Veiligheidsreglement

Uit: Website NELOS

Het Duikonderricht maakt een onderscheid tussen duikscholen, autonome instructeurs en duikclubs (niet verwarren met de administratieve benaming "Nelos-clubs" waarmede men de leden van Nelos bedoelt).

INLEIDING

Het reglement is gericht op de praktijk van het duiken en is een samenbundeling van regels en bepalingen uitgevaardigd door de Commissie Duikonderricht Nelos.

HOOFDSTUK 1 - BEGRIPPEN EN ALGEMENE BEPALINGEN


1.1.

Begrippen:

1.1.1.

Onder DUIK wordt verstaan elke duikaktiviteit die georganiseerd wordt door de Nelos, door bij de Nelos aangesloten club(s) of door leden.

1.1.2.

Onder LID of LEDEN wordt verstaan lid of leden aangesloten bij de Nelos via clubs of rechtstreeks aangesloten bij Nelos.

1.1.3.

Onder ALGEMENE DUIKVERANTWOORDELIJKE en DUIKLEIDER wordt verstaan de personen die hetzij door Nelos, hetzij door één of meerdere bij de Nelos aangesloten clubs, hetzij door leden, aangewezen zijn om respektievelijk de algemene organisatie van een duik waar te nemen en een duik te leiden.

1.1.4.

Onder DEELNEMER wordt verstaan de sportduiker die deelneemt aan een duik.

1.1.5.

Onder HEKKENSLUITER wordt verstaan de tweede verantwoordelijke van de ploeg.


1.2.


Algemene Bepalingen:

1.2.1.

Het Veiligheidsreglement moet steeds gerespecteerd worden; wanneer plaatselijke reglementen strenger zijn dan het Veiligheidsreglement, zijn deze van toepassing.

1.2.2.

Elk lid is tijdens een duik verplicht alles te doen wat de veiligheid van de sportduiker(s) in gegeven omstandigheden vereist. Elk lid is verplicht datgene achterwege te laten wat de veiligheid van de sportduiker(s) in gevaar kan brengen.

1.2.3.

In gevallen waar het Veiligheidsreglement niet in voorziet, moeten de aanwijzigingen van de duikleider worden opgevolgd.

1.2.4.

Het sportduiken geschiedt geheel voor eigen risico van de sportduiker. De Nelos-beheerders, de instructeurs en duikleiders zijn nimmer aansprakelijk voor de gevolgen die uit het sportduiken voortvloeien.

1.2.5.

De aangifte van een dodelijk ongeval dient onmiddellijk en zeker binnen de 48 uur rechtstreeks aan de verzekeraar gemeld te worden, evenals aan het Nelos-sekretariaat. Deze aangifte dient zo vlug mogelijk gevolgd te worden door een uitgebreid verslag over de omstandigheden van het ongeval, vergezeld van een medisch attest over de doodsoorzaak. Bij niet-dodelijke ongevallen zullen de ongevalsaangiften in het dubbel en vergezeld van een medisch attest, binnen de 15 dagen gezonden worden naar het Nelos-sekretariaat. (Bij elk lichamelijk letsel: een medisch attest afgeleverd binnen de 3 dagen volgend op het ongeval).

HOOFDSTUK 2 - DE UITRUSTING

2.1.

Algemeen:

2.1.1.

De uitrusting van de sportduiker dient aangepast te zijn aan de voorgenomen duik, rekening houdende met de plaatselijke en klimatologische omstandigheden.

2.1.2.

De uitrustingstukken dienen aan de gestelde eisen te voldoen en in goede staat te verkeren. Met "gestelde eisen" wordt enerzijds bedoeld de door de overheid gestelde eisen en anderzijds de door het Nelos-duikonderricht gestelde eisen.

2.1.3.

De uitrustingstukken dienen op elkaar te zijn afgestemd en mogen elkaars werking niet belemmeren.


2.2.


Ademlucht duikapparatuur:

2.2.1.

De volledige ademlucht duikapparatuur moet onmiddellijk, ook door een andere duiker, op de tast afgeworpen kunnen worden, nadat zonodig de loodballast is afgeworpen en eventueel de inflatorslang, welke door middel van een snelkoppeling aan het vest verbonden is, is afgekoppeld.

2.2.2.

Ademlucht duikapparatuur dient voorzien te zijn van een trekstang reserveluchtinrichting, tenzij de ontspanner voorzien is van een door de duiker afleesbare onderwater manometer.


2.3.


Uitrustingstukken:

2.3.1.

