de massa van de Roma weerstand aan de assimilatie. En die weerstand wordt al te vlug toegeschreven aan hun nomadisme, dat gezien wordt als een afwijkende criminogene levenswijze. De eigenschappen van de rondtrekkende economie worden door de communistische autoriteiten voorgesteld als evenveel hinderpalen voor hun inschakeling in het produktiesysteem:

- de terughoudendheid om zich te engageren in economische activiteiten op de lange termijn,

- de voorkeur voor de gemakkelijk winst,

- de voorkeur om zijn diensten ter beschikking te stellen van de meeste bediende van het ogenblik.

Het is op basis van zulke uitgangspunten dat brutale maatregelen ter sedentarisatie werden genomen in Bulgarije en ex-Tsjechoslowakije vanaf 1953. Rondtrekken werd verboden in Roemenië vanaf 1962. In Polen wordt een sedentarisatieprogramma ontwikkeld in 1952 en volop in praktijk gebracht in 1964. Algemeen gesproken worden onderwijs, legerdienst, uit mekaar halen  van gemeenschappen, voorbehouden arbeidsplaatsen in staatsbedrijven, hulp bij huisvesting e.d. gezien als maatregelen om de achterstelling van de Roma uit te roeien. In Hongarije bijvoorbeeld werd hun lot bezegeld in het decreet van het Centraal Comité van de Communistische Partij d.d. 20.06.1961. Dit decreet is een regelrechte planning van de assimilatie van de Roma in de Hongaarse samenleving. Het ambieert een spectaculaire verbetering van de levensvoorwaarden van de Roma op het vlak van huisvesting en tewerkstelling tussen 1961 en 1986. En de jaren ‘70 werden inderdaad ook jaren van quasi algemene tewerkstelling in Hongarije. 85% van de Roma werkte in de formele economie (de andere Hongaren haalden 88%). Maar zij bezetten er de minderwaardige, onderbetaalde posten waarvoor geen scholing is vereist. De arbeidsvoorwaarden waren slecht. Vaak moesten de mannen ver van huis gaan werken, waar ze dan huisvesting kregen met zeer weinig comfort. De veelvuldige verplaatsingen en het harde werk veroorzaakten oververmoeidheid en daardoor gezondheidsproblemen.

Niettemin slaagden de Roma er soms in om betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Dit lukte als ze etnisch homogene brigades konden vormen. Diegenen die in de bouw werkten konden in het weekend voor private opdrachtgevers gaan werken zodat ze een bijkomend inkomen verwierven en dus een beetje onafhankelijker werden van hun patroon.

Deze massale opname in het proletariaat heeft voor vele families geresulteerd in een sociale promotie. Maar omdat ze niet gepaard ging met een stijging van de opleidingsgraad heeft ze nog veel meer families in een zwakkere positie gebracht. Volgens gegevens uit 1989 van het Joegoslavisch federaal bureau zijn 58% van de actieve Roma ongeschoolde arbeiders en 20% halfgeschoold. Het grootste deel van hen werkt in de industrie of op wegenwerken. Zij zitten hoofdzakelijk in de jobs die de meerderheid links laat liggen. De ondermaatse tewerkstelling zet velen ertoe aan om naar het Westen te trekken, hoofdzakelijk Oostenrijk, Frankrijk en Duitsland. In Tsjechoslowakije geeft de volkstelling van 1970 aan dat 87% van de mannelijke Roma tussen 15 en 60 jaar aan het werk is (tegen 91% van de totale bevolking). Maar 85% van hen zijn arbeiders (tegen 57% van de totale bevolking). Ook hier zit de meerderheid in ongeschoolde banen in de wegenbouw, de bouw, de spoorweg, vuilnisophaling, bosonderhoud. De statistieken van 1980 tonen aan dat hierin geen verandering is opgetreden. Gaan we echter de cijfers opsplitsen naar geslacht dan zien we dat de Roma-vrouw nog meer gemarginaliseerd is op de arbeidsmarkt, terwijl haar economische belang in het gezin toeneemt.

In feite begingen de communistische staten deze fouten deels uit onwetendheid omtrent de culturele eigenheid van de Roma, deels omdat ze de diepgewortelde vooroordelen bij de meerderheidsbevolking onderschat hebben.

 

Meerdere factoren kunnen deze complexe toestand verklaren: de heterogenitiet van de Roma, gebrek aan beroepsopleiding en voortdurende etnische discriminatie.

