De grootheid waarmee gemeten wordt hoe gemakkelijk het is om een lichaam te versnellen, noemen we zijn massa.
Massa heeft dus te maken met de hoeveelheid materie dat een lichaam bevat.
Symbool:m Eenheid:kg
1 Newton is de kracht die aan een massa van 1 kg na 1 seconde een snelheid van 1 m/s geeft of aan die massa een versnelling geeft van 1 m/s²
Symbool:F Eenheid:Newton (N)
Het gewicht van een lichaam is de kracht waarmee de aarde het lichaam aantrekt.
Vermits het gewicht een kracht is, wordt het gemeten in Newton.
Er is gemeten dat 1 kg een gewicht heeft van 9,8 N
Symbool:G Eenheid:N
Druk is een kracht uitgeoefend op een oppervlakte.
p=F/A
Symbool:p Eenheid:1 bar
=100.000 Pa
=100.000 N/m²
Een beetje kennis over de eenheden kan soms heel belangrijk zijn. Daarom krijg je hier wat meer uitleg over die eenheden waarmee je als duiker soms mee in aanraking komt.
Is de eenheid van massa. Massa is dan weer de grootheid waarmee wij meten hoe makkelijk je een lichaam kan versnellen. Een lichaam met een grotere massa is dus moeilijker te versnellen dan een lichaam met een kleine massa. Het spreekt voor zich dat een bol lood een grotere massa heeft dan een even grote bal gevuld met lucht.
Werd genoemd naar Newton een Engels geleerde. Dit is de eenheid van kracht. 1 newton is de kracht die aan een massa van 1 kg na 1 seconde een snelheid van 1 meter per seconde geeft. Wanneer we bij fysica spreken over de aantrekkingskracht van de aarde of anders gezegd het gewicht van een objekt, dan drukken wij dit steeds uit in newton en nooit in kg.
Regelmatig worden deze twee eenheden met elkaar verward. Immers wanneer je op een weegschaal gaat staan en je kijkt naar de naald, dan lees je eigenlijk af met welke kracht je de weegschaal naar beneden drukt. Dat gewicht drukken wij uit in kg maar eigenlijk zouden wij beter spreken van newton omdat het hier niet gaat om een massa maar over een kracht. Omdat wij overal op aarde praktisch dezelfde aantrekkingskracht kennen (valversnelling van 9,81 N/m2), heeft men kunnen berekenen dat een massa van 1 kg een gewicht heeft van 9,81 N. Voor de gemakkelijkheid wordt dit meestal afgerond naar 10 N. Wanneer ik dus 72 kg meet op de weegschaal (wishful thinking) dan heb ik eigenlijk een "gewicht" van + 720 N.
Een dm3 zuiver zoet water heeft een massa van 1,000 kg. We zeggen dan dat water een dichtheid heeft van 1,000 kg/dm3. Zout water heeft echter een zwaarder gewicht. De dichtheid van zout water bedraagt 1,025
Onder normale omstandigheden zijn stoffen zoals zuurstof, stikstof, CO2gasvormig. Ze zijn dus zodanig ijl dat het licht er gewoon doorheen kan. Maar omdat ze toch bestaan uit atomen en moleculen hebben ze ook een massa en een gewicht.
Het belangrijkste gas waarmee wij in contact komen is lucht.
Zuurstof O2 20,97%
Stikstof N2 79,00%
Koolstofdioxyde CO2 00,03%
Er zijn nog een aantal andere edelgassen in lucht aanwezig.
De massa van 1 liter lucht bij normale atmosferische druk en bij 0 °C is 1,29 g (afgerond:1,3 g)
klik hier voor een gedetailleerde samenstelling.
De luchtlaag ronde de aarde -de atmosfeer- is ongeveer 80 km dik. We kunnen de atmosfer beschouwen als een opeenstapeling van luchtlagen. Elke luchtlaag torst het gewicht van de hogere luchtlagen en de aarde draagt dus het gewicht van de volle luchtlaag.
De lucht oefent dus een druk uit op het oppervlak.