Verplichte uitrustingstukken voor de duikleider en de duiker:

a. basisuitrusting: deze bestaat uit: snorkel - duikbril - zwemvinnen - loodballast (naar behoeven);

b. ademlucht duikapparatuur;
c. duikmes;
d. voor diepe en extreme duiken vanaf 31m:
    -manometer;
    -trim/reddingsvest (flesje en/of inflator)ook verplicht bij duiken met droogpak zonder eigen drijfvermogen en wrakduiken;
e. vanaf 58m: één uur autonome zuurstof per duiker;
f. bij nachtduiken: kompas en duiklamp;
g. bij ijsduiken: zie punt 5.3;
h. bij wrakduiken: duiklamp en trim- of reddingsvest;
i. bij Noordzeeduiken: zie punt 5.2.

2.3.2.

Verplichte bijkomende uitrustingstukken voor de duikleider:
a. dieptemeter en uurwerk of gecombineerd toestel: deco-computer;
b. kompas;
c. trim- of reddingsvest (flesje en/of inflator);
d. duiktabellen;
e. OSB.

2.3.3.

Aanbevolen bijkomende uitrustingstukken voor de duiker:
a. OSB voor elke duiker.
b.De buddy-line is aanbevolen in waters met beperkte zichtbaarheid en/of stroming. Ze is verplicht bij duiken onder het ijs. Hierbij moet duidelijk zijn dat nooit meer dan twee duikers onderling met elkaar mogen verbonden worden.
c.Indien een droog pak met eigen drijfvermogen wordt gebruikt, is het reddingsvest niet verplicht maar wel aanbevolen voor diepe duiken.
d.De duiklamp is bij beperkte zichtbaarheid verplicht per ploeg en aanbevolen voor elke duiker. Bij nachtduiken is ze verplicht per duiker.
e. Het kompas is aangeraden voor elke duiker en verplicht bij nachtduiken.

2.3.4.

Gebruik van de Oppervlakte Signalisatie Boei (OSB):

Voor duiken in open milieu (zee, meer, rivier, Oosterschelde of andere plaats waar stroming, aanzienlijke golfslag of scheepvaart kunnen verwacht worden) en decompressieduiken, moet de duikleider de OSB bij zich hebben (aanbevolen voor alle duikers). Hij dient ze te gebruiken in volgende situaties:

- wanneer plaatselijke reglementen het opleggen;
- op vraag van de schipper;
- op eigen initiatief, wanneer:
    -de scheepvaart een concreet en rechtstreeks gevaar inhoudt;
    -de stroming de duikploeg te ver zou afdrijven;
    -de duikleider vermoedt dat de boot hem omwille van golfslag, deining of andere omstandigheden die het zicht beperken, niet kan waarnemen;
    -hij het nodig acht (o.a. verliesprocedure).

2.3.5.

Indien een tweede ademautomaat gedragen wordt, laat men de overeenkomende kraan openstaan.

HOOFDSTUK 3 - HET DUIKEN

3.1.

Taken:
Een duikevenement wordt op twee niveaus voorbereid en geleid, namelijk:
1e niveau: de algemene organisatie;
2e niveau: de duikleider (ploegleider).
De algemene organisatie staat onder de verantwoordelijkheid van één persoon: de algemene duikverantwoordelijke.

3.1.1.

Taken van de algemene duikverantwoordelijke:
- Hij bepaalt datum en tijdstip van de duik en de duikplaats in functie van de ervaring van de deelnemende duikers, hun aantal, het beschikbaar kader en het doel van de duik (bv. exploratie, foto & film, proeven...)
- Hij bezit de lijst van de deelnemers en is op de hoogte van ieders brevet, ervaring, medische goedkeuring, administratieve verplichtingen, individuele wensen, successieve duiken.
- Hij deelt de ploegen in en duidt de ploegleiders, hekkensluiters en hulphekkensluiters aan.
- Hij zorgt voor (of hij duidt personen aan, verantwoordelijk voor) het collectief materieel en voorzieningen:
- vervoerbare compressor;
- adres vulstation - vullen der flessen;
- vervoer en te water laten van de boot;
- reservematerieel;
- veiligheidsmaterieel;
- charteren van het schip.
- Hij treft de veiligheidsmaatregelen zoals:

- telefoon ziekenwagen of helicopter;
- adres en telefoon van het dichtsbijgelegen ziekenhuis en reanimatiecentrum;
- meerplaatsherdrukkamer ;
- dokter;
- E.H.B.O. - zuurstoffles - geneesmiddelen;
- veiligheidsboot;
- verwittigen havenkapitein of verantwoordelijke aan land.

