Overzicht brevettenTheoretisch examen

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Het Duikonderricht wenst het theoretisch duikonderricht in ons landsgedeelte te uniformiseren en tegelijkertijd zekere excessen in de examens te vermijden.

Daarom werd een bepaling en breedte en in diepte gegeven van de leerstof en dit voor de vier verschillende duikbrevetten; d.w.z.

• breedte: wat moet gekend zijn

• diepte: hoe ver en hoe goed het moet gekend zijn

Concreet komt het hierop neer dat de breedte bepaald wordt door het aantal onderwerpen dat aangegeven is; wat niet vermeld staat moet niet gekend zijn. De opsommingen zijn dus limitatief !

De diepte wordt bepaald door de termen die gebruikt zijn in de verschillende doelstellingen. Er zijn namelijk verschillende kennisniveaus:

  1. Wat moeten de leerlingen WETEN of wat moeten ze simpelweg kunnen herhalen, zich herinneren ?
  2. Wat moeten ze inzien, begrijpen of wat moeten ze aanvoelen, doorzien, interpreteren ?
    In de tekst wordt hiernaar gerefereerd door: KENNEN, KENNIS HEBBEN VAN ...
  3. Wat moeten ze TOEPASSEN, KUNNEN, als ze erom gevraagd worden of wat moeten ze spontaan kunnen gebruiken in nieuwe situaties.
  4. Wat moeten ze GEINTEGREERD, tot een echt stuk van zichzelf gemaakt hebben, spontaan ongevraagd kunnen toepassen ?

Omdat natuurlijk nooit alles tot in de kleinste details kan uitgeschreven of voorgeschreven worden, moeten wij steeds een beroep blijven doen op het "gezond verstand" van de instructeurs en lesgevers; nochtans kunnen wij samenvattend toch het volgende vooropstellen:

HET GAAT HIER STEEDS OM EEN MINIMUM NIVEAU VAN KENNIS
EN EEN MAXIMUM NIVEAU VAN EXAMINATIE.

De examenvragen mogen dus nooit verder gaan dan, wat beschreven werd (noch in de breedte, noch in de diepte), maar de lessen ter voorbereiding van het examen worden vrij gelaten, met dien verstande dat zij uiteraard minimaal dit maximumniveau moeten halen.

Het spreekt dus vanzelf dat men in de lessen ter voorbereiding verder mag gaan dan voorgeschreven.