 

2.1 De verdeeldheid in de Romagemeenschap

Sommige Romagroepen hebben een sterkere sociale en culturele samenhang dan anderen; de enen kennen een gestage deculturatie, anderen hebben sinds lang een minderwaardigheidsgevoel tegenover de gadgo geïnterioriseerd. Maar sommigen hebben een strijdbaarheid behouden waardoor ze vlot kunnen blijven inspelen op mogelijkheden die zich voordoen. Sommige Roma maakten dus sneller gebruik van de economische perspectieven die het communisme meebracht. Meedraaien in administratie, partij, politie en leger gebeurde meestal door Roma die vaak al een lange tijd gesedentariseerd waren en opgenomen in het gewone dorps- of stadsleven. Zij stapten daarin mee zonder hun Romaziel kwijt te spelen, maar in de statistieken worden ze nooit als zodanig geregistreerd.

Daarnaast waren er al die anderen die zo goed en zo kwaad als het ging hun levenswijze, gebaseerd op flexibiliteit, verder zetten; gekenmerkt door aankoop-verkoop of aanbod van tijdelijke diensten waarin de familiale cel de produktiebasis bleef. Zij aanvaardden tactisch de politiek vanuit de meerderheidsbevolking en de wettelijke begrenzingen die hen werden opgelegd; maar zij verkenden systematisch de verste uithoeken van de speelruimte die ze hadden. En ze deden er hun voordeel mee. Zij hadden daarmee geen erkend werk maar de administratie, hoe verwonderlijk dat ook moge klinken, had geen benul van het aantal mensen in zulke situaties (bijvoorbeeld hoeveel ouders zonder papieren kinderen op de wereld zetten die niet werden aangegeven aan de bevolkingsdiensten).

 

2.2 Gebrek aan beroepsopleiding en voortdurende discriminatie

Het moet gezegd: 40 jaar communisme heeft ervoor gezorgd heeft dat er tussen de Roma intellectuelen zijn opgestaan, syndicalisten en een arbeidersproletariaat in de grootste industriële en landbouwsectoren. Toch heeft de etnische groep als geheel geen harmonieuze ontwikkeling gekend. De kloof tussen arme en rijke Roma blijft toenemen. Ook de marginalisatie. Het communisme heeft de teloorgang van de traditionele beroepen versneld (die toch al maar door een klein aantal werden uitgeoefend). Daardoor verdwenen de traditionele sociale structuren die de verhouding met de gadgé regelden. De illusie van de volledige tewerkstelling verdween stilaan in het Oostblok met de implosie van de zware industrie.

Wie toen in de gangbare economische activiteiten instapte deed dit niet altijd uit vrije wil. Een deel werd ertoe verplicht door de autoriteiten omdat hun traditionele bezigheden als parasitair werden bestempeld. Anderen werden ertoe gedreven omdat hun vroegere afzetmarkten verdwenen. De snelle industrialisatie vereiste een snelle aanvoer van ongeschoolde arbeiders. De Roma vonden er massaal werk. Dit had voor effect dat de Roma, in de waan dat ze vast werk en inkomen hadden, geen motivatie ontwikkelden om hun kinderen naar de school te sturen van een sociaal systeem dat ze bleven wantrouwen. Tegelijk bleef hun eigen plaats op de arbeidsmarkt kwetsbaar.

 

2.3 Nomadisme

Ook al hebben de communisten het nomadisme op juridisch vlak bestreden, toch bleef het bestaan onder verschillende vormen. In Rusland trekken groepen nomaden van de ene boerderij naar de andere, vooral als seizoenarbeiders. Plaatselijke autoriteiten tolereren ook kleinschalige ambulante handel. Ongeveer 8% van de Zigeunerbevolking leeft zo rondtrekkend. In Polen zijn de vroegere nomaden semi-sedentair geworden. Sommigen trekken alleen nog maar gedurende een gedeelte van het jaar, andere trekken heel het jaar rond, maar hun verplaatsingsmiddelen zijn veranderd. Ze reizen per trein of per auto naar plaatsen waar ze familie hebben, daar brengen ze meestal de zomer door. Het traditionele nomadisme heeft plaats gemaakt voor een uiterst ontwikkelde mobiliteit die niet meer opvalt. In Roemenië vinden we verschillende vormen van mobiliteit naast elkaar. De minst mobiele Zigeuners trekken op met de seizoenarbeiders. Zigeuners uit Moldavië of uit het noordoosten van Transylvanië komen hun arbeid verhuren aan de bedrijven en de staatsboerderijen in de buurt van Timisoara. Sommige families trekken rond in één district of in meerdere aangrenzende districten. In Bulgarije vinden we nog nomaden langs de noord- en oostgrens van het land. Mits betaling van een belasting leiden de Ursari (berenleiders) een semi-sedentair leven: tijdens het hoogseizoen trekken ze door de steden en de vakantieoorden. Seizoensarbeid of tijdelijk werk gecombineerd met wisselende verblijfplaatsen is zeer sterk uitgebouwd. In Hongarije moet de meerderheid van de Zigeuners  lange afstanden afleggen om op hun werk te geraken: hechte opvallende Roma arbeidersgroepen in de stations en Zigeunertreinen zijn er heel gewoon.