- Bij zeeduiken zorgt hij dat de boot volledig uitgerust is.
Hij is op de hoogte van navigatie, getijden, stromingen en meteo (windrichting en -sterkte).
- Hij duidt de plaatsen van de ploegen op de boot aan.
- Hij bepaalt de individuele taken van de ploegen op de boot (A-vlag - ladder - uitkijk).
- Hij maakt met de schipper afspraken over het te water gaan en de recuperatie van de duikers.

In een algemene briefing voor alle duikers wordt dit alles nog eens besproken, samen met de timing van het duikgebeuren. De duikplaats wordt uitvoerig beschreven en er worden specifieke richtlijnen gegeven (bv. bij een wrakduik: duiken binnen de veiligheidscurve - afdalen en opstijgen langs het touw van de markeringsboei). Na dit voorbereidend werk komt de verantwoordelijkheid voor de eigenlijke duik te liggen op de schouders van de ploegleiders/duikleiders: tweede niveau.

Nota:
- Natuurlijk voert de ploegleider ook de taak uit van algemeen verantwoordelijke indien er maar één ploeg duikt.
- De algemene verantwoordelijke checkt na de duik al de ploegen af.
- Hij ziet toe op de naleving van het Veiligheidsreglement.
- Hij kan personen verbieden te duiken.
- Hij heeft het recht het gebruik van uitrustingstukken, die naar zijn mening de veiligheid tijdens de duik in gevaar brengen, te verbieden.
- Hij is verplicht bij een duikongeval tijdens het duikevenement, onmiddellijk een reddingsactie te starten en te coördineren en aansluitend de ongevalsformulieren in te vullen en op te sturen.

3.1.2.

Taken van de ploegleider of duikleider:
- Hij verzamelt de leden van de ploeg en stelt hen aan elkaar voor.
- Hij geeft een korte herhaling van de gegevens over de duikplaats, doel, timing van de duik, duiktijd, diepte, kompasrichting.
- Hij brengt de ploeg op de aangeduide plaats op de boot en zorgt dat het materieel (op voorhand gecontroleerd) opgeborgen wordt.
- Hij zorgt dat de taak van de ploeg op de boot uitgevoerd wordt.
- Hij geeft de briefing die de eigenlijke duik voorafgaat.
- Hij zorgt ervoor dat zijn duikers na de duik hun plaats op de boot terug innemen en hun materieel ordelijk wegbergen.
- Hij meldt zich af bij de algemene duikverantwoordelijke.
- Hij geeft zijn debriefing.

3.1.3.

Taken van de hekkensluiter:
- Hij is tweede verantwoordelijke van de ploeg en helpt als dusdanig de leider vóór, gedurende en na de duik.
- Hij houdt de ploeg gegroepeerd.
- Hij controleert de uitrusting van de mededuikers; hij gaat als laatste te water en komt er als eerste uit.
- Hij neemt de rol van de duikleider over indien, om een of andere reden, de duikleider van de groep gescheiden wordt.


3.2.


Wie duikt met wie?  
In principe moet er gestreefd worden naar een ploegsamenstelling waarbij de minst gebrevetteerde duikt met de hoogst gebrevetteerde of met de houder van de hoogste instructeurstitel. Het streefdoel is dus dat een 1*duiker minstens met een 4*duiker, en een 2*duiker minstens met een 3*duiker duikt.

Nochtans mag een 3*duiker met een 1*duiker duiken, maar de 3*duiker mag enkel maar duikleider zijn van een duikploeg waarin maximaal één 1*duiker aanwezig is en waarbij deze 1*duiker ten minste 15 duiken uitgevoerd heeft. De diepte blijft uiteraard beperkt tot 20 m.

Uitzonderlijk mag een 2*duiker met een ander 2*duiker duiken, indien dit wordt toegestaan door een instructeur die ter plekke is en de bekwaamheid van betrokken duikers kan evalueren. Twee 1*duikers mogen nooit samen duiken, evenmin een 1*duiker met een 2*duiker.


3.3.


De deelnemers:

3.3.1.

De deelnemers volgen de instructies van de duikleider op.

3.3.2.

Iedere deelnemer gaat, na aankomst op de duikplaats, na wie de duikleider is.

3.3.3.

Iedere deelnemer overtuigt zich ervan dat de duikleider op de hoogte is van zijn aanwezigheid vóór en na de duik.

3.3.4.

