|
|
|
5. Geschiedenis
Op basis van archeologische vondsten wordt aangenomen dat reeds lang voor
het agrarische Neolithicum Noordwest-Europa bewoond werd door de zgn.
Neanderthaler. De oudste sporen (doorgaans vuurstenen werktuigen) dateren van
voor 500!000 v.C. en wijzen op een cultuur van
jagers en vissers. In de buurt van Bergen (Spiennes en Mesvin) werden voorwerpen
uit het Clactonien gevonden. Vuursteenindustrieën uit het Laat-Paleolithicum
werden op verscheidene plaatsen aangetroffen, o.a. te Spiennes en te Luik
(zandgroeve van Sainte-Walburge). In de grotten van o.a. Spy, Engis en Walzin
(Dréhance) werden skeletten van Weichselien-Neanderthalers ontdekt. Tijdens het
Solutréen waren de gewesten van het huidige België echter niet bewoonbaar.
Vanaf ca. 4000 v.C. begon met het Neolithicum de vestiging van de eerste
landbouwdorpen met ieder naar schatting 50 tot 150 inwoners (bandkeramiek;
vondsten te Rosmeer, Haspengouw). In de Kempen, de Leemstreek, de Famenne en de
Maasvallei leefden van ca. 3500 tot ca. 2000 v.C. de culturen van het
Midden-Neolithicum. Tijdens de Midden-Bronstijd (ca. 1500–1100 v.C.) was in
Vlaanderen, de Kempen en de Leemstreek de Hilversumcultuur gevestigd, en in de
Late Bronstijd worden de Famennegroep, de Midden-Belgische en de Vlaamse groep
onderscheiden, telkens vooral aan de hand van de verschillende grafvormen.
Tijdens de IJzertijd waren de Hallstatt-cultuur (700–500 v.C.) en de Keltische
La Tènecultuur (vanaf 500 v.C.) overheersend. In deze periode ontstonden door
wallen en grachten versterkte markt- en handelsplaatsen en heuvelforten (o.a. op
de Kemmelberg). Enkele rijke krijgersgraven (o.a. te Court-Saint-Étienne en
Eigenbilzen) wijzen op scherpe contrasten in levensstandaard tussen de krijgers
en de gewone bevolking, die wellicht afstamde van de inheemse bevolking die bij
het begin van de IJzertijd door invallende Kelten was onderworpen. De Keltische Belgae werden van 57 tot 51 v.C. door Caesar onderworpen en
hun gebied werd bij het Romeinse Rijk ingelijfd als een deel van Gallia. Onder
keizer Augustus werd Belgica (sinds 16–13 v.C.) een administratief
zelfstandige provincie van dat rijk. Tot in de eerste eeuw n.C. was de mentale
weerstand van de Keltische gewesten tegen de Romeinse beschaving erg groot, en
pas onder keizer Claudius, die de druïdenstand afschafte en burgerrechten
verleende aan de aristocratie, trad de eigenlijke romanisatie op, terwijl de
bestaande sociale structuren behouden bleven. Het feit dat de onderworpen
volkeren hulptroepen moesten leveren aan het Romeinse leger, en de aanleg van de
eerste grote wegen door hun gebieden werkten deze culturele omschakeling in de
hand. Een andere factor die daar toe bijdroeg, was de invloed die uitging van de
Romeinse kolonies te Trier en te Keulen, waar oudgedienden van de legioenen
leefden in steden naar Italisch model. Deze agglomeraties (alsmede de militaire
haven van Boulogne en de opslagplaats Amiens) werden anderzijds het afzetgebied
bij uitstek voor de producten van de Noord-Gallische landbouw en de inheemse
ambachten. Er ontstonden (vooral in de Leemstreek) grote landbouwbedrijven (villae),
Tongeren, Doornik en Aarlen kregen een stedelijk karakter, vele kleinere vici
(baandorpen en markt- en ambachtsplaatsen) kwamen tot bloei en de handel met
Italië en de rest van Gallia werd steeds drukker. Ook de concentratie van
legers aan de Rijngrens had een grote invloed op de economische ontwikkeling van
deze gewesten. In het westen bestonden aan de kust vissersdorpen en
zoutwinningsbedrijven en werden grote kudden schapen geteeld omwille van de wol,
de basis van een reeds aanzienlijke textielnijverheid. In het Kolenwoud en het
Ardennenwoud werkten talrijke houthakkers en kolenbranders en tussen Samber en
Maas en in de buurt van Luik nam de ijzerwinning industriële proporties aan.
Tussen Luik en Aken werden zinkmijnen uitgebaat en te Doornik waren belangrijke
kalksteengroeven. Vanaf 256 staken Frankische krijgseenheden de Rijn over en trokken
plunderend door heel Gallia, tot in het Iberisch Schiereiland. De meeste steden,
vici en villae werden verwoest. Pas ca. 280 konden deze invallers worden
verdreven, maar grote delen van de verarmde bevolking zetten de plunderingen
voort, zodat een aantal steden begon met de bouw van omheiningsmuren. Een stam
van de Franken, de Saliërs, bleef echter voortdurend het gebied van de grote
rivieren en Toxandrië (de Kempen) infiltreren. Rome zag geen andere oplossing
dan met deze Franken ca. 296 een verbond te sluiten: ze werden als foederati (verbondenen) in het Romeinse
Rijk opgenomen en zouden de rijksgrens tussen de zee en Nijmegen voor Rome
verdedigen. Ondertussen vestigden zij zich definitief in de Betuwe en in
Toxandrië. Vanaf ca. 297 voerde keizer Diocletianus een grondige administratieve
hervorming door, waarbij Belgica werd gesplitst in Belgica Prima (in het
zuidoosten) en Belgica Secunda (in het westen). Germania Inferior (in het
noordoosten), dat reeds op het einde van de 1ste eeuw als volwaardige provincie
van Belgica was losgemaakt, werd Germania Secunda genoemd. Ook werden de
belastingen hervormd en voortaan in natura betaald. Om de invallen van over de
Rijn beter te kunnen afweren werd een dynamische verdediging uitgebouwd, waarbij
de troepen verder in het binnenland werden gelegerd. 5.3
De Merovingische en Karolingische periode De Salische Franken hebben de door hen bezette gebieden tegen de invallen
van andere Germaanse stammen goed verdedigd. Zelf gebruikten zij het gezagsvacuüm
dat in Noord-Gallia heerste, om, mede op zoek naar betere landbouwgronden,
verder naar het zuiden af te zakken en zij maakten Doornik tot de hoofdplaats
van hun nieuwe rijk. Tot een van de families van de Salische Franken behoorden
de Merovingen met o.m. Chlodovech I, die vanuit Doornik de basis legde van het
Frankische Rijk. Nadat zijn belangrijkste opvolgers, Chlotarius I (511–561) en
Dagobert (623–639), eenheid hadden gebracht in het rijk, werd het grondgebied
sinds 639 verdeeld in Austrasië en Neustrië (de grens liep dwars door het
huidige België.). De koninklijke macht werd al spoedig fictief:
de hofmeiers (beheerders van koninklijke goederen) begonnen hun machtspositie te
verstevigen en in 687 kon Pippijn II van Herstal de hegemonie van Austrasië
over de rest van het Frankische Rijk bewerkstelligen (Slag te Tertry). In 719
liet diens bastaardzoon Karel Martel zich door de hem uitgeleverde koning
Chilperik II uitroepen tot hofmeier van het gehele Frankische Rijk, waarna hij
dit nog uitbreidde. Na de dood van koning Theodorik IV (737) oefende hij in
eigen naam de koninklijke macht uit. Zijn zoon Pippijn III de Korte zette in 751
de laatste Merovingische vorst af en vestigde de dynastie van de Karolingen. De
belangrijkste Karolingische vorst was Karel de Grote, die in 800 keizer werd van
een christelijk Europees eenheidsrijk en zich te Aken vestigde. De macht van de
Rooms-Katholieke Kerk, gevestigd sedert de kerstening onder de Merovingen
(opkomst van tientallen abdijen, missiewerk van de heiligen Amandus, Hubertus,
Willibrordus, enz.), nam nog toe en uitte zich in grote rijkdom. Tijdens het
bewind van Karel de Grote en diens opvolger, Lodewijk de Vrome (814–840),
heerste een grote binnenlandse rust en bloeide de (landbouw)economie hoog op. 5.4
De post-Karolingische periode en de middeleeuwse vorstendommen Bij de dood van Lodewijk de Vrome (840) verdween de eenheid van het
Frankische Rijk, dat door het Verdrag van Verdun (843) in drieën werd verdeeld: Francia Occidentalis
of West-Francië, Francia Media of Midden-Francië en Francia