Deze druk -deATMOSFERISCHE DRUK (Patm)schommelt lichtjes met de weersomstandigheden, maar ligt steeds rond de 1,013 bar (in de metereologie spreken we van 1013 mbar of hPa).
In de praktijk nemen we als atmosferische druk 1 bar.
Dat de lucht een bepaalde massa bezit en een kracht kan uitoefenen, werd aangetoond door de proefvan Torricelli, uitgevoerd op zeeniveau en op 45° Noorderbreedte.
![]() | Een glazen buis aan één zijde gesloten, werd volledig gevuld met kwik en met zijn open uiteinde in een kwikbad gedompeld. Het kwik daalde in de buis tot er een kwikzuil overbleef van 760 mm (76 cm hoogte). Men kon dus aannemen dat de druk, uigeoefend door de massa kwik in de buis, in evenwicht stond met de druk uitgeoefend door de atmosfeer op het oppervlak van het kwikbad. Vandaar de vroegere eenheid in mm of cm kwikkolom, die op de meeste barometers nog vermeld is. Dezelfde proef zou men met water kunnen uitvoeren: in een glazen buis zou men dan een waterzuil van 10 m krijgen. |
Dit alles op voorwaarde dat de proef op zeeniveau plaatsgrijpt. Op hogere plaatsen van het aardoppervlak zal de kwikkolom steeds minder hoog stijgen.
De atmosferische druk verandert met de weersomstandigheden en vermindert vooral met de hoogte, om tenslotte de nul-waarde te benaderen aan de uiterste grens van onze atmosfeer.
Aldus zal op 5.000 m boven de zeespiegel de atmosferische druk nog 0,5 bar bedragen.
| Grosso modo mag men aannemen dat de atmosferische druk met 0,1 bar vermindert
per 1.000 m hoogte (geldig tot 5.000 m). Dit is belangrijk voor het duiken in bergmeren, waarover in een later stadium uitgebreid zal gesproken worden. |
| Een druk uitgeoefend op een deel van een vloeistof, plant zich in alle richtingen voort met dezelfde grootte. |
1 | |
2 | |
3 | |
4 | |
5 | |
6 | |
7 | |
8 | |
9 | |
10 | |
11 | |
12 |
Als een duiker afdaalt , zal en pijngevoel in zijn oren hem waarschuwen dat de waterdruk op zijn lichaam verhoogt.
Verdelen we, in onze verbeelding, een watermassa in rust in verschillende lagen die boven elkaar liggen, dan heeft elk van deze lagen een bepaald gewicht. Door dat gewicht oefent elke laag een druk uit op de daaronder liggende lagen. De onderste lagen zullen het gewicht dragen van de daarboven liggende.
Hieruit kunnen we besluiten:
Hoe dieper men in de vloeistof afdaalt, hoe meer lagen er op elkaar gestapeld liggen en hoe groter het gewicht van de lagen wordt
Deze druk wordt deHYDROSTATISCHEofRELATIEVE DRUK (Prel)genoemd.
Berekening hydrostatische (relatieve) druk
Om de hydrostatische druk op een zekere diepte te berekenen, vermenigvuldigt men het gewicht van 1m³ van de vloeistof (water) met de diepte in meter.
Voor zuiver water geeft dat:
10.000N/m³ x 10m = 100.000N/m² = 100.000Pa = 1 bar
Vermits op alle vloeistoffen op zeeniveau een atmosferische druk van 1 bar wordt uitgeoefend, volgt daaruit dat de échte druk onder water wordt gevonden door de hydrostatische druk (of relatieve) druk met de atmosferische druk te vermeerderen.
Practisch komt het erop neer dat we alle hydrostatische drukken met 1 bar moeten verhogen.
Deze werkelijke druk wordt deABSOLUTE DRUK (Pabs)genoemd.
Diepte | Rel.druk | + | Atm.druk | = | Abs.druk | |
0 m | 0,0 bar | + | 1 bar | = | 1,0 bar | |
10 m | 1,0 bar | + | 1 bar | = | 2,0 bar | |
15 m | 1,5 bar | + | 1 bar | = | 2,5 bar | |
30 m | 3,0 bar | + | 1 bar | = | 4,0 bar | |
90 m | 9,0 bar | + | 1 bar | = | 10,0 bar | |
Op -60m diepte ondervinden wij dus een totale kracht van
7bar x 1,5m²=700.000N/m² x 1,5m = 1.050.000N
Wat overeenkomt met het gewicht van een massa van 105.000 kg of 105 ton!