Elke deelnemer heeft het volgende bij zich:
- alle verplichte uitrustingstukken;
- de noodzakelijke bijzondere uitrustingstukken;
- het duikboek met medische goedkeuring, geldig lidmaatschapsbewijs, en gehomologeerde Nelos-Befos brevetten en/of titels;
- het logboek.
De deelnemer toont het bovenstaande op verzoek van de algemene duikverantwoordelijke en/of de duikleider.


3.4.


De duik:

3.4.1.

De duik moet aangepast worden aan de vaardigheden van de minst ervaren duiker.
Een 1*duiker mag na 5 duiken op maximum15 m te hebben uitgevoerd, duiken tot max. 20 m.
Een duiker die mits toelating van een geneesheer van de Medische Commissie zijn 1*duikbrevet heeft behaald vóór 14-jarige leeftijd, mag niet dieper duiken dan 15 meter tot wanneer hij de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt.

3.4.2.

Binnen de ploeg is de duik gebaseerd op het buddy-systeem van de CMAS:
- Een duikploeg bestaat minstens uit 2 leden. Een van beiden is ploegleider.
- In een ploeg van 2 duikers is elke duiker verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn mededuiker en neemt zijn verantwoordlijkheid op in geval van nood.
- Bij goede zichtbaarheid mag het aantal ploegleden uitgebreid worden, rekening houdend met de controlemogelijkheden van de duikleider. In dit geval wordt aanbevolen dat iedere duiker een mededuiker als partner toegewezen krijgt, zodat ze beiden als een zelfstandig onderdeel van de grote groep fungeren.

Nota 1:
Op de duikplaatsen, zoals bepaalde steengroeven, waar het aan de kant brengen van een geaccidenteerd duiker door één mededuiker moeilijk is, wordt er aangeraden met 3 te duiken (of eventueel een niet-duiker aan de kant te hebben).

Nota 2:
Het buddy-systeem doet niets af van de taken van de hekkensluiter.

Verliesprocedure:


Als een duiker (of enkele duikers) de groep kwijtraakt (kwijtraken), volgen   zowel de verloren duiker(s) als de duikleider dezelfde standaardprocedure:
-enkele meters stijgen en zich om zijn lengteas 360° draaien en tegelijkertijd goed rondkijken (ook boven en onder zich kijken);
-dit mag niet langer dan 30 sec. in beslag nemen;
-bij een negatief resultaat stijgt men naar de oppervlakte aan de voorgeschreven stijgsnelheid.
Duik binnen de veiligheidscurve:
-opstijgen tot aan de oppervlakte volgens de standaardprocedure;
-oppervlakteveiligheid verwittigen;
-deelnemen aan de zoekactie;
-de omstandigheden (o.a. gebaseerd op de aanduidingen van alle instrumenten) bepalen of de duik al dan niet kan voortgezet worden.
Duik buiten de veiligheidscurve:
-opstijgen volgens de standaardprocedure tot aan de eerste trapdiepte;
-de duikleider stijgt tot aan de oppervlakte. De rest van de ploeg blijft op trapdiepte of stijgt, zulks volgens de specifieke instructie van de duikleider (naargelang de omstandigheden, stroming, zichtbaarheid, ervaring mededuikers, trappenprofiel, enz.);
-de duikleider verwittigt de oppervlakteveiligheid of start zelf een zoekactie, indien de oppervlakteveiligheid niet kan verwittigd worden;
-de rest van de ploeg laat onmiddellijk een OSB op en maakt de nodige trappen onder leiding van de hekkensluiter. De ploeg tracht in de buurt van de duikleider te blijven;
-in functie van de omstandigheden past de duikleider de uitzonderingsregel in verband met het niet-uitvoeren van de trappen toe of hij begeeft zich naar de dichtsbijzijnde recompressiekamer.


3.4.3.


Decompressie moet uitgevoerd worden volgens de door de Nelos aanvaarde tabellen, met eventuele toepassing van de uitzonderingsregels en rekening houdend met de bezwarende faktoren. De deco-computer mag gebruikt worden om te decompresseren op voor waarde dat de richtlijnen van de fabrikant strikt gerespekteerd kunnen worden. Deco-computers mogen slechts door één en dezelfde duiker gebruikt worden. Het gebruikte programma of model moet gelijk of veiliger zijn dan de door de Nelos aanvaarde tabellen. Dit blijkt onder meer uit de nultijden en de duur van de decostops. Indien in een ploeg, door verschillende decocomputers verschillende decompressiediepten en -tijden aangegeven worden, baseert de duikleider zich op de meest strenge decompressiewijze. Indien in een ploeg gemengd gedecompresseerd wordt met computer en tabellen, baseert de duikleider zich op de meest strenge decompressiewijze.