Orientalis of Oost-Francië. Het westelijke deel van het huidige België
behoorde tot West-Francië, het oostelijke deel tot Midden-Francië. De Schelde
vormde de grens tussen beide. Het noordelijke deel van Midden-Francië kreeg
later de naam Lotharingen en werd in de tweede helft van de 10de eeuw verdeeld
in Neder-Lotharingen en Opper-Lotharingen. Het oostelijke deel van het huidige
België behoorde tot Neder-Lotharingen. Ten gevolge van de invallen van de Noormannen, het verval van het
centrale gezag en de onbekwaamheid om zijn onderdanen te beschermen, verloor de
koning in Frankrijk (zoals West-Francië werd genoemd) vanaf het einde van de
9de eeuw de absolute macht, die hij sedert het begin van het Frankische
koningschap bezat. Enkele gouwgraven, die als ambtenaar bepaalde gebieden in
naam van de koning bestuurden, maakten nu ook territoriale aanspraken en gingen
het gezag in eigen naam uitoefenen. Zo legden de gouwgraven Boudewijn I en
Boudewijn II de grondslagen van het graafschap Vlaanderen. Dit gebied had
eeuwenlang af te rekenen met de Franse centralisatiepolitiek, maar kon, dankzij
vooral de Guldensporenslag (1302), zijn zelfstandigheid bewaren. In
Neder-Lotharingen deed zich een gelijkaardige ontwikkeling voor, maar later dan
in Frankrijk. De graven van Leuven wisten hun macht geleidelijk uit te breiden
en zo de basis te leggen van het hertogdom Brabant. Het graafschap Bergen vormde
de kern van het graafschap Henegouwen. Andere Lotharingse vorstendommen waren
Limburg, Loon, Luxemburg, Namen en Bouillon. Een bijzondere plaats werd
ingenomen door het prinsbisdom Luik, dat is ontstaan door het verlenen van
wereldlijke macht aan de bisschop van Luik. Het prinsbisdom zou, in
tegenstelling tot de andere genoemde vorstendommen, die vanaf de 14de eeuw in
een groter geheel werden opgenomen, tot aan de Franse Revolutie een
onafhankelijk bestaan leiden. In vergelijking met de Arabische en Byzantijnse beschavingen waren de
gewesten die het huidige België vormden, in de 10de eeuw een achterlijk,
agrarisch en ontvolkt gebied. Vanaf ca. 1050 begon evenwel een periode van
economische groei (verhoogde landbouwopbrengst), die gepaard ging met een
demografische explosie. Als gevolg daarvan kon een groter deel van de bevolking
zich vrijmaken voor handel en industrie. In het graafschap Vlaanderen was laken
het belangrijkste industrie- en uitvoerproduct. Lakenindustrie kwam ook voor in
Henegouwen, waar tevens Doornikse natuursteen werd voortgebracht en geëxporteerd
in de vorm van doopvonten en grafstenen. Vanaf de tweede helft van de 13de eeuw
begonnen ook de Brabantse steden laken te produceren. In Luik was messing het
voornaamste industrieproduct. De dinanderie kreeg Europese vermaardheid. In 1195
werd in het Luikse de eerste steenkool ontgonnen. Overal ontstonden jaarmarkten,
vaak op initiatief van graven en hertogen, die buitenlandse kooplieden
aantrokken. In Vlaanderen werden ze gehouden te Ieper, Brugge, Rijsel, Torhout
en Mesen, in Brabant te Antwerpen en Bergen op Zoom. Met het oog op de
buitenlandse handel verenigden de kooplieden uit een zelfde stad zich in een
hanze. Later sloten verscheidene hanzen zich aaneen. Zo ontstonden de Vlaamse
Hanze van Londen (handel op Engeland en Schotland) en de Hanze der XVII Steden
(handel op Italië). Vanaf ca. 1350 trad in Europa een economische depressie op.
De ‘zwarte dood’ (pest) roeide een derde van de bevolking uit. In de
gewesten van het huidige België had de crisis een eerder mild karakter. De
traditionele Vlaamse lakennijverheid kon standhouden, maar had erg te lijden
onder het verval van de jaarmarkten van Champagne (de Italiaanse kooplui kwamen
met hun schepen nu zelf naar Damme) en onder de concurrentie van het Engelse en
Brabantse laken. In Brabant bloeide de lakenindustrie op tot ca. 1350, waarna
zij vervalverschijnselen ging vertonen. In Luik verschenen in de 14de eeuw de
eerste hoogovens, waardoor de ijzerproductie geweldig steeg en de spijker- en
wapenindustrie ontstond. Dankzij zijn financiële infrastructuur kon Brugge zich
als internationale handelsmetropool handhaven tot eind 15de eeuw. De groei van handel en nijverheid heeft de opkomst van de steden in de
hand gewerkt. Vanaf de 11de eeuw dwongen de stadsbewoners vrijheden af van de
heren van hun gewesten. De oudst bewaarde keure is die van Hoei (1066). De
kooplieden kregen in zekere mate zelfbestuur in de steden. Hun heerschappij
moesten ze in de 14de eeuw delen met de ambachtslieden. Het gesalarieerde
proletariaat kwam nauwelijks aan bod. Nog in de 14de eeuw kregen de steden
medezeggenschap in het beleid van de vorst. In Brabant bijv. werd de verhouding
tussen vorst en onderdanen geregeld door de Blijde Inkomst (1356). Bij zijn dood (1384) werd Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen,
opgevolgd door zijn dochter Margaretha van Male, die in 1369 was gehuwd met
Filips de Stoute, hertog van Bourgondië. Daarmee deed het Bourgondische Huis
zijn intrede in de geschiedenis der Nederlanden. Onder Filips’ impuls werden
de meeste vorstendommen die het huidige België vormden, opgenomen in wat eerst
de Bourgondische gewesten en later de Zuidelijke Nederlanden werd genoemd, mede
door de gevolgen van het dubbel-huwelijk van Kamerijk (1385). De eerste hertog van Bourgondië, Filips de Stoute, volgde in 1384 in
Vlaanderen (waar sinds 1356 Mechelen en sinds 1361 het graafschap Artesië deel
van uitmaakten) op. Zijn kleinzoon Filips de Goede, die in 1419 graaf van
Vlaanderen werd, kocht in 1421 het graafschap Namen af, waar hij in 1429 de
overleden graaf Jan III opvolgde. In 1430 werd Filips hertog van
Brabant-Limburg. Daartoe had hij zich in 1427 tot erfgenaam van Filips van
Saint-Pol laten benoemen. Hij slaagde er in 1433 in Jacoba van Beieren te
dwingen haar graafschappen Holland-Zeeland-Henegouwen af te staan. Ten slotte
droeg Elisabeth van Görlitz in 1444 het bestuur van het hertogdom Luxemburg aan
Filips over en bij haar dood (1451) volgde deze haar op als hertog van
Luxemburg. Aldus was Filips erin geslaagd de landen van herwaarts over in
een personele unie te verenigen. Zijn zoon en opvolger, Karel de Stoute, poogde
tevergeefs deze Nederlandse gewesten geografisch te verbinden met de landen
van derwaarts over (Bourgondië en Franche-Comté) door Elzas-Lotharingen te
veroveren. Het huwelijk van zijn dochter Maria van Bourgondië met Maximiliaan
van Oostenrijk onttrok de Nederlanden aan de Franse dreiging (na de dood van
Karel de Stoute in 1477 palmde de Franse koning onmiddellijk Bourgondië in en
viel hij ook de Nederlanden aan), maar het bracht de Bourgondische erfenis in
het Habsburgse Huis. Na Maria's dood (1482) voerde Maximiliaan tot 1494 het
regentschap voor hun zoon Filips de Schone, de laatste vorst die over de
Nederlanden een persoonlijk bewind voerde (1494–1506). Om hun gebieden te besturen creëerden de Bourgondische hertogen een
aantal centrale instellingen. De kanselier van Bourgondië was de spil van het
regeringsapparaat. Officieel was hij de bewaarder van het groothertogelijke
zegel, maar omdat dat zegel aan alle hertogelijke oorkonden werd gehangen, had
hij inspraak in de vorstelijke beslissingen. Hij was ook voorzitter van de
Hofraad, samengesteld uit een onbepaald aantal aan het hof verblijvende
raadsleden. Uit de Hofraad groeide langzamerhand een aantal gespecialiseerde
instellingen: de Grote Raad, die de centrale
rechtspraak voor zijn rekening nam; de Rekenkamer, voor de financiële controle;
en tijdens de Habsburgse periode de Geheime Raad, voor het politieke beleid.
Adel, geestelijkheid en steden waren vertegenwoordigd in de gewestelijke Staten.