Wie op zoek is naar de beste inkomsten is wel verplicht tot trekken. In ex-Joegoslavië bijvoorbeeld trekken de Zigeuners uit het arme Zuid-Moravië geregeld naar het meer ontwikkelde Vojvodina in de hoop er werk te vinden, vooral in de landbouw. Sinds de Tweede Wereldoorlog verplaatsen de Slowaakse Zigeuners zich constant naar Tsjechië. Zo ruilen ze hun arme streken voor de industriële centra of voor landbouwstreken waar handenarbeid tekort is. Om deze stroom onder controle te krijgen heeft de Tsjechoslowaakse staat in 1958 zulke draconische maatregelen genomen tegen het nomadisme: de opgelegde migratie van Zigeuners van sommige Slovaakse districten naar Bohemen is pas in 1968 stopgezet. De migratiestroom komt echter in 1970 al opnieuw op gang. Met gevolgen voor Praag net zo goed als voor Bratislava.

Het is in deze context: verplaatsingen op zoek naar inkomens die hoger zijn en meer zekerheid bieden, dat we de migraties van vandaag naar het Westen moeten begrijpen. Die zijn al aan de gang van in de jaren 60 en recentelijk is daar het fenomeen “asiel” bijgekomen.

 

 


2.4. Traditionele activiteiten in ere houden.

Een van de redenen waarom de Zigeuners onderling zo verdeeld zijn is de, soms eeuwenoude, specialisatie in zoveel verschillende handels- en produktiepraktijken. Om die activiteiten op gang te blijven houden moest men zich altijd goed kunnen verplaatsen. Om zich aan zeer veranderlijke situaties aan te passen hebben de Zigeuners een individuele en collectieve polyvalentie ontwikkeld. Die komt in hoofdzaak erop neer dat ze in de meest diverse branches handel kunnen drijven. Ook de gewoonte om economisch succes aan “geluk” toe te schrijven heeft daartoe bijgedragen. Zo is het dat de Zigeuners hun contact met de niet-Zigeuner opbouwen en een communicatie hanteren waarin mensenkennis de doorslag geeft.

 

Veel van de zgn. traditionele Zigeunerberoepen waren al verdwenen vóór de Tweede Wereldoorlog maar de culturele waarden die ermee verbonden waren zijn blijven bestaan.

Sommige uiterst goed gestructureerde families slaagden erin hun produktiewijzen in stand te houden en daarvoor een markt te blijven vinden. Bijvoorbeeld fabrikanten van glazen kolven in Transylvanië, sommige ketelmakers, experten in metaalbewerking, dierenhandelaars… In sommige streken zijn er Roma die ruwe baksteen blijven vervaardigen. Als de gelegenheid zich voordoet vestigen Roma zich als kleine aannemers doch zonder hun etnische achtergrond bekend te maken.

Sommigen openen een schrijnwerkerij of een restaurant en werven niet-Zigeuner personeel aan. Ongeveer overal blijft het verzamelen van voorwerpen bestaan, vaak met toestemming, zelfs ondersteuning vanuit de lokale besturen: oude metalen ophalen in steden, handel in brocante, soms als bijverdienste. Families zijn gespecialiseerd in de recyclage van gebruikte voorwerpen, ophalen en verkopen van gebruikte flessen en glazen potten, recuperatie van metalen, brocante, productie van wasspelden. Anderen verhandelen allerhande waar die in het formele circuit niet voorhanden zijn. Muzikanten slaagden erin hun beroep te behouden maar ze moesten zich aanpassen aan de moderne smaak of passeren via de officiële circuits (conservatorium, …).

Met de nodige moeilijkheden hebben sommige families coöperatieven opgericht. In Nogradmeyer in Hongarije hebben Zigeuners een grote ijzersmelterij opgezet waar tot 240 personen werk vinden. In ex-Tsjechoslowakije krijgen meerdere families de gelegenheid om in te stappen in “geassocieerde produktie-eenheden” opgericht in het kader van collectieve boerderijen. Die eenheden moeten zorgen voor werk buiten het hoogseizoen in de vorm van kleine flexibele ondernemingen. Burguzi Zigeuners uit de streek van Dalgopol en Provadia in Bulgarije vervaardigen metalen werktuigen volgens hun traditionele methodes maar met een moderne arbeidsorganisatie. Ze staan zelf in voor de afzet van de afgewerkte produkten. Lingurari Zigeuners die traditioneel in de houtvesterij werken, bouwen hun contracten met het buitenland enorm uit, vooral met de grote bosbouwregio Komi in Rusland.