3.4.4.

Bij elke duik wordt ten zeerste aanbevolen over zuurstof te beschikken.

3.4.5.

Na een diepe duik of decompressieduik is slechts één successieve duik toegelaten; deze tweede duik mag eveneens een diepe duik of decompressieduik zijn. Indien men meer dan één successieve duik wenst te maken, moeten alle duiken niet-decompressieduiken zijn, en is de maximale diepte 30 meter.

1. Recreatieve duiken: 0 m tot 30 m
Aantal successieve duiken is ongelimiteerd indien alle duiken niet-decompressieduiken zijn.
2. Diepe duiken: 31 m tot 57 m
Eén successieve duik toegestaan. Een tweede successieve duik (derde duik) is verboden, ook niet tot 15 meter, zoals in de oude reglementering wél werd toegestaan.
3. Extreme duiken: dieper dan 57 m
Geen successieve duiken.

Bijkomende regels

- Uiteraard is deze reglementering waar ook ter wereld van toepassing.
- Overschakelen tussen de drie duiksystemen is mogelijk met een tussentijd van 12 uur.
- Indien de tweede duik onverwacht een decompressieduik wordt, of men valt onverwacht dieper dan 30 meter, dan is een tweede successieve duik verboden, en dient er 12 uur gewacht te worden alvorens opnieuw te duiken.
- Indien de tweede (of derde, of vierde,…) successieve duik onverwacht een decompressieduik wordt, of men valt onverwacht dieper dan 30 meter, dan is er sprake van een incident. De duik dient bijgevolg onmiddellijk veilig beëindigd te worden (met uitvoeren van eventuele deco-stops). Volgende successieve duiken zijn dan uiteraard verboden.
- Aan de overige gebruiksregels van de NELOS'94-tabellen verandert er niets.

Successieve duiken en de deco-computer



Deze reglementering is natuurlijk ook van toepassing op het duiken met deco-computer, ze is er zelfs zeer geschikt voor. Een duidelijke definitie van het begrip "decompressieduik" dringt zich dan ook op:
indien er tijdens het beëindigen van de duik vanaf een diepte van 12 meter of ondieper deco-stops op het scherm van de deco-computer worden weergegeven, spreekt men van een decompressieduik.
Tijdens het beëindigen van de duik dient de duikleider er zich op 12 meter diepte van te vergewissen of er op dat moment deco-stops door de gebruikte deco-computers worden weergegeven. Indien dit het geval is, wordt de duik immers beschouwd als een decompressieduik.

Aanbevelingen

Het ongelimiteerd maken van herhalingsduiken dient steeds met gezond verstand te gebeuren. Naast bovenstaande verplichte richtlijnen volgen hier een drietal aanbevelingen:

1. Het is aangeraden tijdens de herhalingsduik naar een minder grote diepte dan tijdens de eerste duik af te dalen.
2. Het is aangeraden een dag rust te nemen na 5 dagen van intensief duiken.
3. Het is aanbevolen om de tijden tussen opeenvolgende duiken zo groot mogelijk te houden.

Vergeet immers niet dat het risico op decompressieziekte toeneemt met het aantal successieve duiken en met het aantal dagen dat men na elkaar duikt, ook al respecteert men strikt de tabellen of deco-computer.

3.4.6.

Behalve uitzonderlijke omstandigheden, zoals noodsituatie, is het verboden in steengroeven dieper dan -40 meter te duiken (stress - koude - donker: verzwarende factoren).

3.4.7.

Oosterschelde en Noordzee
Alhoewel het niet verboden is dieper dan -40 meter te duiken, wordt het afgeraden wegens de duisternis en de stroming, waarbij de noodzakelijke trappen eventueel niet goed kunnen uitgevoerd worden.

3.4.8.

Een zeegang van meer dan 4 op de duikplaats zelf verbiedt het duiken.

HOOFDSTUK 4 - ALGEMEEN REGLEMENT DUIKDIEPTE

4.1.

Doelstellingen:
bij het invoeren van:
Dieptekwalificatie voor 1*D, 2*D en 3*D;
Reglement Diep Duiken.
-Vermijden dat pas gebrevetteerden onmiddellijk naar grote diepten duiken.
-De duiker bewust maken van het feit dat dieper duiken wat meer inhoudt dan zich laten zakken.
-Een mentaliteitswijziging bekomen waardoor de drang naar de diepte zal verdwijnen.
-De nodige veiligheidsmaatregelen inbouwen zodat diep duiken veiliger wordt.