Hun eerste gezamenlijke vergadering, de Staten-Generaal, had plaats in 1464. De
Staten-Generaal werd geraadpleegd voor de belangrijke politieke problemen,
vooral voor de goedkeuring van beden. Naast de centrale instellingen werden ook
gewestelijke regeringsorganen in het leven geroepen: de Raad van Vlaanderen, de Raad van Brabant,
raadkamers onder het gezag van de Grote Raad in Henegouwen, Namen en Luxemburg,
rekenkamers te Rijsel (voor o.m. Vlaanderen, Henegouwen en Namen) en te Brussel
(voor Brabant, Limburg en Luxemburg). De economische geschiedenis van de Bourgondische Nederlanden werd sterk
beïnvloed door het politieke gebeuren. Tot aan de Vrede van Atrecht (1435) leed
de internationale handel van Vlaanderen onder de in 1337 begonnen Honderdjarige
Oorlog. Vanaf de 15de eeuw verschoof het economische – en ook het politieke
– zwaartepunt van Vlaanderen naar Brabant, waar de jaarmarkten een
doorvoerfunctie in de handel tussen Engeland en Duitsland vervulden. De gezonde
muntpolitiek van Filips de Goede bracht rust in de arbeidsverhoudingen. Op het
einde van de 15de eeuw werd Antwerpen ook de hoofdzetel van de Portugese
specerijenhandel in Noordwest-Europa. Nog in de 15de eeuw kwam – ondanks
protectionistische maatregelen – een einde aan de monopoloïde positie van de
traditionele Vlaamse en Brabantse luxe–lakennijverheid. Oorzaken daarvan waren
de concurrentie van het goedkopere buitenlandse laken, het streven van de
ambachten om de verworven rechten te behouden, waardoor iedere structurele
vernieuwing onmogelijk werd, en de opkomst van zijde, fluweel en katoen. Wel
heeft de goedkope–lakenproductie (de zgn. nieuwe of lichte draperie), die
geconcentreerd was in de kleine steden en op het platteland, stand weten te
houden. Ook de vlasnijverheid, die linnen of lijnwaad voortbracht, ontwikkelde
zich verder. Zij was geconcentreerd in de valleien van de Schelde, de Leie en de
Dender. In de zuidelijke gewesten streefde de ijzernijverheid de koperindustrie
voorbij, dankzij de ontwikkeling van hoogovens en de inschakeling van
waterkracht bij het smeltingsprocédé. Mechelen werd het centrum van de
kanonnen- en de klokkengieterij. 5.6
De Zuidelijke Nederlanden onder Habsburg (1506–1795) Het ontstaan van de
Zeventien Provinciën. Sinds 1506 (dood van Filips de Schone) waren de
Nederlanden een bestanddeel van het erfgoed van de Habsburgers en werd de
koninklijke of keizerlijke macht er vertegenwoordigd door landvoogden.
Margaretha van Oostenrijk bekleedde deze functie tijdens de minderjarigheid van
Filips’ zoon Karel van Luxemburg. Zij bestuurde de Nederlanden vanuit haar
paleis te Mechelen, waar zij ook instond voor de opvoeding van Karel. Sinds 1504
was de Grote Raad van Mechelen het hoogste rechtsprekende orgaan van de
Nederlanden. Margaretha kreeg (o.a. voor haar politiek tegen het onafhankelijke
Gelre) af te rekenen met de Staten-Generaal, het overkoepelend orgaan van de
Provinciale Staten, waarin voor elk gewest de drie standen (clerus, adel en
burgerij) vertegenwoordigd waren. Op een vergadering van de Staten-Generaal te
Brussel (1515) werd Karel van Luxemburg meerderjarig verklaard. Toen Karel in
1517 naar Spanje vertrok om zijn grootvader langs moeders zijde, Ferdinand, op
te volgen, droeg hij het bestuur over aan de Grote Raad, waarin ook Margaretha
zitting kreeg. Terwijl zij het bewind over de Nederlanden weer strak in handen
had, slaagde Karel V erin een einde te maken aan het leenheerschap van Frankrijk
over Vlaanderen, Artesië en het in 1521 onderworpen Doornik. Na Margaretha's
dood (1530) legde Karel V zich bijzonder toe op de eenmaking van de Nederlanden,
die gestalte kreeg in de Pragmatieke Sanctie van 1549. Het bestuur over de
Nederlanden (of Bourgondische Kreits) werd toevertrouwd aan een landvoogdes
(Maria van Hongarije) en de Raad van State. De opstand tegen het Spaanse bewind van Filips II.
Vanaf 1555 versterkte de opvolger van Karel V, Filips II, de tendens tot
absolutistische macht. Hierdoor stootte hij een deel van de hoge adel voor het
hoofd, zodat deze in verzet kwam (bijv. de onenigheid binnen de Raad van State
tussen kardinaal Granvelle en de raadsheren Willem van Oranje, Lamoraal van
Egmont en Filips van Horne). In het begin van de 16de eeuw was in de Nederlanden
het protestantisme opgedoken, en noch de plakkaten tegen de ketters noch de
staatsinquisitie, die vanaf 1522 streng repressief optrad, hadden de
verspreiding ervan kunnen inperken. Tijdens de regering van Filips II sloot de
lagere adel, waarvan vele leden de Reformatie of de godsdienstvrijheid
aanhingen, het Eedverbond der Edelen of Compromis (1565), waarachter zich o.a.
ook Brederode en Lodewijk van Nassau schaarden. Filips II drong echter op
onverminderde uitvoering van de plakkaten aan. Vooral ophitsende calvinistische
predikaties leidden in 1566 tot de Beeldenstorm. Om de schuldigen te bestraffen,
verving de koning zijn diplomatische landvoogdes Margaretha van Parma door de
hertog van Alva. Velen die zich om hun houding bedreigd voelden, weken uit.
Sommigen groepeerden zich voor gewapend verzet onder leiding van Willem van
Oranje, die eveneens de Nederlanden had verlaten. De Tachtigjarige Oorlog in
Noord en Zuid tussen de opstandelingen en de Spaanse monarchie kende een
wisselend verloop al naar gelang de opstelling van de westerse mogendheden
Spanje, Engeland en Frankrijk. Het uiteindelijke resultaat was de
onafhankelijkheid van het Noorden (1648), maar deze uitslag kon men bij aanvang
van het conflict zeker niet voorspellen. Het Zuiden was, uit geografisch
oogpunt, steeds de operatiebasis van de Spaanse troepen en had bijgevolg erg te
lijden onder de overlast van deze slecht betaalde troepen (bijv. de Spaanse
Furie te Antwerpen). Toen Alva's opvolger, Requesens, in 1576 overleed,
vergaderde de Staten-Generaal op initiatief van de Staten van Brabant, waarbij
de Pacificatie van Gent werd gesloten, die vrijheid van godsdienst uitriep. Deze
werd echter feitelijk door de opstandelingen niet onderhouden, onder voorwendsel
dat ook de nieuwe landvoogd, Don Juan van Oostenrijk, haar overtrad. Toen de
calvinisten zich in vele grote steden (o.m. te Gent) meester maakten van het
gezag, keerden de katholieke malcontenten zich van hen af en zij verzoenden zich
in de Unie van Atrecht (1579) met Filips II. Alexander Farnese, hertog van
Parma, onderwierp daarna vrijwel geheel Vlaanderen en het merendeel van Brabant
(val van Antwerpen, 1585). In de heroverde gebieden werd het katholicisme als
staatsgodsdienst hersteld en verdween het protestantisme vrijwel geheel. Onder Spaans bewind. Kort voor zijn dood stond Filips II
de soevereiniteit over de Nederlanden af aan zijn dochter Isabella, die in het
huwelijk zou treden met Albrecht van Oostenrijk. De onderwerping van het noorden
aan de aartshertogen Albrecht en Isabella bleek een ijdele verwachting, en dezen
regeerden dan ook slechts over de Zuidelijke Nederlanden. Op Albrechts
initiatief werd met de Republiek onderhandeld, wat in 1609 leidde tot het
Twaalfjarig Bestand, waarbij de facto de onafhankelijkheid van de Republiek werd
erkend. Daar de aartshertog kinderloos overleed (1621), keerden de Zuidelijke
Nederlanden onder Spanje terug. Meteen herbegon de oorlog, die duurde tot aan de
Vrede van Münster (1648), waarbij de Zuidelijke Nederlanden Zeeuws-Vlaanderen,
Noord-Brabant en grotendeels de Landen van Overmaze moesten prijsgeven. Sedert 1635 waren de Zuidelijke Nederlanden bijna gedurig in oorlogen
tegen Frankrijk betrokken; zij waren er ook meestal het slagveld van. Daarbij
verloren zij een deel van Henegouwen en van Vlaanderen. Voor volledige inlijving
bij Frankrijk werden zij behoed door de Republiek en Engeland, die de
Rijngrensdroom van Lodewijk XIV verijdelden (o.a. door de eerste barrièretraktaten).