Wie in de industrie stapt slaagt er soms in om zijn traditionele vaardigheden te gelde te maken, zeker de ijzerbewerkers.

Andere activiteiten gebaseerd op onderhandeling (zoals bijvoorbeeld bedelen) zijn omgevormd tot het gebruik van sociale voorzieningen, hetgeen vaak leidt tot een heel eigen soort nomadisme: de zoektocht naar het meest genereuze sociale systeem.

Het is tevens zo dat werk zoeken in loondienst vaak op een traditionele wijze gebeurt. Dit soort arbeid verschaft op zich geen prestige. Toch kan het een middel zijn om een inkomen te verwerven dat past binnen hun eigen cultuur. Daarom wordt het toch gedaan maar men geeft de voorkeur aan werk dat weinig inspanning vergt en onmiddellijk resultaat geeft. Vandaar dat diensten worden aangeboden aan de meest biedende op dat ogenblik. Met zulke economische flexibiliteit is het aan te nemen dat een aantal Zigeuners een imago van onstabiliteit creëren.

 

3. De overgangsperiode

 

De eerste massieve ontslagen van Zigeuners in Hongarije beginnen in het midden van jaren 80. Dat wordt nog erger bij de invoering van de vrije markt economie, en het doet zich voor in alle landen die een gelijkaardige periode doormaken vanaf 1990. Ongeveer overal zijn het de laagst geschoolde Zigeuners die de rekening betalen voor het overschot aan handenarbeid, net zoals zij al de vergeten groep waren bij de landbouwhervormingen (zeker bij de herverdeling van de gronden).

 

De situatie van de Roma op de arbeidsmarkt is catastrofaal geworden

In Hongarije is de werkloosheid onder de Zigeuners 34% terwijl het maar 11% is over de hele actieve bevolking. Van hen worden 43% beschouwd als passieve werklozen (die geen werk meer zoeken vanwege moedeloosheid), tegen slechts 13% bij de totale actieve bevolking. Het aantal langdurig werklozen, dat geen uitkering meer krijgt, is eveneens veel hoger dan bij de rest van de bevolking.

26% van de Zigeuners (tegen 63% van de totale actieve bevolking) beschikt over een geregeld inkomen. Een recente enquête in het Noordoosten van het land heeft aan het licht gebracht dat niet eens 20% van de mannelijke Zigeuners bereikt worden b ij wervingscampagnes. Sommige bronnen beweren zelfs dat de werkloosheidsgraad in die streek de 100% benadert. Een enquête van Elena en Catalin Zamfir heeft uitgewezen dat meer dan 50% van de mannen en 70% van de vrouwen hun werk kwijt geraakt zijn. Slechts 3% van de mannen en 2% van de vrouwen krijgt een werkloosheidsuitkering. Uit dezelfde enquête blijkt hoe de Zigeuners zich nog niet hebben kunnen aanpassen aan de huidige economische vereisten: 86,6% van de vrouwen en 58% van de mannen zouden geen enkele opleiding gehad hebben; slechts 1,8% heeft een middelbaar tot hoger opleidingsniveau. 27% van de jongeren zouden analfabeet zijn en 40% van de 8-jarigen zou nooit naar school zijn geweest of is daarmee al gestopt. Deze getuigenissen komen overeen met de recente daling van het scholingsniveau. De verarming die zowat iedereen in het land treft, is bij de Zigeuners catastrofaal: 87,5% zou geen (40,6%) of nauwelijks (46,9 %) bestaansmiddelen hebben.

 

In Bulgarije schommelt het werkloosheidscijfer tussen 60 en 70% voor de Zigeuners in de stedelijke getto’s, met pieken tot 90% in sommige wijken. Met de Zigeuners op het platteland gaat het niet beter.

 

Alles wijst erop dat werkloosheid zeer hard toeslaat bij de Roma in Oost-Slowakije. In sommige districten is praktisch de hele werkbekwame Zigeunerbevolking uitgesloten van de arbeidsmarkt.

Het levenspeil van de meerderheid van de identificeerbare Zigeunerbevolking gaat sterk naar beneden. Zij leven hoofdzakelijk van beperkte sociale uitkeringen en andere hulp die daarenboven de stijging van de levensduurte niet kan volgen.

