|
|
|
3. Staatsinrichting en samenleving
België is een representatieve en parlementaire monarchie, waarin alle
machten van de natie uitgaan (art. 33 Grondwet). De opeenvolgende grondwetswijzigingen in de periode 1970–1993 en een
aantal bijzondere en gewone wetten betreffende de institutionele hervormingen
hebben België omgebouwd van een gedecentraliseerde eenheidsstaat tot een
federale staat waarin de soevereiniteit wordt gedeeld door de centrale staat
(federatie) enerzijds en de gewesten en de gemeenschappen anderzijds. 3.1.1. Federatie Op het centrale of federale niveau wordt de wetgevende macht
gezamenlijk uitgeoefend door de Koning (in de praktijk de regering) en door de
leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat, die, volgens het
stelsel van de evenredige vertegenwoordiging en bij toepassing van het
enkelvoudig, algemeen en verplicht kiesrecht, verkozen worden door mannen en
vrouwen van Belgische nationaliteit, die de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben
(zie ook kiesstelsel). De federale wetgever is bevoegd voor alle aangelegenheden
die de Grondwet of een krachtens de Grondwet genomen wet niet uitdrukkelijk aan
de andere federale machten of aan de gemeenschappen en de gewesten toewijzen,
althans tot art. 35 Grondwet in werking zal treden, dat bepaalt dat de federale
overheid slechts bevoegd is voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten
haar uitdrukkelijk toekennen. De federale uitvoerende macht berust bij de Koning (art. 36
Grondwet), maar uit de grondwettelijke regel dat geen akte van de Koning gevolg
kan hebben wanneer zij niet medeondertekend is door een minister (art. 106),
volgt dat het begrip ‘koning’ betrekking heeft op zowel de persoon van de
niet-verantwoordelijke Koning als die van de verantwoordelijke minister(s) of
staatssecretaris(sen). De persoon van de Koning is onschendbaar. Hij kan niet
voor het gerecht worden gedaagd, noch in strafzaken, noch in burgerlijke zaken.
Op het politieke vlak is alleen de minister verantwoordelijk. De Koning benoemt
en ontslaat (op voorstel van de meerderheidspartijen) de ministers en de
staatssecretarissen, die samen met hem de regering vormen. De regering beschikt
over door de Grondwet of de wet toegewezen bevoegdheden:
zij neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, heeft
een zelfstandige verordenende bevoegdheid, benoemt de ambtenaren van het
centrale rijksbestuur en de rechters, voert het defensie- en buitenlands beleid,
slaat de munt, heeft het genaderecht en verleent adeldom. De ministerraad
(waarvan de staatssecretarissen geen deel uitmaken) telt maximaal 15 leden,
wordt geleid door de eerste-minister en is sinds 1970 taalkundig paritair
samengesteld. De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de gewone hoven en
rechtbanken (art. 40 Grondwet). Daarnaast zijn er ‘met eigenlijke rechtspraak
belaste organen’ (art. 146 Grondwet) die geschillen over politieke rechten
beslechten, zoals de Raad van State (zie ook § 3.3). Sinds de grondwetsherzieningen van 1970, 1980, 1988 en 1993 deelt de
centrale Staat de soevereiniteit met de gewesten en de gemeenschappen. België telt drie gewesten:
het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met
een eigen territorium en eigen, toegewezen bevoegdheden. Er zijn ook drie gemeenschappen: de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de
Duitstalige Gemeenschap, die bevoegd zijn voor resp. het Nederlandse taalgebied
en de Nederlandstaligen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Franse
taalgebied en de Franstaligen in Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en het Duitse
taalgebied. De toegewezen bevoegdheden van de gemeenschappen zijn in hoofdzaak
het onderwijsbeleid, het cultuurbeleid en de zgn. persoonsgebonden
aangelegenheden (welzijns- en gezondheidsbeleid). Zie ook gemeenschap. Het Belgische grondgebied, exclusief het gebied van het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest, is ingedeeld in tien provincies. Deze zijn bevoegd voor
de louter provinciale belangen en worden bestuurd door een rechtstreeks verkozen
Provincieraad, die uit zijn midden een voorzitter en de leden van de Bestendige
Deputatie aanwijst. De Bestendige Deputatie wordt voorgezeten door de
Gouverneur, die tevens de centrale regering en de regionale regering in de
provincie vertegenwoordigt. Op hun beurt zijn de provincies onderverdeeld in 43
bestuurlijke of administratieve arrondissementen, die geen autonomie en geen
