Dit
scenario dat zich dikwijls herhaalde, deed een voor die tijd vernuftig
idee ontstaan in de geest van het herdertje, dat slimmer was dan zijn leeftijdgenootjes:
op een morgen nam hij de strikken in paardenhaar, die zijn vader gebruikte
om vogeltjes te vangen, mee. Die dag pakte hij het wild dat de valk geslagen
had niet af. Hij wikkelde de patrijs in de strikken en wachtte tot de valk
zijn prooi kwam terughalen. De valk bleef hangen in de strikken, het herdertje
bevrijdde hem van de strikken maar gaf hem niet die vrijheid. Die avond
kwam hij thuis met een patrijs en een valk, de ene dood maar de andere
levend.
Het dresseren – enkele duizenden jaren later zouden we zeggen de opleiding- was niet gemakkelijk maar enkele maanden later bracht het herdertje veel meer patrijzen en gangas dan vroeger mee voor zijn familie en soms ook een taling of een eend.
Het schijnt wel dat de valkerij zijn oorsprong vindt op de plateaus van centraal-Azië, in een streek waar men nu nog de hoogste natuurlijke concentratie vindt van roofvogels die in aanmerking komen voor valkerij. De mensen, nomaden die hun kudde hoeden, hebben gemerkt dat de roofvogels voordeel trekken van het wild dat opgejaagd wordt door de kudde. Waarom ze dan niet opleiden om zo zeldzaam voedsel te bemachtigen?
Voor voedselwinning, werd de valkerij door de eeuwen heen een volwaardige jachtmethode, met een buitengewoon rijk, cultureel en taaleigen patrimonium. Vele termen werden overgenomen door de alledaagse volksmond.
De
Kierghiezen, Kazakken en Mongolen, nomaden en jagers, kunnen wel eens de
eerste valkeniers geweest zijn. De eerste documentatie die we bezitten
over valkerij is ... 35 eeuwen oud. Het gebruik ervan verspreidde zich
stilaan zowel naar het oosten als naar het westen.
We vinden sporen in de Chinese literatuur 2000 jaar voor Chr. Een Hittitse zuil zou een valkenier kunnen verbeelden, de valkerij had zich naar het westen verspreid.
Het is maar rond de VII eeuw dat de Arabieren kennis maakten met de valkerij, daar ze in Europa waarschijnlijk rond de IV eeuw werd binnengebracht door de Germanen gedurende de grote invasies.
Het is in de Middeleeuwen dat de valkerij zich echt ontwikkelt in alle Europese landen. Naargelang de periode en de godsdienst werden ze ofwel door iedereen vrij beoefend of in tegendeel : jaloerse privilegies van de adel, zelfs een koninklijk voorrecht.
De
techniek verfijnt zich stilletjes aan, vooral dank zij het gebruik van
de loer. De kruisvaarders brachten in 1229 de huif mee uit het Oosten.
Het zijn ook de kruisvaarders, in het bijzonder de Vlaamse ridders die
de “vogelhond” aan de Arabieren leerden kennen, de hond die opgeleid was
om het wild te zoeken en te laten opvliegen en ook om de valk te helpen
bij het bedwingen van grote vogels.
Dan verschijnt de rijkste et bekendste handleiding over valkerij “De arte venandi cum avibus” van Frederic II van Hohenstaufen die een grote ornithologische wetenschap paart aan een perfecte praktische kennis.
In ons land heeft de “ars venandi cum avibus” gedurende de voorbije eeuwen genoten van een buitengewone en roemrijke luister, kijk maar naar de iconografie over het onderwerp. Tot de vorige eeuw genoot België van een internationale faam op dat gebied. De valkeniers van ons land werden in alle Europese koninklijke en prinselijke hoven zeer hoog geacht. In de XIII eeuw leverde het dorp Arendonk (bij Turnhout) in de Kempen meester-valkeniers aan de graven van Brabant en Bourgondië en was de streek van Valkenswaard gekend voor zijn vangers.
De Valkerij van de graven van Brabant en Bourgondië rijkte een hoogte punte onder Maria van Bourgondie, en Keizer Karel.
In Frankrijk, onder Lodewijk de XIII, valkenier in hart en ziel, kende deze kunst zijn hoogtepunt; de Franse valkerij was de eerste in de wereld zowel in pracht van zijn équipages als in zijn technische kennis.
Stilaan gedurende de XVII en XVIII eeuw zal de valkerij verminderen en dit door de opkomst van de vuurwapens.
De fakkel zal echter terug opgenomen worden door enkele originelen en amateurs, waaronder enkele aristocraten, oude emigranten, die de liefde voor het vluchtbedrijf uit het buitenland hadden meegenomen het konden doorgeven.
In ons land zal de valkerij van 1911 tot 1927 bedreven worden door de burggraven le Hardÿ de Beaulieu.
De heropleving van de valkerij in België op het einde van de jaren 30 is te danken aan Charles Kruyfhooft uit Turnhout, die omringd door een paar vrienden, de traditie van de vlucht op kraaien terug opneemt.
Een Belgische vereniging voor valkerij, de club Maria van Bourgondië wordt opgericht in 1966. Enkele amateurs herontdekken en populariseren de technieken van het vluchtbedrijf en proberen deze jacht wettelijk te laten erkennen.