Deze Franse bedreiging bereikte een hoogtepunt tijdens de Spaanse
Successie-oorlog (1700–1713). Het economische leven in de Zuidelijke Nederlanden, dat in de 16de eeuw
een ongekende bloei was tegemoet gegaan, werd ten gevolge van langdurig
oorlogvoeren zwaar geschaad. Het internationale commerciële centrum Antwerpen,
dat door zijn opgang het economische zwaartepunt van Vlaanderen (Brugge) naar
Brabant verplaatst had, zag sinds de Scheldesluiting (1585) zijn functie als
zeehaven, alsmede zijn financiële hegemonie in Europa verloren gaan; wel bleef
de stad het voornaamste handelscentrum van de Zuidelijke Nederlanden. Erger werd
het platteland getroffen door troepenverplaatsingen en plunderingen. Hongersnood
en pestepidemieën kwamen de ellende nog vergroten. Sedert het bewind van de
aartshertogen was een zeker herstel opgetreden. Achter de vernieuwde dijken
werden de meeste verlaten hoeven weer geëxploiteerd en ook de
plattelandsindustrie beleefde een heropbloei (o.a. de vlas- en linnennijverheid
in Vlaanderen). Het herstel was echter niet blijvend en de dalende trend van de
landbouwprijzen in de tweede helft van de 17de eeuw bracht nieuwe moeilijkheden
mee. Op het einde van de 17de eeuw werd weer een dieptepunt bereikt ten gevolge
van het niet ophoudende oorlogsgeweld. In de jaren 1692–1694 en 1698–1699
heerste scherpe hongersnood. Onder Oostenrijks bewind. De Vrede van Utrecht (1713)
wees de Zuidelijke Nederlanden toe aan de Oostenrijkse pretendent, keizer Karel
VI. Deze liet zich vertegenwoordigen door een gouverneur-generaal en voor het
feitelijke dagelijks bestuur voerde hij de functie van gevolmachtigd minister
in. De minister van Eugenius van Savoie (gouverneur-generaal van 1716 tot 1724)
was de markies van Prié, die herhaaldelijk in conflict kwam met de
Zuid-Nederlandse gilden en edelen. Prié onderdrukte het verzet van de Brusselse
gildedekens en liet in 1719 hun leider Anneessens terechtstellen. Na de dood van
Karel VI brak de Oostenrijkse Successie oorlog uit, die deels weer op
Zuid-Nederlands grondgebied werd beslecht. De dochter van Karel VI, Maria
Theresia, volgde hem op en zij kon bij de Vrede van Aken (1748) haar recht op de
Zuidelijke Nederlanden doen erkennen. De belangrijkste gouverneur-generaal onder
haar bewind was de populaire Karel Alexander van Lotharingen (1741–1744,
1749–1780), die van 1753 tot 1770 de graaf van Cobenzl als gevolmachtigd
minister had. Cobenzl was een aanhanger van de Verlichting en voerde een actieve
economische en culturele politiek, waarbij de Zuidelijke Nederlanden weer een
zekere opbloei kenden. Hij hervormde tevens de financiën en wist de centrale
macht van Brussel te verstevigen. De politiek van Verlichting, centralisatie en
absolutisme, die de keizerin voorstond, werd na haar dood nog krachtiger en met
minder ontzag voor de gewestelijke en stedelijke tradities voortgezet door haar
zoon Jozef II, die o.m. een edict van religieuze tolerantie uitvaardigde (1781),
de beschouwende kloosters ophief (1783) en de bisschoppelijke seminaries verving
door een seminarie-generaal te Leuven (1786). Hij moderniseerde grondig het hele
bestuursstelsel en het gerecht (1787). Daardoor krenkte hij zoveel gevoelens en
belangen, dat in brede kringen van de bevolking het verzet rijpte, dat tot de
Brabantse Omwenteling (1789) leidde en waarbij de Staten-Generaal, onder leiding
van Van der Noot, in 1790 de onafhankelijkheid uitriep van de ‘Verenigde
Belgische Staten’, een statenbond van vrijwel soevereine gewesten, met slechts
een minimum van bevoegdheden voor een overkoepelend congres. Onderlinge
verdeeldheid (o.a. tussen de conservatieve Statisten en de liberale Vonckisten)
en gewestelijk particularisme baanden echter de weg voor de Oostenrijkse
restauratie (dec. 1790). In 1792 vielen de Fransen de Zuidelijke Nederlanden
binnen. Na hun overwinning bij Jemappes (6 nov.) bezetten zij het gehele land en
het prinsbisdom Luik. Zij moesten zich echter terugtrekken na hun nederlaag bij
Neerwinden (18 maart 1793). Aan de tweede Oostenrijkse restauratie kwam een eind
door de definitieve Franse overwinning behaald in de Slag bij Fleurus (26 juni
1794). 5.7 De
inlijving bij Frankrijk Direct na Fleurus werden de hervormingen van de Franse Revolutie
geleidelijk ingevoerd en het ancien régime werd in de Zuidelijke Nederlanden
afgeschaft. Op 1 okt. 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden als Belgische
departementen bij de Franse Republiek ingelijfd. De kerkvervolging en de
conscriptie (dienstplicht) leidden in 1798 tot opstanden als de Boerenkrijg.
Ontspanning kwam er pas met het consulaat van Napoleon Bonaparte en met het
concordaat dat de paus met hem afsloot. Tijdens de Franse tijd werd de Industriële
Revolutie, reeds voorbereid onder het Oostenrijks bewind, met kracht doorgevoerd
o.m. door L. Bauwens te Gent en met W. Cockerill te Verviers; beiden
mechaniseerden de textielindustrie en brachten de tot dan toe opgesplitste
fabricageprocédés in een groot gebouw onder (meestal een klooster of abdij).
Zo ontstond de moderne fabriek. De nieuwe industriëlen in België werkten volop
voor ‘La Grande Armée’ en volgden het wel en wee van de Franse keizer. De
bevolking was gelaten, maar reageerde wel hevig tegen de conscriptie en tegen de
zware belastingen. Het invoeren van het Frans als officiële taal versnelde het
verfransingsproces in Vlaanderen. Bij de Slag van Waterloo stonden Belgische
soldaten zowel aan de kant van de geallieerden (bij het korps van Chassé) als
aan de zijde van Napoleon. De val van Napoleon werd in de Belgische gewesten wel
met vreugde begroet, al wist men niet goed wat de toekomst zou brengen. 5.8
Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de Belgische Revolutie Na de ineenstorting van het Franse keizerrijk stuurde Engeland aan op de
hereniging van Noord- en Zuid-Nederland, teneinde een sterke bufferstaat tegen
Frankrijk tot stand te brengen. Op 21 juni 1814 ondertekenden de grote
mogendheden de Acht Artikelen van Londen, waarbij tot de hereniging werd
besloten, en een maand later (21 juli) werden zij ook door Willem I aanvaard. Op
21 sept. 1815 legde deze de grondwettelijke eed af als ‘Koning der
Nederlanden’. Het beleid van Willem I heeft voor de Belgische gewesten belangrijke
vruchten afgeworpen. De verdere industrialisatie, gestimuleerd door de
oprichting (1822) van de Société générale des Pays-Bas pour favoriser
l’industrie nationale, kwam in de eerste plaats de Waalse mijnbouw en
metaalindustrie ten goede, maar ook de Vlaamse textielindustrie kende, na enkele
crisisjaren, sedert 1823 een grote expansie. Deze ontwikkeling kwam vooral de
burgerij ten goede en kon aan het bestaande pauperisme geen einde maken. Om het
analfabetisme te bestrijden werd de uitbreiding van het lager onderwijs grondig
aangepakt. Voorts richtte Willem I verscheidene athenea voor middelbaar
onderwijs, een rijksnormaalschool (Lier) en drie rijksuniversiteiten (Gent,
Leuven en Luik) op. Op taalgebied streefde de koning naar de geleidelijke
invoering van het Nederlands als officiële taal in Vlaanderen. De onderwijspolitiek van Willem I botste echter op hevig katholiek
verzet. De afschaffing van het vrij (katholiek) middelbaar onderwijs, de
sluiting van de bisschoppelijke seminaries en de oprichting van het Collegium
Philosophicum voor priesteropleiding onder staatstoezicht vormden de inzet van
een ware schoolstrijd. Willem I vond slechts steun bij de liberale opinie die
ook gevoelig was voor de resultaten van het economische beleid. Na 1825 kwam
hierin echter een kentering. Onder invloed van het Franse liberalisme legden
jongere liberalen, voor wie het anti-klerikalisme minder aantrekkingskracht
bezat, de nadruk op de strijd voor een nieuwe staatsorde, gebaseerd op het
beginsel van de natiesoevereiniteit en de erkenning van de individuele
vrijheden. Liberalen en katholieken sloten zich geleidelijk aaneen rond een
gemeenschappelijk eisenprogramma (pers-, taal-, godsdienst-, onderwijsvrijheid,
ministeriële verantwoordelijkheid) en in 1828 kwam de Unie van de katholieke en
liberale oppositie tot stand (het zgn. monsterverbond of Unionisme). Mede onder
invloed van de slechter wordende economische toestand en de Franse Julirevolutie
kwam het op 25 aug. 1830 te Brussel tot relletjes, die vrij onverwacht leidden
tot de afscheuring van de zuidelijke provincies en tot de oprichting van het
koninkrijk België (zie Belgische Revolutie). Nadat het Voorlopig Bewind op 4
okt. 1830 de onafhankelijkheid van België had uitgeroepen, werd op 3 nov. door
ca. 30!000 cijns- en bekwaamheidskiezers het
Nationaal Congres verkozen, dat op 7 febr. 1831 de Grondwet goedkeurde.