vertegenwoordigend orgaan hebben. Het aantal gemeenten is sinds 1965, en vooral
in 1977, door samenvoeging sterk verminderd. België telt thans 589 gemeenten
(tegen 2359 gemeenten vóór de fusie). Bestuursorganen van een gemeente zijn de
gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen, die beide worden
voorgezeten door een door de Koning benoemde burgemeester. Door de
samenvoegingsoperatie van 1977 is een bij de grondwetsherziening van 1970 in het
leven geroepen nieuwe bestuurslaag, m.n. de agglomeraties en federaties van
gemeenten, achterhaald. De in 1971 opgerichte randfederaties (Asse, Halle,
Tervuren, Vilvoorde en Zaventem) werden in 1977 afgeschaft; de bevoegdheden van
de agglomeratie Brussel worden sinds 1989 uitgeoefend door het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest. Sedert de grondwetswijziging van 1970 omvat België vier
taalgebieden (zie § 2.2). De rechtspraak in burgerlijke en strafzaken geschiedt in de regel in de
rechtbanken en hoven. Men onderscheidt gewone en buitengewone rechtbanken. De
gewone rechtbanken zijn die waarvan de bevoegdheid zich uitstrekt over alle
zaken, voor zover die hun niet door een speciale wettekst onttrokken is. Het
zijn de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep. De buitengewone
rechtbanken zijn het vredegerecht, de politierechtbank, de rechtbank van
koophandel, het arbeidsgerecht (met in graad van beroep het arbeidshof), de
arrondissementsrechtbank, het hof van Assisen en de krijgsraad (met in graad van
beroep het Militair Gerechtshof). Boven de gewone en buitengewone rechtbanken
staat het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof doet uitspraak over
bevoegdheidsconflicten tussen de federale overheid, gemeenschappen en gewesten
en fungeert (voor bepaalde materies) tevens als grondwettelijk hof. De
rechtspraak wordt in het algemeen uitgeoefend door rechtsgeleerden. In een deel
van de strafzaken, met name die voor de hoven van Assisen, is zij echter in
handen van leken. In de rechtbanken van koophandel en in de arbeidsrechtbanken
zetelen eveneens leken als rechter. In burgerlijke geschillen is de rechtspraak
geen staatsmonopolie (zie arbitrage [privaatrecht]), in strafzaken is zij dat
wel. Talrijke administratieve rechtscolleges putten uit art. 145 van de Grondwet
de bevoegdheid om uitspraak te doen in geschillen over subjectieve rechten die
geen burgerlijke rechten zijn. Onder die rechtscolleges neemt de afdeling
administratie van de Raad van State de belangrijkste plaats in. De Belgische wetgeving is neergelegd in een groot aantal wetten. De
belangrijkste verzamelingen van wetteksten zijn het Burgerlijk Wetboek, het
Wetboek van Koophandel (zie handelsrecht), het Gerechtelijk Wetboek, het
Strafwetboek en het Wetboek van Strafvordering. 3.4 Internationale aansluitingen
België is aangesloten bij een groot aantal internationale instellingen.
De belangrijkste daarvan zijn op wereldvlak de Organisatie van de Verenigde
Naties en haar gespecialiseerde organisaties en commissies, de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie (NATO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en
Ontwikkeling (OESO). Op het Europese vlak is België lid van de Europese Unie
(EU) met de Europese Gemeenschappen (EG), de Raad van Europa en de West-Europese
Unie (WEU). Kleinschaliger zijn de Benelux en de Belgisch-Luxemburgse
Economische Unie (BLEU). België is tevens lid van de Europese Munt Unie (EMU). De verrichtingen van de openbare financiën van de centrale overheid
worden sinds 1975 op een jaarlijkse eenheidsbegroting geregistreerd. Voordien
was het stelsel van de dubbele begroting (de lopende verrichtingen op de gewone
en investeringsuitgaven op de buitengewone begroting) in gebruik. Wel wordt nog
een onderscheid gemaakt tussen de rekening voor de lopende uitgaven en voor de
kapitaaluitgaven. De regelen van de overheidsboekhouding werden voor het eerst
wettelijk vastgelegd door de Wet van 25 mei 1846. De controle op de
wettelijkheid van de verrichtingen geschiedt door het Rekenhof. Bij de financiële
administratie van de verschillende ministeriële departementen spelen de
inspecteurs van financiën een belangrijke rol. Als gevolg van o.m. de toenemende overheidsinterventie (vnl. in de
economische en sociale sector), de economische groei, de inflatie, de
pacificatiepolitiek met haar dure compromissen en de aangroei van het
ambtenarenkorps, namen de overheidsuitgaven na de Tweede Wereldoorlog sterk toe.
