De kans op duikongevallen is groter wanneer duikers van een verschillende nationaliteit en duikopleiding samen duiken.
De kans tot zulke ongevallen is vooral groot in de internationale duikcentra, vakantieoorden en bij de uitvoering van wetenschappelijke projecten.
De internationale duikvoorschriften zijn ontworpen om de communicatie te vergemakkelijken en in de mate van het mogelijke de risico’s van misverstanden te vermijden.
Het naleven van deze voorschriften is bijzonder aanbevolen aan duikers die veel in de vreemde vertoeven of die dikwijls buitenlandse duikers op bezoek krijgen.
Alle duikers dienen vertrouwd te zijn met de C.M.A.S. duiktekens.
Het zijn deze tekens die moeten gebruikt worden bij alle onderwateraktiviteiten. Aanvullende tekens, voortvloeiend uit de omstandigheden bij bepaalde duiken moeten op voorhand klaar en duidelijk met de mededuikers afgesproken worden.
Alle tekens moeten door de duiker beantwoord worden.
2.1. Er wordt sterk op aangedrongen dat elke duiker over een reddingsvest beschikt dat hem een positieve vlotbaarheid verzekert, zowel aan de oppervlakte als tijdens de duik en waarvan het gebruik ingeoefend werd.
2.2. Instructeurs, die verantwoordelijk zijn voor een duikploeg, moeten over een reddingsvest beschikken.
2.3. Men mag geen lucht verspillen om zich in evenwicht te brengen met het reddingsvest daar men deze lucht eventueel in noodgevallen dringend nodig heeft.
3.1. Duikers met droge pakken moeten er zich van vergewissen dat de mededuikers van hun ploeg het gebruik en de plaats van de vul- en ontluchtingskleppen van hun duikpak kennen.
3.2. Duikers met droge pakken moeten niet denken dat de aanbevelingen onder 2.1. voor hen niet van toepassing zijn.
4.1. Elke duiker of instructeur die een duikuitrusting met 2 ontspanners bezit legt aan de leden van zijn duikploeg de werking en het gebruik van zijn tweede ontspanner uit. (voor eventuele noodsituaties)
4.2. Het gebruik van deze tweede ontspanner, door een mededuiker, moet logischerwijze voorafgegaan worden door het teken "ik ben in luchtnood".
4.3. Een uitrusting met twee ontspanners wordt ten zeerste aan de instructeurs en ploegleiders aanbevolen.
5.1. Indien er geen duiker met 2 ontspanners in de omgeving is zal een duiker, in luchtnood, zich tot de dichtsbijzijnde duiker wenden. Indien mogelijk wendt hij zich tot de ploegleider.
5.2. Deze laatste biedt onmiddellijk zijn mondstuk aan, waarna beide duikers zich aan elkaar stevig vastgrijpen en mondstuk wisselen. Men ademt 2 à 3 maal per beurt.
5.3. Wanneer het ademritme vastligt stijgen beide duikers met de voorgeschreven snelheid naar de oppervlakte.
5.4. Is de duiker in moeilijkheden, niet bij machte met eigen middelen op te stijgen, zal de begeleidende duiker de redding en opstijging verzekeren door het reddingsvest van het slachtoffer te gebruiken. De redder houdt het slachtoffer stevig vast en verzekert de gecontroleerde opstijging met de ontluchtingsklep van het reddingsvest.
6.1. Een duikploeg bestaat minstens uit 2 leden. Eén van beiden is ploegleider.
6.2. In een ploeg van 2 duikers, is elke duiker verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn mededuiker en neemt deze zijn verantwoordelijkheid op in geval van nood. Dit noemt men het "Buddy-systeem".
6.3. Bij goede zichtbaarder mag het aantal ploegleden uitgebreid worden, rekening houdend met de controlemogelijkheden van de ploegleider of de instructeur.
In dit geval krijgt ieder duiker een mededuiker als partner toegewezen zodat ze beiden als een zelfstandig onderdeel van de grotere groep fungeren.
Is de ploegbezetting onpaar dan heeft de ploegleider geen "buddy" zodat hij zich volledig aan de ploegleiding en -veiligheid kan wijden.
7.1. Vooraleer de boot te verlaten moeten alle duikers de afspraken i.v.m. het oppikken en aan boord komen kennen.
7.2. Men spreekt op voorhand af over het al dan niet ankeren van de grote boot en de eventuele bijstand aan de duikers door de bijboot.
Noodseinen moeten op voorhand klaar en duidelijk bepaald worden.
7.3. Bij problemen, dus geen noodgeval, kan het "O.K." teken, onmiddellijk gevolgd door het oproepsein voor de boot (met de arm zwaaien) gegeven worden. Alle andere vormen van seinen of het ontbreken ervan zal als noodsein worden aanzien en onmiddellijke noodmaatregelen inleiden.
7.4. De boot wordt nooit achtergelaten zonder een bevoegd persoon aan boord.
8.1. Vooraleer de duik te beginnen bepalen de duikers de criteria tot het beëindigen van de duik
d.w.z.: een bepaalde tijdsduur, een bepaalde diepte, het ogenblik dat één van de deelnemers reserve trekt of nog andere voorzienbare factoren.
Men moet eventueel de duik beëdigen wanneer één van de "buddy’s" zich onbehaaglijk voelt. In dit geval moet het "paar" samen naar de oppervlakte. De beslissing om de volledige ploeg al dan niet te laten opstijgen ligt bij de ploegleider.
8.2. Wanneer de twee duikers van een "buddy-paar" mekaar uit het oog verliezen, zullen ze mekaar hoogstens 30 sec. in de diepte zoeken, waarna ze naar de oppervlakte gaan om mekaar weer te vinden. Na zulk een gebeuren beslist de ploegleider over het al dan niet verder zetten van de duik.