Ondertussen was op 4 nov. 1830 te Londen een diplomatieke conferentie begonnen,
die over de toekomst van het opstandige België moest beslissen. Op 20 dec. 1830
erkenden de grote mogendheden de scheiding van België en Nederland. Het
Nationaal Congres verkoos op 3 febr. 1831 de hertog van Nemours, tweede zoon van
de Franse koning, tot ‘koning der Belgen’. Deze weigerde echter de kroon te
aanvaarden en op 24 febr. werd Surlet de Chokier, voorzitter van het Nationaal
Congres, tot regent aangesteld. Op 4 juni 1831 ging het Congres over tot de
verkiezing van Leopold van Saksen-Coburg-Gotha tot staatshoofd. Deze aanvaardde
de troon pas nadat België het Traktaat der XVIII Artikelen had goedgekeurd (9
juli 1831). Op 21 juli 1831 legde Leopold de eed af als eerste koning der
Belgen. Na de Tiendaagse Veldtocht (2–12 aug.) werd het Traktaat vervangen
door het Verdrag der XXIV Artikelen, dat pas in 1839 door Nederland werd
aanvaard. Tot de Eerste
Wereldoorlog. Uit de noodzaak de jonge staat te beveiligen en te
consolideren, bleef het Unionisme tijdens de eerste jaren van de Belgische
onafhankelijkheid bestaan. Vrij spoedig echter kwam de levensbeschouwelijke
tegenstelling op de voorgrond. De veroordeling door de encycliek Mirari vos
(1832) van het liberale katholicisme veroorzaakte bij de katholieken een
gewetenscrisis omtrent de samenwerking met de liberalen. Van hun kant wezen
sommige liberalen het Unionisme af, uit vrees voor een te grote invloed van de
kerk in het openbare leven. De anti-unionistische stroming kreeg de steun van de
vrijmetselarij (waarvan aanvankelijk ook katholieken deel uitmaakten), die na
een veroordeling door de bisschoppen (1838) naar een antigodsdienstig
radicalisme evolueerde, en van het Orangisme, dat na de aanvaarding van het
Verdrag der XXIV Artikelen (1839) zijn bestaansreden ontnomen zag en aansluiting
zocht bij de liberalen. Dat het Unionisme ook na 1839, toen de bedreiging van de
Belgische onafhankelijkheid was afgewenteld, bleef bestaan, is toe te schrijven
aan de invloed van koning Leopold I en de katholieken, die in deze regeringsvorm
de beste waarborg voor het eigen gezag resp. voor de kerkelijke belangen zagen.
Aan de katholiek-liberale samenwerking kwam een einde na de oprichting van de
liberale partij (1846), die na de verkiezingen van 1847 alleen aan de macht
kwam. In 1855 werd een laatste poging ondernomen om het Unionisme te herstellen,
maar met de val van het kabinet-De Decker (1857) verdween het definitief van het
politieke toneel, waarna de tegenstelling tussen katholieken en liberalen
voorgoed naar voren kwam, met de onderwijspolitiek als belangrijkste twistpunt.
De spanning nam toe onder de opeenvolgende liberale regeringen (1857–1870),
die de kerkelijke invloed verder beperkten ten gunste van de staatsinterventie,
en culmineerde in de naar aanleiding van de nieuwe Wetten op het lager (1879) en
middelbaar onderwijs (1881) ontstane Schoolstrijd (met o.m. de verbreking van de
betrekkingen met het Vaticaan), waarbij uiteindelijk de katholieken baat vonden.
Na hun verkiezingsoverwinning van 1884 – mede toe te schrijven aan de
verdeeldheid in het liberale kamp – bleven zij ruim dertig jaar aan de macht.
Nadat reeds eerder landelijke politieke organisaties waren ontstaan, gingen zij
in 1884 over tot de oprichting van een nationale confessionele katholieke partij
waarbinnen echter een brede kloof bestond tussen de burgerlijk conservatieve
meerderheid en de sociaal-democratische minderheid. Op economisch gebied had België ondertussen een ware omwenteling
meegemaakt. De landbouw bleef tot ca. 1880 weliswaar de voornaamste sector, maar
met de aanleg van het spoorwegnet (vanaf 1834) groeiden de mijnbouw en de
metaalindustrie snel aan, voorlopig hoofdzakelijk in Wallonië. Ook het bank- en
verzekeringswezen nam een hoge vlucht. Door o.m. het sluiten van
handelsverdragen en de afkoop van de Scheldetol (1863) stimuleerde de regering
de expansie. Het allesoverheersende economisch liberalisme veroorzaakte ook in
België grote armoede en ellende. Tegen deze wantoestanden traden vanaf 1850
socialistische groepen op. Uit hun samenwerking ontstond in 1885 de Belgische
Werkliedenpartij (BWP). Werkstakingen en een opstand in het Waalse
industriebekken (1886) vestigden de aandacht van de regering op het
arbeidersvraagstuk. De eerste sociale wetten werden goedgekeurd. Na de invoering
van het algemeen meervoudig kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar (1893) deed de
BWP haar intrede in het parlement. Voor de liberalen betekende het nieuwe
kiesstelsel een zware klap:
hun zetelaantal viel van 61 (1892) op 20 (1894) terug. Pas na 1900, toen de
breuk binnen de partij werd hersteld, steeg hun getalsterkte opnieuw, dankzij de
invoering van de evenredige vertegenwoordiging (1899). De Vlaamse Beweging slaagde er vanaf ca. 1860 in het probleem van de
verfransing van Vlaanderen op het politieke vlak te brengen. De Wet op het
gebruik van het Nederlands in het strafgerecht in Vlaanderen (1873) was de
aanzet van de in de loop der daaropvolgende jaren uitgevaardigde taalwetgeving,
waarvan de Gelijkheidswet (1898) het (voorlopige) sluitstuk was. Op het gebied
van de buitenlandse en de militaire politiek hield België vast aan het in 1831
door de mogendheden opgelegde statuut van eeuwigdurende neutraliteit. Ten
gevolge van de internationale situatie zag het zich genoodzaakt vanaf 1848, en
ondanks heftig binnenlands verzet, zijn militaire inspanningen op te drijven.
Uit vrees voor annexatie door Frankrijk werd Antwerpen uitgebouwd tot nationale
vesting, een maatregel waartegen door de Meetingpartij heftig werd gereageerd.
Na de Franse nederlaag (1870–1871) tegen Duitsland dreigde het gevaar dat
België als doorgangsgebied voor een van beide landen zou dienen. Daarom werd
vanaf 1887 de Maasvallei versterkt en de Antwerpse vesting verder uitgebouwd. In
1909 werd de persoonlijke dienstplicht voor één zoon per gezin ingevoerd en in
1913 de algemene persoonlijke dienstplicht. Deze hervorming van het op loting
gebaseerde stelsel kwam echter te laat om effect te sorteren toen België door
het Duitse ultimatum van 2 aug. 1914 in de Eerste Wereldoorlog werd meegesleept. De Eerste Wereldoorlog. Op 4 aug. viel Duitsland
België binnen. Het Belgische leger kon de Duitse opmars tijdelijk vertragen,
maar moest zich terugtrekken achter de IJzer (zie ook Slag aan de IJzer). Van
okt. 1914 af was heel België, op het kleine stukje aan de IJzer na, door de
Duitsers bezet. De regering vestigde zich in Le Havre. Koning Albert bleef met
het leger op het Belgische grondgebied en weigerde pertinent dit te verlaten.