Dat het gat in de rijksfinanciën zo groot was, was hoofdzakelijk te wijten aan
de geldverslindende compromissen waardoor tijdens de jaren 1960 en 1970 de vrede
tussen de verschillende ideologische groepen, taalgemeenschappen en gewesten
werd afgekocht (o.a. het schoolpact, de Limburgse steenkool, de overheidssteun
aan het Waalse staal en de Vlaamse textiel). Om dat alles te betalen had de
centrale overheid veel geld geleend en de almaar stijgende rentelasten (zeer
hoge rentevoeten tot 1986) op deze leningen, met hun zgn. sneeuwbaleffect,
bleven diep in de staatskas graven. Omdat de ontvangsten geen gelijke tred
hielden met de uitgaven is, vooral in de jaren tachtig, de rijksschuld
spectaculair gestegen:
van 1956,8 miljard F in 1980 tot 6441,8 miljard F begin 1989. De rentelasten op
de rijksschuld slorpten in 1988 bijna een kwart van de uitgavenbegroting op. In
de jaren zeventig werd bovendien op grote schaal naar de techniek van de
debudgettering gegrepen, dwz. dat door openbare instellingen leningen werden
aangegaan om uitgaven te financieren die normaal rechtstreeks ten laste van de
begroting vallen, zoals de aanleg van autowegen, staatstoelagen voor
gemeentewerken en woningbouw- en aankooppremies. Die gedebudgetteerde schuld was
eind 1981 opgelopen tot 215,1 miljard F, maar kon, door een orthodoxer
begrotingsbeleid te voeren, nadien geleidelijk worden verminderd (139,3 miljard
F eind 1986). Om het begrotingstekort, dat in het ‘recordjaar’ 1982 was opgelopen
tot 13% van het bruto binnenlands product (bbp), in te dijken, werd vanaf dat
jaar een streng saneringsbeleid gevoerd. In 1988 kon het tekort worden
teruggedrongen tot 7,7% van het bbp, maar om de ‘rentesneeuwbal’ (de verdere
aangroei van de rentelasten op steeds meer bijkomende leningen) te stoppen,
moest het tekort verder worden teruggebracht. In 1991 bedroeg het nog 5,4% van
het bbp en in 1996 3,4%. Om in 1998 te worden opgenomen in de kopgroep van de
Europese Monetaire Unie (EMU) werd het begrotingstekort voor 1997 vastgesteld op
2,9% van het bbp. Eind 1996 bedroeg de staatsschuld nog 9800 miljard F. Sinds de
federalisering van het land, begin 1989, staat de centrale overheid daarbij voor
de bijkomende moeilijkheid dat haar ‘besparingsruimte’ gekrompen is, omdat
zij enerzijds ca. 35% van haar ontvangsten heeft overgedragen aan de gewesten en
de gemeenschappen, en omdat anderzijds, na de overheveling van nieuwe
bevoegdheden aan de deelgebieden, haar ‘samendrukbare’ uitgaven beperkt zijn
tot landsverdediging, de sociale zekerheid en de administratie. De Bijzondere
Wet van 16 jan. 1989, die de financiering van de deelgebieden regelt, voorziet
in de deelneming, in de periode 1989–2000, van de gewesten aan de vermindering
van de rijksschuld. Het Belgisch leger werd opgericht in 1830 met vrijwilligers en
lotelingen. In 1909 werd de loting afgeschaft en vervangen door de persoonlijke
dienstplicht. Bij de Wet van 30 aug. 1913 werd de dienstplicht algemeen. Sinds
1963 konden gewetensbezwaarden burgerdienst vervullen. De Belgische krijgsmacht
omvat drie krijgsmachtdelen:
de land-, lucht- en zeemacht. In 1995 werd de dienstplicht afgeschaft. De
militaire samenwerking binnen de NATO is de hoeksteen van het defensiebeleid. De Indicator van de Menselijke Ontwikkeling van de Verenigde Naties
klasseert de lidstaten van de Europese Unie niet zoals ze staan gerangschikt op
grond van de normen van Maastricht, maar naar een aantal welzijnsparameters,
zoals kindersterfte, aidsgevallen, militaire uitgaven, verkeersslachtoffers,
milieu, onderwijs, inkomensverdeling en vrouwenemancipatie. België is naar
menselijke ontwikkeling gemeten een gemiddeld Europees land (zesde in de unie
van 15 en 12de in de wereldranglijst). Het aantal sterfgevallen bij de geboorte is 10 per 100!000 levend geborenen. Het aantal aidsgevallen is 2, 3
per 100!000 inwoners. De militaire uitgaven belopen 1, 7% van het bbp. Het aantal doden en
gewonden bij verkeersongevallen bedraagt 547 per 100!000
inwoners. De uitstoot van gassen met broeikaseffect (CO2) in procent van het wereldtotaal is 0,54%. Voor de
vrouwenemancipatie, gemeten naar het aantal vrouwen in overheidsdiensten,
parlement, directies, kaders en in de techniek en hun aandeel in het totale
beroepsinkomen, neemt België slechts de 16de plaats in op de wereldranglijst en
de 19de in de Europese Unie. Wat de inkomensverdeling betreft verdienen in België
de 20% rijkste gezinnen 4,6 maal het inkomen van de 20% armste gezinnen. De
overheidsuitgaven bedragen in België 5,2% van het bbp. Het maatschappelijke leven in België wordt gekenmerkt door drie grote tegenstellingen.