 

Om een totaalbeeld te krijgen van de economische situatie van de Roma zouden we nog informatie moeten bijeen brengen over Roma die hun etniciteit verborgen houden. Maar die hebben we natuurlijk niet. Hun toestand verschilt blijkbaar nogal van land tot land. Wat er ook van zij, er zijn Roma die werken in het leger, administraties, universiteiten … en vaak op zeer hoge posten. We vinden hen ook in de middenklassen.

 

Waar de omstandigheden gunstig zijn en dankzij hun familierelaties en hun hervonden mobiliteit, twee dingen die het communisme niet heeft kunnen uitroeien, ontwikkelt een steeds toenemend aantal families commerciële ondernemingen, waarvan het etnisch etiket niet altijd even zichtbaar is. Daarin slagen zij dankzij investeringen van diverse herkomst, maar op een veel wijder verbreide wijze dan in de vorige decennia Op sommige plaatsen starten ze ook zulke bedrijven vanuit politieke of culturele achtergronden.

Herkennen we hier een manier van economisch handelen die diep ingeworteld zit in de Romacultuur? En die opnieuw opbloeit zodra de omstandigheden het toelaten ?

 

Vandaag de dag zijn we in volle overgangsperiode naar een markteconomie, gecombineerd met een etnische discriminatie die officieel wordt genegeerd maar die soms extreem sterk is.

Daardoor neemt de zwakke inschakeling van de Roma in de economie beangstigende vormen aan. Wie nog het meest hun voordeel doen en blijk geven van ondernemingszin zijn juist die groepen, die hun aanpassingsvermogen geheractiveerd hebben, gericht op mobiliteit en handel. In de meeste gevallen gaat het om groepen die het best de familietradities en de daaraan verbonden waarden hebben bewaard.

De zelfstandige arbeid floreert. Familiebedrijven ontstaan: kleine detailhandel in kiosken, gespecialiseerde kledings- en voedingswinkels. Bvba’s stellen soms tientallen mensen te werk, vooral in de bouw. Als ze de kans krijgen vestigen Roma zich als kleine ondernemers, vaak zonder voor hun etnische eigenheid uit te komen. Sommigen openen bijvoorbeeld een schrijnwerkerij of een restaurant en ze stellen daar niet-Zigeuners te werk. Waar het nodig is wordt zelfs de verkoop aan zulk personeel over gelaten.

 

De huidige economische ontwikkelingen roepen meerdere bedenkingen op m.b.t. het nomadisme.

Sommige Poolse Roma hebben een bloeiende handel in elektrische huishoudapparaten. Andere families hernemen hun traditionele beroepen.

In Bulgarije, waar het nomadisme altijd verboden was, hebben ex-nomaden hun verplaatsingen hernomen in het kader van hun oude beroepen: de enen herstellen koperen potten en pannen, anderen geven voorstellingen. Toevallig of niet in de streken waar hun voorouders ook rondtrokken.

Vele Roma migreren van de stad naar het platteland. Zij hopen zo te ontsnappen aan de armoede en werkloosheid en terug werk te vinden in de landbouw. In elk geval kunnen ze moeilijk landbouwgrond bekomen zonder startkapitaal.

In meerdere landen duurt het seizoensgebonden rondtrekken nog altijd voort, het is zelfs niet helemaal stilgevallen in de communistische periode. Roma ondernemen nu tijdelijke verplaatsingen naar het Midden-Oosten of naar het Zuid-Westen om te gaan werken in de landbouw of woningbouw. Muzikanten trekken meer en meer naar West-Europa. Zowat overal is het element “verzamelen” terug tot leven gekomen: brocante, oud ijzer, oude kleren; plukken van geneeskundige kruiden, van wilde vruchten of paddestoelen. Detailverkoop van sigaretten, scheermesjes, geneesmiddelen, prullaria komt op gang. Meerdere handeltjes ontstaan: verkoop van produkten die men goedkoop op de kop heeft kunnen tikken, geld wisselen.
Meer en meer nemen Roms posities in in de informele circuits (zie tabel)

 

Deelname van Romagezinnen in Hongarije in de informele economie (1994)

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

Verzamelen (kruiden, paddestoelen, slakken, brandhout, …)             23,20 %

Gelegenheidswerkjes (vooral landbouw, woningbouw)               17,10 %

Manueel oogsten (na de machinale)                                                        9,00 %

Recyclage (van verkoopbaar afval)                                                   4,40 %

Illegale handel                                                                                      2,40 %

Verkoop artisanale produkten (manden, enz..)                                    2,20 %

Diensten (muzikanten, gelegenheidsvervoer …)                                   1,60 %

 

Het handelt hier echter om activiteiten op het randje van de wettelijkheid, heel labiel en zonder enige sociale zekerheid. Naast zulke bezigheden, waarvan ze hoogstens slechts kan over-leven, ontwikkelen ze er ook andere, meestal in het kader van de handel, op nationaal en zelfs op internationaal niveau. Goederen worden in het ene land in grote hoeveelheden aangekocht en verkocht in een ander land; deviezen van het ene land worden in een buurland aan de man gebracht. Zo is er een heel netwerk actief tussen Roemenië en Hongarije, tussen Roemenië en Bulgarije en Turkije, tussen Bulgarije en Ex-Joegoslavië.