Hoewel de bevolking haast eensgezind vijandig stond tegenover de Duitsers, is
van actief verzet geen sprake geweest. De industrie werd geleidelijk lamgelegd
wegens gebrek aan grondstoffen en opeisingen van de vijand, wat het gemiddelde
aantal werklozen op 650!000
bracht. Een kleine groep zgn. activisten werkte tijdens de oorlog met de
bezetter mee (zie activisme). In het leger stond een Frontbeweging van Vlaamse
intellectuelen op de bres voor de Vlaamse eisen. Eind sept. 1918 begon het
bevrijdingsoffensief, dat van het Belgische leger 3500 doden en 31!000 gewonden vergde. Op 11 nov. trad de wapenstilstand
in. Bij het Verdrag van Versailles (1919) verkreeg België de opheffing van zijn
neutraliteitspositie, een geprivilegieerde behandeling inzake vergoeding van
oorlogsschade door Duitsland, de mandaatuitoefening over Rwanda en Oeroendi en
de annexatie van de Duitse gebieden Eupen, Malmédy en Sankt Vith (zie
Oostkantons). Tussen de twee wereldoorlogen.
De invoering van het algemeen enkelvoudig kiesrecht (1919; tot 1949 alleen voor
mannen) zou, op één uitzondering na (1950–1954), het behalen van een
volstrekte meerderheid door één partij uitsluiten. Voortaan was men aangewezen
op coalitieregeringen die tot stand kwamen op basis van een compromis tussen de
diverse partijprogramma's. De problemen rond de wederopbouw deden in de
onmiddellijke naoorlogse periode een klimaat van nationale unie, d.i. een
samenwerking van de drie zgn. nationale partijen (katholieken, liberalen,
socialisten), ontstaan, die tot 1921 bleef bestaan en ook later nog zou
voorkomen (1926–1927, 1935–1939, 1939–1940). Alle overige kabinetten
omvatten katholieken, die nu eens de liberalen, dan weer de socialisten als
partner zochten. De katholieke partij had het meest te lijden onder de pressie
van de Vlaams-nationalisten, die zich verenigden in de Frontpartij. Deze werd in
1933 opgevolgd door het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), dat – evenals het
rexisme, dat bij de verkiezingen van 1936 een kortstondig succes boekte –
steeds meer in het vaarwater van het fascisme en het nationaal-socialisme
terechtkwam. De liberalen verloren een deel van hun progressieve aanhang onder
de arbeiders aan de BWP. Binnen deze partij was een scheuring tussen de
reformistische en de revolutionaire strekking aanleiding tot het oprichten in
1921 van de Communistische Partij van België (CPB; later Kommunistische Partij
van België geheten). Na de zware verwoestingen van de oorlog duurde het tot 1925 voordat de
economie zich (vrij moeizaam) had hersteld. Het zwakste punt ervan was de
positie van de frank, die veel van zijn waarde verloor en in 1924–1925 dieper
dan ooit daalde. Het katholiek-socialistische kabinet-Poullet-Vandervelde
(1925–1926) zag zich de steun van de financiële kringen ontzegd. Het
dreigende bankroet werd vermeden door het saneringsplan van E. Francqui, die als
minister in het kabinet-Jaspar (1926–1927) de spoorwegen denationaliseerde
(oprichting van de NMBS) en de frank devalueerde. Deze muntontwaarding gaf de
industrie en de handel een sterke impuls. Aan de economische bloei kwam vanaf
1931 een einde, onder invloed van de wereldcrisis. Het deflatiebeleid kende geen
succes en verhoogde de reeds sterk toegenomen werkloosheid. Tegenover de
machteloosheid van de regering om de crisis te bedwingen plaatste de
socialistische oppositie het door H. de Man ontworpen Plan van de Arbeid. Het
werd zeer fragmentarisch uitgevoerd door de drieledige regering-Van Zeeland, die
door een nieuwe devaluatie van de frank (1935) het economische herstel inleidde.
Voortaan zou de overheid in toenemende mate ingrijpen in het economische leven.
Tijdens het interbellum werd de sociale wetgeving aanzienlijk uitgebreid.
Belangrijke maatregelen waren de erkenning van het stakingsrecht en de syndicale
vrijheid (1921), de beperking van de arbeidsdag en -week tot 8 resp. 48 uur
(1921), de invoering van een jaarlijkse (zesdaagse) vakantie (1936) en het
vastleggen van een minimumloon (1936). Aanvankelijk werden de Vlaamse eisen traag ingewilligd. De verkiezing van
de activist A. Borms (1928) tot Kamerlid had echter een schokwerking. De Gentse
universiteit werd volledig vernederlandst (1930), in de administratie en het
lager en secundair onderwijs werd het beginsel streektaal=voertaal ingevoerd
(1932), er kwam amnestie voor veroordeelde activisten (1937) en het leger werd
op regimentsniveau in Nederlandstalige en Franstalige eenheden ingedeeld (1938).
In zijn buitenlandse politiek streefde België naar nieuwe veiligheidsgaranties.
In sept. 1920 werd een Frans-Belgisch militair akkoord gesloten dat, o.m. wegens
het geheimhouden van zijn inhoud, scherpe kritiek uitlokte van Vlaamsgezinde en
socialistische zijde. Ook de Belgische deelname aan de Ruhrbezetting
(1923–1924) op basis van dit akkoord stootte op hevig verzet in dezelfde
kringen. In 1925 sloot België zich aan bij de Locarnoverdragen (zie conferentie
van Locarno), waardoor het in een ruimer systeem van collectieve veiligheid werd
opgenomen. Na de Duitse opzegging van de Locarnoverdragen (1936) keerde België
terug naar een neutraliteitspolitiek. Deze houding zou echter niet beletten dat
het land opnieuw in een oorlog zou worden betrokken. De Tweede Wereldoorlog. Op 10 mei 1940 vielen de
Duitse troepen zonder oorlogsverklaring België binnen (zie Achttiendaagse
Veldtocht). Toen Leopold III op 28 mei capituleerde, gaf hij geen gehoor aan de
wens van de driepartijenregering-Pierlot (1939–1945) om uit te wijken. Het
kwam tot een breuk tussen de koning en de ministers, die naar Frankrijk
vertrokken en zich later te Londen vestigden. Met de Nederlandse regering te
Londen werd op 5 sept. 1944 het Benelux-verdrag gesloten. Het Belgische
grondgebied, dat volledig was bezet, kreeg een militair bestuur (Militärverwaltung),
dat evenwel de Belgische administratieve diensten, onder leiding van de
secretarissen-generaal, aan het werk liet. De Belgische economie werd
ingeschakeld in de Duitse oorlogsvoering en vanaf 1942 kwam er verplichte
arbeidsdienst (zie arbeidsinzet). Een deel van de bevolking stond tijdens de
eerste dagen van de bezetting niet afwijzend tegenover de bezetter. In de winter
1940–1941 echter brachten de moeilijke ravitaillering en maatregelen als de
opeising van voorraden en van arbeidskrachten, de zware oorlogsbelastingen, de
deportatie van joden en van verzetslieden, enz. een kentering in de publieke
opinie teweeg. Van toen af breidde de van bij het begin ontstane verzetsbeweging
zich snel uit (zie Tweede Wereldoorlog § Het verzet). Anderzijds stonden de
rexisten en het VNV, naast enkelingen die, zoals H. de Man, aanvankelijk aan de
algemene ontreddering toegaven, gedurende de hele oorlog aan de zijde van de
Duitsers (zie collaboratie). Geleidelijk werd het VNV in de gunst van de
Duitsers overvleugeld door de beslister pro-Duitse DeVlag en Vlaamse SS. Na de
geallieerde doorbraak uit Normandië werd Brussel op 2 sept. 1944 en een paar
weken daarna bijna het gehele Belgische grondgebied bevrijd, maar intussen was
de beschieting van Antwerpen en Luik met Duitse V-wapens begonnen. Na het
Ardennenoffensief was de bezetting voorgoed ten einde. Na de Tweede Wereldoorlog. Het naoorlogse
partijpolitieke leven bewandelde de tijdens het interbellum gebaande wegen. Het
mislukte experiment met de Union démocratique belge (UDB) toonde aan dat er
(althans tijdelijk) geen mogelijkheid tot vernieuwing was. In 1945 nam de
katholieke partij de benaming Christelijke Volkspartij (CVP) aan en de door H.
de Man ontbonden BWP diende zich aan als de Belgische Socialistische Partij
(BSP). De liberalen vormden hun partij in 1961 tot de Partij voor Vrijheid en
Vooruitgang (PVV) om. Het Vlaams-nationalisme kwam in 1954 terug in de politieke
arena, maar pas vanaf 1961 zou de Volksunie (VU), onder invloed van de scherper
wordende spanningen tussen de Nederlandstalige en Franstalige gemeenschappen,
uitgroeien tot een belangrijke formatie. Later dan in Vlaanderen leidden de
gemeenschapstwisten tot de oprichting van nieuwe partijen in Wallonië en
Brussel: het Rassemblement wallon (RW), resp.