Hoewel de levensbeschouwelijke spanning tussen katholieken en
vrijzinnigen van vóór 1830 dateert, beheerst zij het politieke gebeuren pas na
de periode van het Unionisme, met de stichting van de liberale partij (1846) als
eerste uiting daarvan. In de tweede helft van de 19de eeuw groeide uit de
Industriële Revolutie de sociaal-economische tegenstelling tussen arbeid
en kapitaal, die met de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1893)
in de politieke instellingen werd gebracht. Het volkspetitionnement van 1840
tegen de verfransing van Vlaanderen was, na de overwinning van de Franstalige
elite in 1830, een eerste manifeste aanwijzing van het gemeenschapsconflict
tussen Nederlands en Frans sprekenden, dat meermaals sterk naar voren is
gedrongen. Deze drie spanningsvelden hebben, ofschoon niet in gelijke mate, de
wording van de maatschappelijke structuren grondig beïnvloed. De grootste
invloed ging uit van de levensbeschouwelijke tegenstelling, die niet alleen aan
de basis lag van de oprichting van de eerste politieke partijen, maar zich ook
manifesteerde buiten het partijpolitieke vlak, waar zowel katholieken als
vrijzinnigen een net van organisaties en voorzieningen begonnen uit te bouwen.
Tegen het einde van de 19de eeuw leidde de sociaal-economische tegenstelling tot
de splitsing van de vrijzinnige groep in een liberaal en een socialistisch blok.
Geleidelijk aan ontwikkelden zich drie zuilen – een levensbeschouwelijke: de katholieke, en twee ideologische: de liberale en de socialistische – met eigen
organisaties (partij, vakbond, ziekenfondsen, coöperaties, pers, jeugd- en
volwassenenverenigingen) en voorzieningen (onderwijs, cultuurspreiding,
opinievorming, ziekenzorg). De organisatorische uitbouw van dit
verzuilingsproces was in het begin van de jaren twintig beëindigd. Van toen af
was de Belgische samenleving grotendeels verzuild en werd zij door de
drie zuilen gedomineerd. Het communautaire spanningsveld resulteerde wel in
partijvorming (vóór de Tweede Wereldoorlog slechts in Vlaanderen), maar had
geen vat op de verzuiling. De drie zuilen mogen evenwel niet als volledig homogene blokken worden
beschouwd, omdat de drie genoemde tegenstellingen elkaar binnen de zuil
doorkruisen en de eenheid ervan kunnen aantasten. In de verzuildheid is sinds
ca. 1960 enige verandering opgetreden. Het tot stand komen van het Schoolpact
(1958) en het Tweede Vaticaans Concilie resulteerden in een verzwakking van de
levensbeschouwelijke dimensie van het politieke leven. Vooralsnog beperkte de ontzuiling
zich echter tot het persoonlijke vlak. Er groeide een openheid ten opzichte van
‘andersdenkenden’ en de verzuildheid werd niet langer algemeen als
vanzelfsprekend ervaren. Aan deze persoonlijke ontzuiling beantwoordde echter
niet een structurele ontzuiling. De stelling dat de verzuildheid zou blijven
bestaan, vormde zowel de grondslag van het Schoolpact als het gevolg ervan. Het
Schoolpact had immers als onmiddellijk resultaat dat de twee schoolnetten
(katholiek en officieel onderwijs), die tot de belangrijkste bestanddelen van
een zuilencomplex behoren, steviger dan ooit werden uitgebouwd. Toch heeft de
verzuildheid een opmerkelijke verandering ondergaan:
van levensbeschouwelijke of ideologische verzuildheid is zij geëvolueerd naar
een meer partijpolitieke verzuildheid. Het niet-homogene karakter van de
zuilen heeft deze genoodzaakt interne compromissen met betrekking tot de
strijdpunten waarover onenigheid heerste na te streven. In ieder van de drie
zuilen werd de politieke partij met het tot stand brengen van de interne cohesie
belast. Het resultaat daarvan is dat de partijen in de respectieve zuilen de
centrale plaats zijn gaan bekleden. Geleidelijk traden zij op als de
gemandateerde besluitvormers voor het geheel van de zuil. Deze ontwikkeling
versterkte in aanzienlijke mate twee tendensen die reeds eerder zichtbaar waren
in het politieke bestel:
de zgn. particratie en de politisering. De partijen gingen gaandeweg meer en
meer staatsfuncties naar zich toetrekken:
controle, benoeming en ontslag van ministers, investituur en ontslag van
regeringen en besluitvorming. Het is tegen deze verschuiving naar een partijenbewind
of paticratie dat koning Leopold III vóór de Tweede Wereldoorlog heeft
gewaarschuwd, maar zonder blijvend effect. De centrale plaats van de politieke
partijen leidt er eveneens toe dat zij een aantal niet-politieke of
niet-partijpolitieke aangelegenheden in de partijpolitieke sfeer brengen,
waardoor het bedrijven van een onafhankelijke politiek sterk wordt ingeperkt.