 

De vrije markt geeft ruimte aan een creatief potentieel, aan kleine ondernemingen en aan een opleving van flexibiliteit die het vorige regime niet helemaal heeft kunnen teniet doen. In die context kunnen we de trek van Roma naar het Westen begrijpen. De Europese media en heel wat organisaties voor de verdediging van de Rechten van de Mens hebben deze trek geduid als een vlucht voor de bedreiging van de fysieke en culturele integriteit. Daarmee nemen ze de discours over van deze asielzoekers. En zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van die bedreigingen, moeten we deze diaspora evenzeer plaatsen binnen die hernomen economische mobiliteit. Zij blijven immers niet lijdzaam toezien bij de penibele levensomstandigheden die hen treffen. Sommigen vertrekken op zoek naar een veilige haven of een Nieuw Eldorado, zonder plannen om terug te keren. Sommigen handelen volgens een strategie om zo lang het gaat te putten uit de sociale voorzieningen binnen het onthaal- en opvangbeleid in het Westen. Vaak vinden zij het niet meer dan normaal dat zij dat doen, gezien hun belabberde economische toestand en hun gezondheidsproblemen.

 

In Roemenië hebben Roma-ondernemers bloeiende zaken. Families slagen erin een monopolie te bewaren of te verwerven in hun streek voor de handel in tweedehands materialen. Anderen starten met het ophalen en verkopen van antiek. Dat heeft niet altijd evenveel succes. Veel hangt af van

- het geïnvesteerde kapitaal

- de samenhang binnen de familie of van hun sociaal netwerk

- de individuele handigheid.

 

Ze hebben het meest kans op succes als ze hun traditioneel leven hebben kunnen behouden en als ze zijn kunnen blijven werken in de branche waarin ze al een (quasi-)monopolie hadden: ketelmakerij, produktie van dakgoten, veeartsenij. Zij rekenen daarbij op een voorouderlijke dynamiek gebaseerd op een neus voor zaken en een aanpassingsvermogen dat zich door niets laat tegenhouden. Andere groepen profiteren van verworvenheden uit de communistische periode (technologie, syndicale solidariteit…) om op hun beurt bedrijven op te starten. Kortom een hoop mensen stappen uit de betaalde arbeid om in zaken te gaan: schrijnwerkerij, landbouwmachines, import-export…

Mensen beginnen rond te trekken wegens de huidige politieke omstandigheden (sinds het einde van de koude oorlog) en het gebrek aan vaste banen. Maar zij vormen geen homogene groep. Je vindt er mensen tussen die al rondtrokken tijdens het communistisch regime. Er zijn er ook die een reeks troeven achter de hand gehouden hebben en zonder al te veel problemen opnieuw de levenswijze van hun voorouders opnemen. En dan zijn er ook nog die geen keuze hebben en het er gewoon op wagen. De oude nomaden hebben hun aanpassingsdynamiek behouden ondanks de decennia van gedwongen sedentarisatie.

Het behoud van dichte familiale netwerken is ook een voordeel. Enerzijds wegens de solidariteit die daarbinnen heerst, anderzijds wegens de vlotte doorstroming van informatie. Die is noodzakelijk om een “goudmijn” te vinden of een om kleine onderneming op te zetten. Het kapitaal van de Roma zijn hun   sociale relaties, de sleutel bij uitstek tot materiële welvaart. Dit blijft meer dan ooit afhankelijk van goede mensenkennis, die niet (meer) overal aanwezig is.

 

 


4. Economie en behoud van eigenheid

De afstand tussen de Zigeuners onderling blijft toenemen. Een klein aantal zit in zaken. Veel investeren in een informele economie met wisselende kansen, sommigen storten zich in een kleine zelfstandige handel, een groot aantal is uitgesloten uit de arbeidsmarkt, nog anderen zijn goed geïntegreerd in de bestaande hiërarchie van het land waar ze wonen. Ondanks alles is er echter geen stijging naar een zekere middenklasse, ook niet in die staten die zo prat gingen op hun “emancipatie van het proletariaat”.

Vanuit de gadgo-mentaliteit was er weerstand: meerdere grootschalige programma’s voor Zigeuners in Hongarije en Tsjechoslowakije werden nooit in praktijk gebracht bij gebrek aan interesse bij de lokale besturen.