het Front démocratique des Bruxellois francophones (FDF), die een snelle groei
kenden in de jaren zeventig maar na 1980 over hun hoogtepunt heen waren. De
groeiende tegenstellingen tussen Nederlands en Frans sprekenden werkten
bovendien tegen het einde van de jaren zestig als ontbindende factor op de
katholieke en liberale partijen. Tien jaar later (1978) deed zich ook in de
socialistische partij een breuk voor. In de jaren tachtig verwierven de
‘groene’ partijen Agalev en Ecolo een vaste plaats in het Parlement. Na twee regeringen van nationale unie, waar ook de KPB toe behoorde,
werden sinds 1946 opnieuw coalitieregeringen op de been gebracht, die een vrij
gedifferentieerde samenstelling kenden. In tegenstelling tot de periode
1919–1939 werden de katholieken enkele malen in de oppositie gedreven en
kwamen ook enkele éénpartijkabinetten (CVP) aan de macht. Vanaf 1974 werden de
zgn. communautaire partijen regeringsbekwaam geacht. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog laaiden de levensbeschouwelijke
tegenstellingen hoog op. De omstreden houding tijdens de oorlog en de eventuele
terugkeer van Leopold III zetten de linkse (socialistische, liberale en
communistische) en de rechtse (katholieke) partijen tegen elkaar op in de
Koningskwestie. Doordat dit conflict bovendien grotendeels samenviel met de
Vlaams-Waalse tegenstelling (in Vlaanderen sprak de meerderheid zich uit voor de
terugkeer van de koning, in Wallonië tegen de terugkeer), bracht het België op
de rand van een burgeroorlog, die slechts kon worden vermeden door de
troonsafstand van Leopold, ten voordele van zijn zoon Boudewijn (1951). De CVP
maakte van haar bij de verkiezingen van 1950 behaalde meerderheid gebruik om een
ruime subsidiëring aan het vrij (katholiek) onderwijs toe te staan. Toen het
socialistisch-liberale kabinet-Van Acker (1954–1958) deze maatregelen ongedaan
maakte, brak in het land een tweede Schoolstrijd los. Na de
CVP-verkiezingsoverwinning van 1958 ondertekenden de drie zgn. nationale
partijen het Schoolpact, dat de onderwijsvrede en de levensbeschouwelijke
pacificatie herstelde. Dank zij de relatief intact gebleven industriële infrastructuur, de
muntsanering (1944), de opbrengsten van de uraniumproductie in de Belgische
kolonie tijdens de oorlog, de dienstverlening van de haven van Antwerpen voor de
geallieerde legers na de oorlog, het op dreef brengen van de steenkoolproductie,
de Marshallhulp en de economische samenwerking in Benelux- en Europees verband,
kon België zich snel herstellen. Werkgevers en werknemers hadden reeds tijdens
de bezetting de wens tot een loyale samenwerking uitgedrukt, die gestalte kreeg
in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. De Besluitwet op de
maatschappelijke zekerheid (1944) voerde de verplichte werkloosheids- en ziekte-
en invaliditeitsverzekering in. De economische vooruitgang kon echter niet
beletten dat het land een grote structurele werkloosheid kende, die na het
uitvaardigen van de Wet op de regionale expansie (1959) geleidelijk kon worden
bedwongen. Vanaf 1960 diende zich een periode van hoogconjunctuur aan,
voornamelijk dankzij de economische schaalvergroting (inwerkingtreding van de
Europese Economische Gemeenschap). Bij de jaarwisseling 1960–1961 riep het
Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) een werkstaking uit tegen de Eenheidswet,
die nieuwe belastingen en ernstige bezuinigingen oplegde. Teneinde de
stagnerende economie te stimuleren, werd in 1966 een tweede
regionale-expansiewet uitgevaardigd, die een nieuwe periode van hoogconjunctuur
inluidde. De internationale economische crisis van de jaren zeventig spaarde ook
België niet. Het land kreeg de rekening gepresenteerd voor de te eenzijdige
afstemming van zijn economie op verouderde sectoren. De overheid zag zich
genoodzaakt de staal-, steenkool- en textielsector te herstructureren, een
operatie die gepaard ging met de sluiting van bedrijven en mijnen en het verlies
van duizenden arbeidsplaatsen, en die zwaar woog op de rijksfinanciën. De
snelle groei van de werkloosheid (van 3,4% van de verzekerde bevolking in 1972
tot 18,5% in 1983) was mede de oorzaak van steeds grotere begrotingstekorten (in
1998 tot 13% van het bruto binnenlands product, bbp) en van de spectaculaire
toename van de rijksschuld van 1956,8 miljard F in 1980 tot 6441,8 miljard F
begin 1989). De centrum-rechtse regeringen-Martens voerden vanaf 1982 een streng
saneringsbeleid (met o.m. het Sint-Anna- of Pinksterplan, 1986) om het
begrotingstekort in te dijken. Het herstelbeleid begon op het einde van de jaren
tachtig vruchten af te werpen:
het begrotingstekort kon worden teruggedrongen tot 7,7% van het bbp (1988) en de
werkloosheid begon te dalen, mede dankzij de heroplevende conjunctuur. De parlementsverkiezingen van 24 nov. 1991 wijzigden de
machtsverhoudingen binnen de Belgische politieke wereld. Alle grote partijen
verloren stemmen. De stemmenwinst ging in Vlaanderen in hoofdzaak naar het
Vlaams Blok en in Wallonië naar Ecolo. Een derde van de kiezers had tegen de
gevestigde partijen gestemd. Na het decennium-Martens (1981–1991), vormde de
christen-democraat Jean-Luc Dehaene een rooms-rood kabinet (7 maart 1992), dat
na de verkiezingen van 21 mei 1995 zichzelf opvolgde. De belangrijkste dossiers
van deze regering waren de sanering van de rijksbegroting, de hervorming van de
sociale zekerheid en de strijd tegen de werkloosheid. Voor premier Dehaene bleef
echter het terugdringen van de torenhoge staatsschuld de dringendste taak van de
regering. Via opeenvolgende bezuinigingsmaatregelen bedroeg het begrotingstekort
in 1996 nog slechts 3,4% van het bbp. Met een tekort van 2,9% in 1997 wilde
België gereed zijn om in 1998 opgenomen te worden in de kopgroep van de
Europese Monetaire Unie (EMU). Op het buitenlandse vlak werd de Benelux geleidelijk in werking gesteld.
België sloot zich aan bij de UNO (1945), het Verdrag van Brussel (1948), de
NATO (1949), het EGKS-verdrag (1951) en de verdragen van Rome en EURATOM (1957).
De regering-Eyskens werd geconfronteerd met een groeiende emancipatiebeweging in
Belgisch-Kongo. Op 30 juni 1960 deed België afstand van zijn soevereiniteit
over de kolonie. De onlusten die onmiddellijk daarop in Kongo uitbraken, noopten
België tot een gewapende interventie. De relaties met de ex-kolonie zouden
problematisch blijven en geregeld worden gekenmerkt door ernstige spanningen
(zie ook § 8.10 en Congo [Kinshasa] § Geschiedenis). De Vlaamse Beweging, die zwaar getroffen was door de repressie (zie
repressie [recht]), kon zich maar moeizaam herstellen. Pas na de beslechting van
de Schoolstrijd kwam er ruimte vrij voor belangrijke verwezenlijkingen op het
gebied van de Vlaams-Waalse verhoudingen:
splitsing van het ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur (1961–1962),
vastlegging van de taalgrens (1962), herziening van de taalwetgeving (1963).
Deze maatregelen gingen gepaard met hernieuwde buitenparlementaire acties (Mars
op Brussel, 1961 en 1962). Met de doorbraak van de Volksunie (VU) kwam, vanaf
1960, de federalistische idee aan bod, die ook in Wallonië aanhang kende.
Hoewel de drie grote partijen het federalisme niet onderschreven, voelden zij
zich genoodzaakt concessies te doen. Daartoe leidden zij de procedure tot
herziening van de Grondwet in, waarmee het op 23 mei 1965 verkozen parlement
werd belast. De CVP-BSP-regering beschikte echter niet over de noodzakelijke
tweederde meerderheid om de herziening door te voeren. Moeilijkheden in verband
met de ziekteverzekering leidden tot haar ontslag (febr. 1966), waarna een
CVP-BSP-PVV-kabinet onder de leiding van P. vanden Boeynants werd gevormd.
Hoewel deze regering het bevriezen van de taalvraagstukken gedurende twee jaar
voorstond, struikelde zij over het probleem van de overheveling van de
Franstalige afdeling van de Leuvense universiteit naar Wallonië (7 febr. 1968).