Deze politisering doet zich het duidelijkst voor in de administratie en
de overheidsinstellingen (benoeming en bevordering, ‘betaald’ met
wederdiensten aan de partij), de dienstverlening (cliëntelisme) en de
gemeentepolitiek (o.m. ingevolge de samenvoeging van gemeenten) en het carrièreverloop
in de parapolitieke of parastatale instellingen. In de jaren negentig bleek duidelijk dat deze politisering de kloof
tussen de kritischer geworden burger en het overheidsapparaat almaar verbreedde.
Het falen van de overheidsinstellingen, corruptie van (prominente) politici
(o.a. Agusta- en Dassault-affaires), de onbekwaamheid en blunders binnen
magistratuur en politie (die aan het licht kwamen in een aantal
pedofilie-affaires en het dossier van kindermoorden-, -verkrachtingen,
-prostitutie van de bende– Dutroux) leidden in okt. 1996 tot de Witte Mars in
Brussel, een spontane massamanifestatie die, anders dan alle andere
manifestaties, niet uitging van een politieke partij, een vakbond of een
pressiegroep, maar van het volk zelf. Deze massale uiting van ongenoegen en
noodkreet voor meer zeggenschap in de politieke besluitvorming bewogen de
politieke partijen te zoeken naar een ‘nieuwe politieke cultuur’, door o.a.
afschaffing van politieke benoemingen en bevorderingen (o.a. bij het gerecht),
van politiek dienstbetoon en cumulatie van politieke functies. Ook werd de
reorganisatie van politie en gerecht versneld. De kortstondige ontsnapping van Marc Dutroux uit gevangenschap in april
1998 leidde zelfs tot het ontslag van de minister van Binnenlandse Zaken en van
Justitie, hoewel hen geen persoonlijke fout kon worden aangewreven en tot het
‘opzij treden’ van het hoofd van de rijkswacht, een ongewoon verschijnsel in
de naoorlogse politiek. Het Belgische partijenstelsel wordt beheerst door de drie zgn.
traditionele partijen:
katholieken (sinds de jaren zeventig christendemocraten genoemd), socialisten en
liberalen, die, door de levensbeschouwelijke of ideologische basis van hun
programma, hun organisatorische verwevenheid met andere maatschappelijke
sectoren in de zuilen en de traditionele basissocialisatie, een relatief stabiel
kiezerskorps hebben, wat nochtans ‘conjunctuurschommelingen’ niet uitsluit.