4.2.


Algemene opmerkingen

4.2.1.

Het wijze principe "Plan your dive and dive your plan" (plan je duik en duik volgens plan) moet onze leidraad zijn.

4.2.2.

De inspanningen die de Commissie Biologie, de OWT-Commissie en de Commissie Foto, Film en Video zich getroosten om ieder in hun belangstellingssfeeer de duikers te interesseren voor andere zaken dan enkel diep duiken, kunnen veel bijdragen tot de gewenste mentaliteitswijziging.

4.2.3.

Vermits duiken dieper dan 30 m als diepe en dus gevaarlijker duiken beschouwd worden, moet de instructeur speciale aandacht besteden aan de duiker die voor de eerste maal een grotere diepte zal bereiken. Dit is voor hem/haar een nieuwe situatie, waar hij/zij psychologisch op voorbereid moet worden in een volledige en uitgebreide briefing.Een mogelijkheid is ook deze duik te doen met "buddy-line".

4.2.4.

Op kandidaten die niet veel zin vertonen om diep te duiken of proeven af te leggen, mag geen morele druk uitgeoefend worden. Zij moeten voo zichzelf uitmaken of zij het willen en/of aankunnen. Daardoor wordt hun eigen verantwoordelijkheidszin aangescherpt.


4.3.


Reglement dieptekwalificatie
15 m De eerste 5 duiken zijn beperkt tot 15 m.
20 m Vanaf de 6de duik mag men naar max. 20 meter duiken. De 1*D blijft beperkt tot deze diepte.
25 m Als de duiker minstens 5 duiken op 20 meter gedaan heeft, mag hij/zij tot 25 meter duiken. De instructeur tekent, na controle van het logboekje, het dieptekwalificatievignet af ter hoogte van 25 m (+stempel, +datum).
30 m Als de duiker minstens 5 duiken op 25 meter gedaan heeft, tekent de instructeur tegenover het vakje van 30 meter en is het de duiker toegestaan te duiken tot 30 meter.
Dieper dan 30 m Na 10 duiken op 30 meter mag de duiker - mits in achtname van het Veiligheidsreglement en de Reglementering Diep Duiken - dieper dan 30 meter duiken.
Een afwijking van 10% voor een bepaalde diepte is toegestaan.
Indien het niet mogelijk is gedurende een periode het dieptekwalificatie-vignet van de kandidaat af te tekenen (omdat hij bv. met vakantie is in het buitenland), mag de kandidaat naar een eerstvolgende diepte overgaan indien hij de vereiste minimumduiken op de vorige diepte gedaan heeft. Nadien zal de duikschoolleider dit controleren en het vignet aftekenen.


4.4.


Reglement diep duiken
Volgens de diepte zijn er drie categorieën van duiken:

4.4.1.

Recreatieve duiken: 0 m tot 30 m
- Geen wijziging van de bestaande toestand.
- Reserve: 50 bar.

4.4.2.

Diepe duiken: 31m tot 57 m
- Grondige controle van de dieptekwalificatie.
- Uitgebreide briefing met gedetailleerd duikprofiel.
- Verplichte uitrustingstukken: manometer - reddingsvest.
- Reserve: 75 bar.

4.4.3.

Extreme duiken: dieper dan 57 m
Deze duiken worden niet gepropageerd door het Duikonderricht.
- Grondige controle van de dieptekwalificatie.
- Uitgebreide briefing met gedetailleerd duikprofiel.
- Verplichte uitrustingstukken: manometer - reddingsvest.
- Reserve: 100 bar.
- Iedere duiker moet van zuurstof kunnen voorzien worden (1 uur per duiker).
- Een bemande meerplaatsherdrukkamer binnen 3 uur bereikbaar.


4.5.


Steengroeven, Oosterschelde en Noordzee

4.5.1.

Steengroeven
Behalve in uitzonderlijke omstandigheden is het verboden dieper dan 40 m te duiken (stress - koude - donkerte: verzwarende factoren).

4.5.2.

Oosterschelde en Noordzee
Alhoewel het niet verboden is dieper dan 40 m te duiken, wordt het afgeraden wegens de donkerte en de stroming (waardoor de noodzakelijke trappen eventueel niet goed uitgevoerd kunnen worden).

HOOFDSTUK 5 - BIJZONDERE DUIKEN

5.1.

Nachtduiken
Onder nachtduiken wordt verstaan het duiken tussen een half uur na zonsondergang en een half uur vóór zonsopgang.