We mogen echter ook de mentaliteit in de Zigeunergemeenschappen niet uit het oog verliezen:

- enorme sociale druk tot nivellering, die kan leiden tot emancipatie maar ook tot stagnatie

- een blijvend gevoel van minderwaardigheid tegenover de gadgé

- apathie bij sommige marginale groepen (die dan gestigmatiseerd worden als “klaplopers”)

- simpelweg een gemeenschappelijk afscheidingsdrang die zeker geen vlotte inschakeling in de maatschappij mogelijk maakt.

 


Er blijft enkel nog de capaciteit tot (onder)handelen over,
één van de activiteiten waarin Roma van alle slag hun diep vrijheidsgevoel terugvinden.

 

Hoe kunnen
- het ideaal van de zelfstandige arbeid,
- de inschakeling in de maatschappij en
- het behoud van een sterke collectieve identiteit

met elkaar verzoend worden ?

Dat is al sinds eeuwen de cruciale vraag. De kunst van de Zigeuners is dat ze er tot nu toe altijd een effectief antwoord op gevonden hebben:

- zo weinig mogelijk invloed van de gadgé toelaten

- de sterkte van het gemeenschapsgevoel cultiveren

- de band tussen de sociale basisgroepen (bijv. gezin)
en de referentiegroep (de stam) in ere houden.

Dit zijn de drie voornaamste elementen in de strategie die elke gemeenschap ontplooit binnen een gegeven context en op haar eigen wijze.

Qu’on y songe.

 

Wie moet leven met beperkte middelen in een vijandige omgeving wordt gedwongen tot een concurrentie die zo hard is dat het sociale weefsel erdoor kan teniet gedaan worden.

Polyvalentie, aanpassing aan lokale markten, de zoektocht naar nieuwe economische mogelijkheden: het bevordert de instandhouding van gemeenschappelijke culturele tradities helemaal niet.

De slechte levensomstandigheden en de sterke verwerping door de buitenwereld (ook al is die slechts tijdelijk) zijn versterken onvermijdelijk de interne cohesie.

Omdat Roma geen gemeenschappelijke stabiele beroepsbezigheden hebben, wordt hun manier van werken of van meerdere ruiven te eten als een typische “romanes”houding gezien; voor sommigen het sleutelelement van hun collectieve identiteit.

We mogen echter niet vergeten dat hun bekommernis om hun authenticiteit zich in de eerste plaats uit door het in ere houden van gewoonten - met name economische - eerder zelfs dan van meer gesofistikeerde culturele uitingen. Die laatsten zijn nooit helemaal afwezig; zij zijn echter verbonden met de economische activiteit (bijv. professionele muzikanten) of aan de mogelijkheden die ze bieden om de gemeenschappelijke eigenheid in de verf te zetten.

 

5. Vooruitzichten.

De communistische regimes zijn er niet in geslaagd een aantal basiswaarden van Zigeuners uit te roeien:

- de voorkeur voor de directe opbrengst, en dit uit arbeid, verkoop of gelukkig toeval.

- de snelle aanpassing aan de vraag van een potentieel cliënteel

- activiteiten ontplooien die mobiliteit vereisen.

Welnu de Zigeuners die succes boeken in het Westen vertonen dezelfde karakteristieken: een flexibele economie, polyvalentie en de kunst van te (onder)handelen.

De enen slagen erin op tijdelijke behoeften in te spelen of die uit te lokken. Anderen bewaren een zeer gespecialiseerde activiteit maar kunnen de commerciële mogelijkheden ervan uitbreiden.

 

Grote aantallen Zigeuners kunnen de eisen van de West-Europese economie niet meer bijhouden. Steeds vaker kunnen ze hun traditionele beroepen pas uitoefenen als ze daarvoor een diploma halen. Leurhandel is gereglementeerd; in de recuperatie en recyclage neemt de concurrentie toe. Moeten we ons dan neerleggen bij deze alarmerende vaststelling en daarmee de Roms, Manoesjen, Gitanos en Voyageurs veroordelen tot de marginaliteit ?

 

Redenen tot sedentarisatie vind je vaak in de handel zelf. In de recuperatiehandel is er bijvoorbeeld stockageruimte nodig, dat noodzaakt de aankoop van een terrein of een woonst. De ontwikkeling van nieuwe verkoopstechnieken, per telefoon of kleine advertenties, beter aangepast aan de smaak vaan het cliënteel, maken ook een vast adres noodzakelijk.