De drie partijen (die sinds hun taalkundige splitsing in 1968–1978 in feite
met zes zijn) haalden ooit (1958) samen 95, 4% van de stemmen. In 1971, toen de
‘communautaire’ partijen (die in de eerste plaats een federalistische
staatshervorming tot doel hebben of hadden) hun hoogtepunt bereikten, was hun
aandeel gedaald tot 71,6%; het nam nadien weer wat toe (79% in 1987), maar
bedroeg in 1995 nog slechts 72,7%. De zes partijen, resp. Nederlandstalige en Franstalige vleugels van de
drie traditionele partijen, vertoonden een steeds sterkere onafhankelijkheid van
de moederpartij. Zo voeren CVP en PSC resp. SP en PS, VLD en PRL niet altijd een
gelijke koers en dat niet alleen door communautaire accenten. De electorale sterkte van de christendemocraten schommelde sinds de
invoering van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht (1919) tussen 47, 7
(1950) en 24,9% (1995), dat van de socialisten tussen 39,4 (1925) en 24,4%
(1995) en dat van de liberalen tussen 21,5% en 23,4% (1995). De communisten, die
onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog 12,7% van de stemmen haalden, verdwenen
in 1985 uit het Parlement. De Vlaams-nationalisten kregen vlak vóór de Tweede
Wereldoorlog 8,27% van de stemmen. In de naoorlogse periode kenden zij hun
hoogtepunt in 1971, toen de Volksunie 11% van de stemmen haalde. Ondanks het kiesstelsel van de evenredige vertegenwoordiging, slaagden
maar weinig nieuwe partijen erin in het politieke veld door te dringen: Rex in de jaren dertig (11,5% van de stemmen bij de
verkiezingen van 1936), het FDF-RW in de jaren zestig en zeventig (van 2,3% in
1965 naar 11,4% in 1971, maar nog slechts 1,5% in 1987) en de Groenen (Agalev en
Ecolo) in de jaren tachtig (van 0,1% in 1978 tot 10% in 1991). In 1978 deed het
extreemrechtse Vlaams Blok zijn intrede in het federale parlement met 1,3% van
de stemmen en de partij bracht het in 1995 tot 7,8%; het eveneens extreem
rechtse Franstalige Front National kreeg in 1995 6,3% van de stemmen. Op het vlak van de politieke besluitvorming hebben de woelige
jaren dertig met eerst de economische crisis en nadien het opkomend fascisme, en
de Koningskwestie en de Schoolstrijd na de Tweede Wereldoorlog duidelijk
aangetoond dat een oplopend conflict sterk bedreigend is voor de eenheid en de
doeltreffendheid van de Belgische staat. Op het toppunt van de Koningskwestie
was de economische bedrijvigheid in aanzienlijke mate lamgelegd en van Waalse
zijde werd gedreigd met de bijeenroeping van de Staten-Generaal, die eventueel
tot de afscheiding van Wallonië zou kunnen overgaan. Uit dergelijke
conflictescalaties heeft de politieke elite lering getrokken en is zij andere
besluitvormingsprocedures gaan toepassen, die aangeduid worden met de termen
pacificatiedemocratie en elitaire consensus. De pacificatiepolitiek is het streven naar en de vaardigheid om de
problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen
opleveren, op een speciale manier vreedzaam op te lossen en via onderhandelingen
en topconferenties met volledige geheimhouding een volwaardig compromis te
bereiken. Deze vorm van politiek bedrijven is het duidelijkst zichtbaar geworden
in een aantal pacten. Chronologisch het eerst kwam het Pact van Sociale
Solidariteit (1944), waaruit de Besluitwet van 28 dec. 1944 op de
maatschappelijke zekerheid, de Besluitwet van 9 juni 1945 op de paritaire
commissies en de Wet van 20 sept. 1948 op de ondernemingsraden zijn
voortgevloeid, en dat later werd bevestigd in de Gemeenschappelijke
verklaring over de produktiviteit (1954). Deze handelwijze wordt geregeld
hernomen in het overleg tussen regering en sociale partners in de vaste of
gelegenheidsorganen als de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Nationale
Arbeidsraad en de Tewerkstellingsconferenties. Zij geeft aan de werkgevers-,
werknemers-, landbouw- en middenstandsorganisaties een institutionele plaats en
een belangrijke politieke mediatie- en besluitvormingsfunctie, die des te
evidenter wordt doordat het parlement de in deze instellingen bereikte
overeenkomsten slechts formeel heeft te bekrachtigen, zonder nog echt met zijn
besluitvormingsmiddelen tussenbeide te kunnen komen. Nadat het
sociaal-economische spanningsveld op die manier in vreedzame en doeltreffende
banen was geleid, werd dezelfde methode toegepast op het levensbeschouwelijke
spanningsveld. Dit leidde, na de uitkomstloosheid van de Schoolstrijd, tot het
Schoolpact (1958), dat in 1973 werd hernieuwd, en het Cultuurpact (1972–1973).
Ook de volkerenspanningen werden door de drie traditionele partijen op deze
manier aangepakt, met initiatieven als de Rondetafelconferentie (1964–1965),
de Commissie voor de verbetering van de betrekkingen tussen de
taalgemeenschappen (1966–1968) en de Commissies van de 28 en van de 24 (1969).