Voorbeeld: - Van 0 m naar -10m:
van 1 bar naar 2 bar : 2 bar / 1 bar = 2,000
- Van -30 m naar -40m:
van 4 bar naar 5 bar : 5 bar / 4 bar = 1,250
- Van -80 m naar -90m:
van 9 bar naar 10 bar : 10 bar / 9 bar = 1,111
| diepte | hydrostatische druk |
|---|---|
| -3m | 0,3bar |
| -10m | 1bar |
| -21m | 2,1bar |
| -45m | 4,5bar |
| -11034m | 1103,4bar |
| druk | absolute druk op | relatieve druk op |
|---|---|---|
| 1bar | 0m | -10m |
| 1,6bar | -6m | -16m |
| 2,16bar | -11,6m | -21,6m |
| diepte | hydrostatisch druk in zoet water | hydrostatische druk in zout water |
|---|---|---|
| -10m | 1bar | 1,025bar |
verschil van 2,5% | ||
![]() |
Wanneer we een lichaam (bv. Nevenstaande kubus) onderdompelen, dan zal de vloeistof op de vlakken van de kubus een druk uitoefenen (de hydrostatische druk).
De grootte van de druk en dus ook de grootte van de kracht die de vloeistof op een vlak uitoefent, hangt af van de diepte.
Vermits de verticale zijden even diep liggen en tegenover elkaar staan, zullen de krachten die daar op uitgeoefend worden, elkaar opheffen.
Omdat het ondervlak dieper ligt, is de kracht die daarop uitgeoefend wordt groter. Er is dus een naar boven gericht krachtoverschot dat weopwaartse stuwkrachtnoemen.
Men heeft gemeten dat de grootte van de opwaartse stuwkracht gelijk is aan het gewicht van de verplaatste vloeistof.
| Een lichaam, ondergedompeld in een vloeistof, ondergaat een opwaartse stuwkracht gelijk aan het gewicht van de verplaatste vloeistof. |
Een lichaam, ondergedompeld in een vloeistof, blijft zijn gewoon gewicht behouden. Op zulk lichaam werken dus twee tegengesteld gerichte krachten en de beweging van het lichaam zal afhangen van hun grootte.
| ZINKEN | de opwaartse stuwkracht is kleiner dan het gewicht |
|---|---|
| ZWEVEN | de opwaartse stuwkracht is gelijk aan het gewicht |
| STIJGEN | de opwaartse stuwkracht is groter dan het gewicht |
| DRIJVEN | een stijgend lichaam zal aan de oppervlakte komen en gaan drijven; dan is de
opwaartse Stuwkracht, die geleverd wordt door het nog ondergedompelde deel, gelijk aan het Gewicht. |
Gelijke volumes van verschillende stoffen hebben een verschillend gewicht en dus ook een verschillende massa.
De dichtheid van een stof is de massa van de stof gedeeld door zijn volume.
| m | m | = | massa in kg | ||
| Dichtheid = | V | = | volume in m³ | ||
| V | Eenheid | = | kg/m3 |
| Dichtheid (soortelijk gewicht) | - Zoet water | 1000 | kg/m³ | = | 1,000kg/l |
| - Zout water | 1025 | kg/m³ | = | 1,025kg/l | |
| - Kwik | 13600 | kg/m³ | = | 13,6kg/dm³ | |
| - Lood | 11300 | kg/m³ | = | 11,3kg/dm³ | |
| - Lucht | 1,29 | kg/m³ | = | 0,00129kg/m³ |
Als een duiker zich uitgetrimd heeft op een zekere diepte en nadien ongecontroleerd gaat stijgen, zal de lucht in het reddingsvest steeds meer in volume toenemen, waardoor de opwaartse stuwkracht de duiker en gevaarlijk grote snelheid zal geven (gevaar voor longoverdruk en decompressie-ongeval).