5.1.1.

De algemene organisatie met alle veiligheidsmaatregelen moet zorgvuldig toegepast worden.

5.1.2.

Iedere duiker moet tenminste een goed werkende duiklamp en een kompas bij zich hebben.

5.1.3.

Bij het nachtduiken vanaf een vaartuig moet de verlichting gevoerd worden, die in het ter plaatse geldende scheepvaartreglement is voorgeschreven.

5.1.4.

De duik wordt beëindigd wanneer één lamp uitvalt in een groep van twee duikers.

5.1.5.

Proeven zijn streng verboden.


5.2.


Duiken in de Noordzee
Noordzeereglement

5.2.1.

De duikorganisatie en duikindeling moeten gebeuren volgens de NELOS-normen.

5.2.2.

De duiker moet minstens in het bezit zijn van een 2*duikbrevet, zonder dieptebeperking, in geval van een bootduik.

5.2.3.

De algemene duikverantwoordelijke moet een ervaren duiker zijn met praktijk in getijdenwaters met beperkt zicht en wrakduiken. Bovendien moet hij minstens 60 zeeduiken gedaan hebben in getijdenwaters met beperkt zicht (Oosterschelde voor 75% aanvaard als zeeduiken), waarvan minstens 15 van een vaartuig.

5.2.4.

De duikleider moet ervaring hebben van duiken in getijdenwaters met beperkt zicht. Hij moet minstens 30 zeeduiken gedaan hebben (Oosterschelde aanzien als zeeduiken).

5.2.5.

Aan boord wordt er aan de beginnelingen in het wrakduiken een uitgebreide briefing over de specifieke aspecten van het wrakduiken gegeven. Deze dient strikt nageleefd te worden.

5.2.6.

De zeegang mag maximaal 4 bedragen (golven van ongeveer 2 meter).

5.2.7.

Bij een vaartuig dat niet ankert dient afgedaald te worden langs een daallijn. Bij een vaartuig dat ankert mag afgedaald worden langs de ankerlijn.

5.2.8.

Het is verplicht te duiken met de minste stroming dus rekening houdend met de getijdencurve.

5.2.9.

Het dragen van een reddings- of trimvest, lamp en duikmes is verplicht. Iedere duiker moet tevens voorzien zijn van een OSB. Naast het verplichte duikmes, moet een apart bevrijdingssysteem voorhanden zijn om zich te kunnen ontdoen van netten, nylon-visdraden,…enz.. Dit 2de systeem moet op een andere plaats gedragen worden dan het klassieke duikmes.

5.2.10.

Er wordt gedoken binnen de veiligheidscurve, tenzij een veiligheidslijn verbonden wordt aan de ankerlijn (dus niet aan de daallijn). Bij een vaartuig dat niet ankert dient dus steeds binnen de veiligheidscurve gedoken te worden.

5.2.11.

De oppervlakteveiligheid dient gewaarborgd te worden. Dit houdt in:
- een constante uitkijk;
- geankerde vaartuigen moeten onmiddellijk kunnen ingrijpen;
- vanaf 6 duikploegen in het water dient een bijboot operationeel te zijn.


5.3.


Ijsduiken
Reglement

5.3.1.

Alle duikers moeten minstens een 2*duikbrevet bezitten. Elke duiker moet bovendien reeds 50 duiken gedaan hebben. De ploegleider moet ervaring hebben wat betreft ijsduiken. Hij moet als duikleider de duikplaats goed kennen (5 duikleidingen op die plaats gedaan hebben). Elke ploeg moet bestaan uit duikers die onderling verbonden zijn door middel van een lijn. Materieel om het ijs te breken moet ter plaatse beschikbaar zijn.

5.3.2.

Alle duikers moeten gewoon zijn te duiken in koud water en onlangs nog gedoken hebben.

5.3.3.

De duik moet gebeuren binnen de veiligheidscurve. In geen geval mag de duik langer duren dan 30 minuten (Zie cursus Tabellen: duiken bij koude, pag. 13).

5.3.4.

Elke duiker is uitgerust met twee gescheiden gemonteerde ontspanners, een isothermisch pak, neopreen botjes en handschoenen, een mes, een kompas en een lamp.

5.3.5.

Een volledige en aangepaste briefing wordt aan de duikers gegeven en deze moet strikt nageleefd worden. Hierin moeten de procedures herinnerd worden in geval van:
- bevriezen van de ontspanner;
- verliezen van de mededuiker.
Bij bevriezing van een ontspanner wordt onmiddellijk de duik beëindigd.
Hetzelfde geldt wanneer één der duikers de eerste tekens van koude vertoont.