De daaropvolgende vervroegde verkiezingen van 31 maart leverden forse winst op
voor de federalistische partijen. Vanaf 1970 stond het politieke leven grotendeels in het teken van de
staatshervorming. De regering-Eyskens (CVP/PSC-BSP; 1968–1971) voerde de
economische decentralisatie in en maakte met een grondwetsherziening een einde
aan het unitaire België. De nieuwe Grondwet deelde België in vier taalgebieden
in en erkende drie cultuurgemeenschappen en drie gewesten. In uitvoering van de
Grondwet werden drie Cultuurraden opgericht, waarvan de Nederlandse en de Franse
wetgevende bevoegdheid kregen, maar voor de uitvoering van artikel 107quater
over de gewesten bleef vooral de begrenzing van Brussel een twistpunt, dat noch
de nieuwe CVP/PSC-BSP-regering-Eyskens (1972), noch het drieledige
kabinet-Leburton (1973–1974) kon oplossen. Nadat in 1974 een
‘voorbereidende’ gewestvorming was ingevoerd, kwam in mei 1977 een akkoord
over het geheel van de staatshervorming tot stand tussen CVP, PSC, BSP, VU en
FDF. Dat Egmontpact strandde in okt. 1978 op Vlaams verzet en op grondwettelijke
bezwaren van de CVP. Het zespartijenkabinet (CVP-PSC-SP-PS-PVV-PRL) van Wilfried Martens
slaagde er in de zomer 1980 in een nieuwe grondwetsherziening door te voeren,
die de cultuurautonomie verving door een ruimere gemeenschapsautonomie en de
gewestvorming tot stand bracht. De drie gemeenschappen en het Vlaams en het
Waals Gewest kregen, naast een Raad, een eigen regering (Executieve), maar over
het statuut van Brussel kon andermaal geen akkoord worden gevonden. Vrij snel
bleek dat de staatshervorming van 1980 leemten en gebreken vertoonde. Bovendien
werden de christen-democratisch-liberale regeringen-Martens (1981–1985 en
1985–1987) geconfronteerd met nieuwe ‘communautaire’ problemen, o.m. de
staatshulp aan de (vooral Waalse) staalbedrijven en de taalkennis van politieke
mandatarissen in de Vlaamse faciliteitengemeenten. Die laatste kwestie,
gekristalliseerd rond burgemeester José Happart van Voeren, leidde in de herfst
1987 tot een kortsluiting in het kabinet en de langste regeringscrisis uit de
Belgische geschiedenis (dec. 1988–mei 1989). Een en ander bracht de politieke
wereld ertoe de voor de jaren negentig geplande verdere hervorming van de staat
te vervroegen. Via een nieuwe grondwetsherziening gaf een alweer door Martens
geleide CVP-PSC-SP-PS-VU-regering in de tweede helft van 1988 een nog ruimere
autonomie en meer financiële middelen voor de gemeenschappen en de gewesten,
deze keer ook voor Brussel. Met de grondwetsherziening van 1993 werd België
onder de regering-Dehaene I een echte federale staat en werd het mogelijk de
exclusieve bevoegdheden van de federale overheid vast te leggen en de
gemeenschappen en gewesten de residuaire (alle overige) bevoegdheden toe te
wijzen. Ook werd o.a. het (federale) tweekamerstelsel hervormd en er werd
voorzien in de rechtstreekse verkiezing van de regionale parlementen. Zie Vlaams
Gewest, Waals Gewest. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kreeg zijn lang
verwachte statuut in 1989. Op 31 juli 1993 overleed plotseling koning Boudewijn, met zijn 42 jaar
durend koningschap de langst regerende vorst in Europa. Hij werd opgevolgd door
zijn broer, Albert II. Zie ook & 3.8. In mei 1998 trad België toe tot de Europese Monetaire Unie (EMU). Aan
het einde van de20ste eeuw en, naar aanleiding van de zaak-Dutroux, kwamen zowel
bij regering als bij oppositie plots koortsachtige bewegingen tot stand om
aloude instellingen en vastgeroeste reglementeringen te hervormen resp. te
herzien en dit op gebied van justitie en politie. Na de revolutie van 1830 leefde in sommige kringen de idee dat de jonge
Belgische staat koloniën nodig had om verzekerde afzetgebieden voor zijn
industriële productie te verwerven. Ofschoon zij maar weinig bijval genoot bij
politici en handelaars, kreeg zij de steun van koning Leopold I, die uit eigen
middelen reizen en ondernemingen financierde, die echter op een mislukking
uitliepen. Ook koning Leopold II toonde zich een vurig voorstander van de
expansie in het buitenland. De tochten van Livingstone en Stanley vestigden ca.
1875 zijn aandacht op Centraal-Afrika. In 1876 riep hij een internationale
conferentie van geografen en deskundigen bijeen, waarop werd besloten de Association
Internationale Africaine op te richten, waar echter geen van de deelnemende
landen bereid was veel geld in te steken. Daarop nam Leopold in 1877 Stanley,
die een expeditie naar de Congorivier zou ondernemen, in dienst. Hij stelde een Comité
d’Études du Haut-Congo samen, dat de onderneming zou financieren en in
1882 werd vervangen door de Association Internationale du Congo. Intussen
had Stanley met meer dan 450 stamhoofden overeenkomsten gesloten, waarbij dezen
de soevereiniteit over hun gebieden aan de Association afstonden. De Association
werd door de Akte van Berlijn (febr. 1885) als een soevereine staat erkend (zie
ook Koloniale Conferentie van Berlijn). In april 1885 verleende het Belgisch
parlement aan Leopold de (grondwettelijk vereiste) toestemming om als
staatshoofd van de Onafhankelijke Kongostaat (opgericht bij het Decreet van 29
mei 1885) op te treden. Niet zonder moeilijkheden verkreeg de koning in de
daaropvolgende jaren ook financiële steun van het parlement. In 1890 begon hij
met de strijd tegen de Arabische slavendrijvers, wat tevens leidde tot de
verdere verovering van het Kongogebied. In 1890 stonden de Kamers een nieuwe
lening toe, op voorwaarde dat België de Kongostaat na tien jaar kon overnemen,
indien het dan aan de terugbetaling van de lening verzaakte. Anderzijds trachtte
Leopold, tegen de Akte van Berlijn (die de vrijhandel oplegde) in, de rubber- en
ivoorexploitatie te monopoliseren. De protesten hiertegen leidden tot de
verdeling van het gebied (1892) in een kroondomein (voorbehouden aan de
Kongostaat), een vrijhandelszone en een voor handel gesloten gebied. De geplande
overname van de Kongostaat door België (1901) ging wegens het verzet van
Leopold niet door. Intussen riep het in Kongo gevoerde beleid steeds meer
weerstand op, zowel in als buiten België. De koning richtte in 1904 een
internationale onderzoekscommissie op, die de aangeklaagde tekorten en
misbruiken bevestigde. De overname was niet langer uit te stellen en op 3 juni
1906 liet Leopold weten dat hij tot soevereiniteitsoverdracht bereid was, mits
het behoud van het kroondomein. Op 28 nov. 1907 ondertekende hij de akte van
afstand en op 15 nov. 1908 werd de Kongostaat (als Belgisch-Congo) een kolonie
van België. De aanspraken op het kroondomein werden na Leopolds dood (17 dec.
1909) ongedaan gemaakt. Het koloniale bestuursstelsel van 1908 was zeer centralistisch, maar
voorstellen om de kolonie meer autonomie te geven, werden voor de Eerste
Wereldoorlog afgewezen. Pas na 1918 werden belangrijke vernieuwingen ingevoerd,
die Belgisch-Congo tot een van de best uitgeruste Afrikaanse koloniën maakten: vormen van indirect bestuur, sociale en medische
zorgenverstrekking, lager onderwijs. Een duidelijke conceptie over de aard en de
toekomst van het koloniale bewind bestond evenwel niet. Na de Tweede Wereldoorlog nam de onafhankelijkheidsidee een steeds
duidelijker vorm aan. Onlusten in Leopoldstad noopten de Belgische regering
ertoe in een verklaring (13 jan. 1959) het recht van Belgisch-Kongo op
onafhankelijkheid te erkennen. In jan. 1960 begon in Brussel een
rondetafelconferentie over de toekomst van het gebied. De Belgische regering
stemde er zonder tegenstand mee in dat de kolonie op 30 juni 1960 een
zelfstandige staat zou worden. De gebeurtenissen die zich daarna in Kongo
afspeelden, legden de mislukking van de Belgische dekolonisatiepolitiek bloot
(zie voorts Congo [Kinshasa] § Geschiedenis). In dit kader dient nog te worden vermeld dat België na de Eerste
Wereldoorlog, krachtens het Verdrag van Versailles, het mandaat over twee
provincies van Duits Oost-Afrika, Oeroendi en Rwanda, had gekregen. Het
mandaatgebied werd op 1 juli 1962 onafhankelijk en gesplitst in de staten Rwanda
en Boeroendi |