Het regeringsoverleg van 1970 tussen CVP-PSC en BSP, nadien ook met de
liberalen, leidde tot de grondwetsherziening van 1970–1971. Deze herziening
bracht evenwel geen fundamentele oplossing voor de problematiek, zodat de
oppositionele federalistische partijen een kans kregen volwaardig bij het
overleg te worden betrokken. Na een eerste poging in 1974, echter zonder
blijvend resultaat, werd de pacificatiepolitiek ten volle gehanteerd in de
onderhandelingen van mei 1977, die hebben geleid tot het Egmontpact over de
gewestelijke en gemeenschapsorganisatie van de Belgische staat. Het pact stootte
echter op hardnekkig verzet bij een belangrijk deel van de Vlaamse publieke
opinie, die er een te onevenwichtig compromis in zag, mede waardoor het in 1978
schipbreuk leed. Nadat in 1980 verder gebouwd was op de grondwetsherziening van
1970, werd tijdens de onderhandelingen voor de vorming van de regering-Martens
VIII in 1988 de blauwdruk getekend voor een federale herinrichting van het land,
waarvan de politieke wereld een heilzame invloed op het gemeenschapsconflict
verwachtte. Een mijlpaal in de realisatie van de federale herinrichting van de staat
was de omvorming van het unitaire België tot een bondsstaat door de
grondwetsherziening van 1993 onder de regering-Dehaene I. Bij de pacificatiepolitiek heeft het parlement geen wezenlijke rol meer
te vervullen. In plaats van actief en eigenstandig te kunnen optreden, worden de
staatsburgers teruggedrongen in een consumptieve participatierol. Ook de
meerderheid regeert niet meer. De elite voert het bewind, dat in aanzienlijke
mate wordt uitgetekend door de elitaire consensus, d.i. het geheel van de
gemeenschappelijke politieke waarden van de elite, die men noodzakelijk moet
overnemen om tot de topgroep te worden geselecteerd. Deze elitaire consensus is
ontstaan uit intrinsieke beperkingen van de beleidsalternatieven, door de
structurele karakteristieken van de problemen en de specificiteit van de
beschikbare middelen. Hij heeft vorm gekregen door de lering omtrent vroeger
gevoerd beleid (feedback-mechanisme). De elitaire consensus omvat, naast de
waarde en de vaardigheidsregels van de pacificatiepolitiek, als normen: het grondwettelijk koningschap; de Belgische
particratische vorm van de ‘parlementaire democratie’; Brussel als het
machtscentrum van de staat; een Franstalige dominant; een buitenlandse politiek
die onder het mom mee te stappen met de ideologie van het Westen hoofdzakelijk
bekommerd is om economische en handelsmotieven; het hanteren van het overleg en
de overheidsbijsturing in een vrijemarkteconomie met de realisatie van de
welvaartsstaat als doel; eerbied voor de persoonlijke rechten en de individuele
vrijheden; een levensbeschouwelijk pluralisme. De Belgische elite aanvaardt
aanpassing van deze elitaire waarden en normen aan fundamentele en
langtermijnige structuurveranderingen. Tevens voert zij aanpassingen aan de
waarden en doelstellingen van machtige oppositiegroeperingen door, indien deze
langdurig en sterk op het politieke leven kunnen drukken. Hierbij kan een coöptatie
gebeuren van de belangrijkste oppositionele leiders die tot compromisvorming
bereid zijn. Anderzijds is de Belgische elite niet dermate homogeen dat geen
meningsverschillen zouden optreden, maar deze situeren zich buiten de elitaire
consensus en worden toch aangepakt met technieken van de pacificatiepolitiek; zo
niet dreigt men tot scherpe conflicten te komen. Personen, groepen, organisaties en bewegingen die politieke waarden
voorstaan die tegengesteld zijn aan die van de elitaire consensus (zoals de
socialistische arbeidersbeweging en de Vlaamse Beweging, die allebei halverwege
de 19de eeuw ontstonden) moeten zich zo sterk mogelijk organiseren en een zo
groot mogelijke slagkracht ontwikkelen, met alle oligarchische nadelen van dien.
Zij moeten tevens bereid zijn de lange, moeizame weg te gaan van opinievorming
tegen de hoofdstroom van de elitaire opiniemedia in, van electorale
machtsvorming binnen de beperkte mogelijkheden van de parlementsverkiezingen, en
van de ongelijke strijd als actiegroepering tegen de gevestigde en geïnstitutionaliseerde
drukkingsgroeperingen. Veranderingen die buiten – dus niet tegen – de
waarden van de elitaire consensus vallen, kunnen vlotter en zachter verlopen.