5.3.6.

Worden streng verboden:
- proeven voor het behalen van een brevet;
- nachtduiken.

5.3.7.

De organisatie en de samenstelling der ploegen moeten gebeuren met strikte inachtname van dit veiligheidsreglement.

5.3.8.

Het verlaten van het water moet mogelijk zijn:
- ofwel langs een ladder;
- ofwel langs de natuurlijke helling die de bodem van de plaats biedt.

5.3.9.

De veiligheid aan de oppervlakte moet verzekerd worden door een ploeg duikers in volledige uitrusting, bekwaam om onder het ijs hulp te bieden.
Veiligheidsmaatregel:
Elke ploeg wordt vóór het vertrek vastgemaakt met een vlottende lijn van maximum 50 meter lengte. De veiligheid bovenwater moet het afwinden en opwinden van deze lijn verzekeren. De code voor communicatie per koord moet gekend zijn en toegepast worden door iedere duiker: zie Nelos cursus Duiksport.


5.4.


Duiken vanaf een vaartuig

5.4.1.

De algemene duikverantwoordelijke organiseert de duik met alle mogelijke veiligheidsmaatregelen en verzekert de coördinatie enerzijds tussen de duikleiders onderling en anderzijds tussen de duikleiders en de schipper. Hij voorziet tevens in de oppervlakteveiligheid.

5.4.2.

Elke duikleider is betrokken bij en medeverantwoordelijk voor zijn ploeg, de boot, de coördinatie tussen de ploegen, het geheel van het materieel, de hulpverlening aan elke persoon in moeilijkheden, het goede verloop van de duik.

5.4.3.

In ieder geval moet de boot, ongeacht de grootte, zeewaardig en volledig uitgerust zijn volgens de internationale normen.

5.4.4.

Een zeegang van meer dan 4 op de duikplaats zelf, verbiedt het duiken.

5.4.5.

Voor duiken in zeeën met getijden, zoals de Noordzee, moet er voor de organisatie rekening gehouden worden met het getij en de stroming.

5.4.6.

De algemene duikverantwoordelijke of de duikleider zorgt ervoor dat zonder zijn medeweten de scheepsschroef niet zal draaien en het vaartuig niet verlegd zal worden.

5.4.7.

De algemene duikverantwoordelijke of de duikleider moet ervoor zorgen dat de A-vlag of duikvlag gehesen is bij het te water gaan in vaarwater. Met de duikvlag wordt bedoeld de internationale seinvlag "A".De betekenis van deze vlag is letterlijk : "Ik heb een duiker beneden, houdt goed vrij van mij en vaar langzaam".

5.4.8.

Als een duiker niet zonder meer uit het water aan boord kan klimmen, moet er tenminste één deugdelijke ladder aangebracht worden.


5.5.


Grotduiken vanuit open water
Hieronder wordt verstaan het duiken in grotten op een dusdanige wijze, dat de uitgang altijd zichtbaar is en men ruime bewegingsvrijheid heeft.
Het duiken in onderwaterhuizen wordt ook beschouwd als grotduiken vanuit open water. (Alle andere soorten grotduiken moeten beschouwd worden als speleoduiken). Zulke duiken vergen geen speciale maatregelen, maar er wordt aangeraden dat iedere duiker in het bezit is van een duiklamp.

HOOFDSTUK 6 - OPENWATERPROEVEN MET ALS DOEL DUIKBREVETTEN TE BEHALEN

Proeven moeten gedaan worden volgens de protocols en richtlijnen opgesteld door het Duikonderricht Nelos (zie verder).

HOOFDSTUK 7 - MATERIEELEISEN

7.1.

De loodgordel moet voorzien zijn van een veiligheidsgesp. Hierdoor kan de gordel, ook door een ander duiker, met één hand en op de tast afgeworpen worden. Dit afwerpen mag door geen andere uitrustingstukken gehinderd worden.

7.2.

Persluchtapparatuur: persluchtfles(sen) moet(en) voldoen aan het "Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming (ARAB)" (Zie cursus Nelos Materieel pag. 20).

7.3.

De inflator is gemonteerd op een middendruk-uitgang van de eerste trap van de ontspanner. Het loskoppelen van het trim-reddingsvest en/of het droogpak dient ook met gehandschoende handen mogelijk te zijn.

7.4.

Het trim- reddingsvest: zie cursus Nelos Duiksport - Duikmaterieel.