Overzicht brevettenOpenwaterproeven

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

  1. De proeven aan de oppervlakte en in vrije duik gebeuren vóór de duik. Alle andere proeven verplicht heel in het begin van de duik.
    Deze verplichting geldt ook voor de proeven die geen terugkeer naar de oppervlakte noodzaken; het is inderdaad niet uitgesloten dat een kandidaat tijdes de uitvoering van een proef een noodstijging zou doen.
    Indien de diepte, die vereist is voor het uitvoeren van de proef, niet in de onmiddellijke nabijheid is (± 20 m) van het te water gaan, is het best om aan de oppervlakte of op kleine diepte naar die plaats te zwemmen en dan verticaal af te dalen naar de plaats waar de proef moet beginnen.
  2. Elke proef waarbij een slachtoffer moet bovengehaald worden, wordt voorafgegaan van een (schijn)beweging om het lood af te werpen (en, eventueel: openen van de reserve).
  3. Bij elke proef waarbij een slachtoffer moet bovengehaald worden, moet het mondstuk van het slachtoffer in de mond en het hoofd in hyperextensie gehouden worden.
  4. Voor alle proeven die een opstijging inhouden, slechts één enkele poging per duik.
  5. Voor alle proeven met bovenbrengen van een duiker in moeilijkheden, waarbij in open water moet gestopt worden, doet de instructeur de proef beëindigen op de voorgeschreven diepte.
    Opgelet:
    Wanneer de proef gedaan is en alvorens de kandidaat het slachtoffer loslaat, moet hij kijken of de reddingsvesten leeg zijn. Daarna kan iedere duiker zich nar believen uittrimmen.
    Na deze proef kan de duik verder gezet worden, rekening houdend met de voorschriften van de NELOS-94-tabellen.
  6. Sleepoefening.
    Het gebruik van een reddingsvest wordt aan de keuze van de kandidaat overgelaten. Alle efficiënte sleepmethoden zijn toegelaten, behalve deze "aan het materieel". De reanimatie bij de proeven voor 3*- en 4*duikers moet niet noodzakelijk onmiddellijk na het slepen gebeuren, wel zo snel mogelijk na de duik en in ieder geval dezelfde dag.
    Het kan om technische of atmosferische redenen mogelijk zijn dat de reanimatie niet onmiddellijk na het slepen gebeurt: bv. de tijd die nodig is om een geschikte plaats te vinden om de reanimatie te demonstreren, de "drenkeling" van zijn materieel te ontdoen (flessen en lood die in werkelijkheid al tijdens het slepen zouden afgegooid zijn), of bij vriesweer naar de vestiaire te gaan. In geen geval mag er een niet gemotiveerde tijd tussen de handelingen verloren gaan.
  7. Duiker in moeilijkheden bovenhalen.
    Deze proef wordt bij voorkeur met drie uitgevoerd. Alleen de redder mag zich uittrimmen.
  8. Leiden van een duik voor 3*- en 4*duikbrevet (C10 - D10)
    Het leiden van een duik houdt volgende regels in:Nota voor de instructeurs:
    De duik verloopt normaal, zonder simulatie van incidenten.
  9. Vrije duik naar 5 m, 7 m, 10 m
    Moet gedaan worden in open water, dus niet in diepe putten waarover sommige zwembaden beschikken.
  10. Toepassing regels van de NELOS-94-tabellen.
    1. Bij een deel van de openwaterproeven kan de stijgsnelheid te groot worden.
      Maar vermits bij bijna alle verticale stijg- en reddingsproeven de oppervlakte niet bereikt wordt, volstaat het de regel van "te snel stijgen" toe te passen.
      Dus: wachten, gedurende de tijd dat men aan 10 m/min. op die diepte zou geraakt zijn ("Allow the watches to catch up").
    2. Indien de kandidaat toch doorschiet naar de oppervlakte, moet men de regel van "blow up" toepassen.
      Dus: zo snel mogelijk, maar zeker binnen de 5 min. een trap van 5 min. op 3 m maken.
      (Vermits de proeven in het begin van de duik moeten gebeuren, zal een decompressietrap nog niet noodzakelijk zijn geweest).
      Dit alles betekent dan wel het einde van de duik en de observatie van de kandidaat van minstens één uur. Een successieve duik is verboden.
    3. Uitzondering:
      B3: stijgen zonder mondstuk van 10 m tot aan de oppervlakte.
      Vermits deze proef in het begin van de duik moet gebeuren en vermits deze proef als een imitatie fungeert om de werkelijke noodtoestanden zonder paniek op te lossen, wordt ze als een afzonderlijk pakket beschouwd, dat buiten de regels van de tabellen valt.
      De blow-up-regel moet dus niet toegepast te worden.
      Er kan verder gedoken worden en een successieve duik is mogelijk.
  11. Droge en constant-volume pakken.
    Droge en constant-volume pakken mogen gebruikt worden om proeven te doen, op voorwaarde dat ze deel uitmaken van de standaarduitrusting van de kandidaat en binnen de algemeen geldende veiligheidsnormen blijven.
    Op dit ogenblik zijn er hoofdzakelijk twee soorten droge pakken in de handel: deze in versterkte rubber en de neopreenpakken. Deze tweede soort is in feite gemaakt uit hetzelfde materieel als de gewone natte pakken, maar ze zijn voorzien van afsluitingen aan polsen en hals (wij duiken meestal niet met helm) en ook de ritssluitingen zijn waterdicht.
    Het grote voordeel van deze laatste soort is dat ze op zichzelf al een degelijke isolatie zijn (meestal 6 à 8 mm neopreen), zodat bij extreme koude relatief weinig kledij moet onderaan gedragen worden. Een ander voordeel is dat bij defect, bij binnendringend water - en zeker als er een lek ontstaat aan de bovenkant (bv. schouder) waardoor het pak volledig volloopt - het zijn vlotvermogen blijft behouden; het wordt dan een gewoon nat pak.
    Anders is het gesteld met de pakken in versterkte rubber. Hieronder moet wel degelijke warme kledij gedragen worden, het materiaal heeft praktisch geen isolerende werking en wanneer hier, zoals in eerder genoemd geval aan de schouder een lek ontstaat, loopt het pak vol water. Bij lucht inblazen ontsnapt deze onmiddellijk langs het lek en het pak heeft geen drijfvermogen, zelfs niet bij lood afwerpen.
    Hieruit volgt:

OVERZICHT VAN DE OPENWATERPROEVEN

  1. 1*DUIKER
  2. 2*DUIKER (B1 = theorie en B2 = zwembad)
  3. 3*DUIKER (C1 = theorie en C2 = zwembad)
  4. 4*DUIKER (D1 = theorie en D2 = zwembad)

BEPERKING PROEVEN OP EEN DAG

  1. Er mag slechts één proef per duik afgelegd worden bij alle proeven waarbij een opstijging te pas komt en/of waarbij een probleem zou kunnen ontstaan voor een successieve duik.
  2. Deze proeven mogen ook niet tijdens een successieve duik afgelegd worden.
  3. Het betreft de volgende proeven:
  4. Deze proeven moeten in het begin van de duik afgelegd, worden.

CUMULATIE VAN PROEVEN

  1. Zij mogen onderling gecumuleerd worden of met gelijk welke andere proef van het brevet met een maximum van twee proeven per duik. Men vermijde wel inspanningen (slepen, geëquipeerd snorkelen) na een duik te laten doen.
  2. Deze proeven mogen wel tijdens een successieve duik afgelegd worden, met een maximum van twee proeven per dag.
    De proeven vrijduik (B6, C6 en D6) mogen ook tijdens een successieve duik gedaan worden, op voorwaarde dat de tussentijd minimum 3 uur bedraagt.
  3. Het betreft volgende proeven:

VOORWAARDEN VOOR DEELNAME AAN OW-PROEVEN