Van de andere kant treft de ontwikkeling van de geïndustrialiseerde maatschappij een grote groep Zigeuners - zonder twijfel de meerderheid - meedogenloos. Er is de tendens om alle beroepen restrictief te reglementeren, zoals huis-aan-huis verkoop, ambulante handel, zelfs schoorsteenvegen. Een geografische verplaatsing wordt vaak voorafgegaan door een dooltocht doorheen de administratie die zelfs de meest hardnekkigen kan ontmoedigen. Mechanisatie vervangt de ongeschoolde handenarbeid waarin veel Zigeuners tot nu toe een seizoensgebonden uitweg vonden. Vaak vereist een aanpassing aan de moderne beroepen een hogere scholingsgraad en een aanzienlijk startkapitaal. Verschoppelingen zijn er veel, ze moeten het zien te rooien met de openbare onderstand: 10 à 20% van de Britse Travellers leven in totale ontbering; 20% van de Franse Zigeuners leven van het bestaansminimum. Omdat zij de weg van de integratie via scholing niet opgaan worden nieuwe economische niches opgezocht: interimarbeid, soms ook de criminaliteit. Met wisselende bijval hebben de verschillende Zigeunergemeenschappen een overlevingsstrategie (savoir-vivre) ontwikkeld die doorspekt is met ceremoniële handelingen en formules, opgesmukt met een rijk repertoire van gezangen en gezegden die getuigen van de geheimen van een oude traditie (mentalité originale). De ene al beter dan de andere, slaagt erin om eigen beroepsactiviteiten en een eigen cultureel patrimonium in stand te houden. De wil om te verschillen van de gadgé en het feit zelf van de sociale afstand tussen de ene en de andere Romagroep hebben bijgedragen tot de overleving van groepen die onderscheiden worden op basis van hun economische organisatie en hun culturele dynamiek. Hoe hard dit proces het ook te verduren heeft gehad in de loop van de geschiedenis, het heeft de hele Middeleeuwen overleefd, in elk geval toch zolang de landbouw niet gemechaniseerd was.
De invoering van de machine heeft de economie van veel Zigeuners gedestabiliseerd maar zonder hun overleving echt in gevaar te brengen. Maar kunnen we dit nog stellen sinds hun massale inschakeling in het socialistisch produktiesysteem en nog globaler: sinds de komst van de postindustriële technocratische maatschappij ?

Dezelfde aanpassingsprocessen en individueel uitproberen van vernieuwende activiteiten dragen bij tot de instandhouding van hun grote verscheidenheid. Maar het Zigeunermilieu vertoont ook nieuwe collectieve uitingsvormen. We hebben immers gezien dat niet alle Zigeunergroepen zich even sterk hebben geïntegreerd in de proletarische produktiewijzen, ook vanuit de kant van de gadgé was de druk niet altijd even hoog. Zo vinden we nu geproletariseerde Zigeuners die een bewustzijn en cultuur hebben van de arbeiders- of middenklasse, bij wie het etnisch element afwezig of bijkomstig is. Er zijn ook Zigeuners die ontsnapt zijn aan de proletarisatie en die hun eigen kentrekken bewaard hebben zoals ze die geërfd hebben uit het verleden. Tenslotte zijn er Zigeuners die onder dwang in het proletariaat werden geduwd maar die erin geslaagd zijn een opmerkelijk gevoel van etnische eigenheid te bewaren. Heel in het bijzonder moeten we hier de groepen vermelden die de individualisering van de loonarbeid hebben overstegen door het geld in te brengen in parallelle economische activiteiten waarin het gemeenschapsaspect de boventoon voert.

Daarentegen zijn er meerdere gemeenschappen die uiteengevallen zijn en waarvan de leden noch in de gadgo maatschappij noch bij andere Zigeunergroepen aansluiting gevonden hebben. Niets laat vermoeden dat ze dit snel zullen te boven komen. Zij vormen een gemarginaliseerde massa zowel economisch als sociaal, zonder duidelijke culturele wortels. Hun hardnekkigheid in de dagelijkse overlevingsstrijd niet te na gesproken. Aan de andere kant proberen intellectuele en gepolitiseerde Zigeuners nieuwe vormen van zelfbevestiging te ontwikkelen zoals die al bestaan in de moderne Europese staten. De herformulering van een collectieve identiteit is bezig. Zij gaat gepaard met een intense culturele creativiteit.

Nu valt nog te bezien of een en ander het particularisme van enkele bevoorrechte groepjes overstijgt om een gede-cultureerde massa mee te trekken op weg naar economische en culturele bloei.

 

 

Vertaling:             Toon Machiels

                        Coördinator Woonwagenwerk bij het Vlaams Minderhedencentrum

                        Vooruitgangsstraat 323

                        1030 Brussel