Wordt de nieuwe tendens in de consensus opgenomen, zoals bijv. de Europese
integratie, dan zal de evolutie een zeer vlot verloop kennen. Aan het einde van de 20ste eeuw werden de elitaire consensus en het
pacificatiemodel wel zwaar op de proef gesteld. Niet alleen werd een
communautair dossier aangelegd dat in 1999, na de verkiezingen, de scheiding van
de boedels tussen Vlaanderen. Wallonië en Brussel, scherper zou stellen, er
waren ook talrijke segmenten uit de maatschappij – o.m. het onderwijs, de
zorgsector en de gehele non-profitsector – die meer aandacht vroegen voor hun
problematiek en waar dit niet meer kon via de consensuspolitiek gebeurde dit met
harde syndicale en corporatistische acties. Het postmoderne individualisme van
de consumptiemens werkt normverlagend in zoverre dat men alleen interesse heeft
voor kortetermijndenken en kortzichtig behaviorisme en geen aandacht meer
schenkt aan enig moreel gezag dat niet noodzakelijk wordt opgelegd maar zelf
wordt gekweekt als innerlijke gedragscode bij het functioneren in een
maatschappij. Men kan wel stellen dat Vlaanderen en Wallonië naar het einde van de
20ste eeuw verder uit elkaar groeien, op zowel economisch en sociaal als
politiek vlak – de prioriteiten liggen op andere gebieden – zodat men niet
zeker is of België als een stabiele staat nog in stand kan worden gehouden en
men de vraag kan stellen of de aanpassing en de verandering nog wel vloeiend
zullen kunnen verlopen. Elk serieus probleem heeft een communautair aspect, daar
de cultuurverschillen tussen Vlamingen en Walen veel feller op de voorgrond
treden. Krachtens art. 24 van de Grondwet is het onderwijs vrij en mag de
uitoefening van die vrijheid van geen preventieve maatregel afhankelijk worden
gesteld. Onderwijs wordt in België gegeven in instellingen die behoren tot de
officiële of openbare sector gemeenschappen, provincies, gemeenten) en tot de
bijzondere of vrije sector (vooral rooms-katholieke scholen). Het
onderwijssysteem is in België gestructureerd over de niveaus basisonderwijs
(voorschoolse opvoeding en lager onderwijs), secundair onderwijs en hoger
onderwijs. Door de Wet van 6 juli 1970 werd het buitengewoon onderwijs in de
wettelijke regeling opgenomen. Sinds 1921 geldt de leerplicht voor kinderen van
zes tot veertien jaar (in 1983 verlengd tot achttien jaar, met van zestien tot
achttien jaar een stelsel van deeltijdse leerplicht). Voor de geschiedenis van
het onderwijs, de organisatie, enz. zie onderwijs. In België bestaat drukpersvrijheid (art. 25 Grondwet). Dat betekent dat
(preventieve) censuur op publicaties niet is toegelaten. De Belgische
dagbladpers is vanaf haar ontstaan een politieke opiniepers geweest. De
dagbladpers telt (1990) ca. 30 titels. Wegens de taaldiversiteit kent geen
enkele krant landelijke spreiding. Tussen de jaren vijftig en zeventig heeft
zich in de Belgische pers heel wat concentratie voorgedaan. Teneinde de financiële
moeilijkheden waarmede vooral de dagbladpers sedert het begin van de jaren
zeventig heeft te kampen, te verhelpen, wordt door de overheid onrechtstreeks
steun verleend via verminderde post-, telefoon- en telextarieven, alsook directe
financiële hulp (sedert 1973). Voor de ontwikkeling en de organisatie van de
pers in België, zie voorts pers [media]. Tot 1987 bestond er een wettelijk geregeld overheidsmonopolie voor de
omroep, toegekend aan drie publiekrechtelijke instellingen: BRT (sedert 1998 VRT), RTBF en Belgisches Rundfunk-
und Fernsehzentrum, resp. voor de Nederlands-, Frans- en Duitstalige radio- en
televisie–uitzendingen. In 1987 werd zowel in Vlaanderen als in het
Franstalige landsdeel bij decreet de mogelijkheid gecreëerd om niet-openbare
omroepmaatschappijen op te richten; tevens werd het verbod op het uitzenden van
commerciële reclame op radio en televisie bij wet opgeheven. De grote
persconcerns (behalve VUM) participeerden in het kapitaal van VTM en meenden zo
het in het vooruitzicht gestelde verlies aan reclame, wegens een commerciële
omroep met reclame, in hun familiebladen te kunnen compenseren. De Franstalige
omroep TVi (die samenwerkt met de Luxemburgse RTL) en de Nederlandstalige VTM
verkregen, elk voor het eigen taalgebied, een exclusieve zendvergunning als
commerciële, niet-openbare televisieomroep. Deze exclusiviteit was echter niet
naar de zin van de Europese Commissie die de Vlaamse regering terecht wees op de
concurrentievervalsing. VTM en de Vlaamse dag- en weekbladpers, die de commerciële
zender hadden opgericht, moesten dan ook lijdzaam toezien hoe VT4 (een
Amerikaans-Scandinavisch concern) vanuit Londen de Vlaamse markt bestreek met
commerciële programma's. Het monopolie van VTM werd per 1 jan. 1998 afgeschaft.
De sinds het eind van de jaren zeventig bestaande (commerciële) lokale
radio-omroepen worden in beperkte mate door de bevoegde overheden geduld. Voor
de ontwikkeling en de organisatie van de Belgische omroep zie voorts omroep. |