
Brevet 3* Duiker
Een 3*D moet in staat zijn
"zelfstandig" te duiken. Hij moet tevens in staat zijn duiken te leiden
die geen uitzonderlijke moeilijkheidsgraad hebben (bv. geen duiken met
volslagen beginnelingen, geen ijsduiken, ...) Hierbij moet hij alle
veiligheidsmaatregelen kunnen treffen, alle duikongevallen kunnen
herkennen en er gepast op kunnen reageren.
- Lid zijn van een NELOS-club.
- Medisch geschikt zijn.
- Minimum leeftijd: 16 jaar.
- 6 maand 2*D zijn.
- In het totaal gedaan hebben:
- 40
duiken tussen 10 en 30 meter
- 25 duiken op minstens 30 meter. - Minstens 60 duiken gedaan
hebben.
- Minstens 30 duikuren hebben.
- 4 duiken in Zeeland of in een ander
getijdewater met beperkte zichtbaarheid.
- 4 duiken vanaf een boot.
- Cumulatie van deze duiken is
toegelaten.
1. Zonder
toestel:- Eendenduik en tweemaal masker
ledigen.
- Rechts sprong van de kant en 25 m
onder water afleggen.
- 45 sec. stilstaande apnea.
2. Met toestel:
- Gecombineerde proef.
- Ster met 4 duikers.
- 4 maal 15 meter tussen 2
toestellen.
Zonder
toestel- Eendenduik en tweemaal masker
ledigen
Met volledige ABC-uitrusting plooit de kandidaat het
bovenlichaam in een korte krachtige beweging 90° voorwaarts,
onmiddellijk daarop worden de benen naast elkaar gestrekt in het
verlengde van het bovenlichaam. Door het gewicht van de benen zinkt de
kandidaat verticaal, zonder over te slaan, te spatten of schuin te gaan.
Eens helemaal onder, zwemt de kandidaat richting bodem. Op de bodem, in
een stabiele houding, laat de kandidaat zijn masker geheel vollopen door
dit langs boven van het aangezicht te lichten, of helemaal af te nemen.
Vervolgens blaast hij langs de neus het masker helemaal leeg. Stijl en
techniek zijn vrij, maar het masker moet wel helemaal leeg zijn. Dan
nogmaals leeg blazen. - Rechte sprong van de kant en
25 m onder water afleggen
De kandidaat staat met complete
ABC-uitrusting aan, op de rand van het zwembad, recht vooruit kijkend.
Hij houdt met één hand zijn masker vast, met de andere hand de
loodgordel. Hij springt verticaal met de punten van de vinnen lichtjes
opwaarts gericht. De "sprong" is eigenlijk meer een voorwaartse stap.
(Indien het water op hetzelfde niveau als de kant staat, wordt er bij
voorkeur van een startblok gesprongen). Op ± 50 cm van de bodem legt de
kandidaat 25 m onder water af. Armen worden niet gebruikt als zwemhulp.
Zij mogen naast het lichaam of gestrekt voorwaarts gericht zijn. Op het
einde van het parcours keert de kandidaat zich op de rug, legt de
loodgordel af en stijgt op. - 45 sec. stilstaande
apnea
De kandidaat laat zich verticaal naar de bodem zakken
en plaatst zich in een stabiele houding, zonder nochtans tegen de muur
te leunen. Hij houdt met één hand aan de gesp van de loodgordel, klaar
om deze af te werpen, de andere hand boven het hoofd (hand mag niet op
het hoofd rusten); hij kijkt naar zijn instructeur. Op het einde van de
proef en op teken van de jury, wordt de loodgordel afgenomen en op de
bodem gelegd. Tijdens het opstijgen wordt naar de oppervlakte
rondgekeken voor mogelijk oppervlaktegevaar. Er wordt lucht uitgeademd
tijdens de opstijging. (Later wordt de loodgordel terug
opgehaald).
Met
toestel
- Gecombineerde
oefening
- Rolsprong van de kant:
De kandidaat met
volledige uitrusting, ontspanner in de mond. Hij houdt met één hand zijn
masker, met de andere hand zijn fles vast. In een voorwaartse koprol
komt hij met zijn fles eerst in het water.
- 15 m in apnea
afleggen:
Na de rolsprong neemt de kandidaat onder water het mondstuk
uit, maar houdt het in de hand, zodanig dat het niet bruist. Hij legt
vervolgens 15 m onder water af. Armen worden niet gebruikt als
zwemhulp.
- 15 m onder water zonder masker:
De kandidaat steekt de
ontspanner in de mond en neemt het masker volledig af. Hij houdt dit in
de hand en legt onder water een afstand van 15 m af, zodanig dat hij
terug komt in het diepe gedeelte van het zwembad
- 6 maal masker
ledigen in één minuut:
Hij zet zijn masker op en blaast het leeg,
zoals beschreven in het 1-stersbrevet. Dit doet hij zes maal na
elkaar.
Telkens na het O.K.-teken van de controlerende jury, laat hij
het masker terug vollopen, door dit langs boven van het aangezicht te
lichten, of helemaal af te nemen. De maximum tijd bedraagt één minuut.
Het aantal ademhalingen is vrij.
- Toestel afleggen op de bodem
De
kandidaat zet zich stabiel op de bodem, op één of twee knieën. Hij
maakt, volgens model van draagriem, de buik- of tussenbeenriem los. Hij
buigt met gekromde rug sterk voorover en neemt met beide handen, over
het hoofd heen, het toestel vast, tilt het op en draait het met een
kringbeweging voorwaarts. Hij legt het toestel voorzichtig vóór zich op
de bodem, neemt het mondstuk uit de mond, draait vervolgens de kraan
dicht en controleert of de kraan wel degelijk dicht is (op de knop
drukken), legt voorzichtig het mondstuk op de bodem en stijgt op.
Hierbij wordt duidelijk lucht uitgeblazen.
Nota: Het toestel mag ook
zijdelings uitgedaan worden zoals het afnemen van een rugzak (niet met
ééntraps- of andere ontspanners met twee darmen). - Ster met 4
duikers
Vertrek met 4 van tegen de muur in het water.
Eén
kandidaat (aangeduid door de jury) vertrekt met een eendeduik naar de
fles, op de bodem in het diepe gedeelte.
De fles is uitgerust met een
tweetrapsontspanner.
De 3 anderen leggen zich in kring aan de
oppervlakte, boven het toestel. De eerste bovengekomen luchtbel is het
teken dat de anderen samen, met een eendeduik naar beneden gaan. Zij
leggen zich in formatie rond het toestel. De positie op de bodem: plat
op de bodem, benen lichtjes gespreid, armen gekruist, ellebogen steunen
op de grond.
Mondstuk nemen: de tweede trap in één hand nemen,
mondstuk in de mond steken en uitademen door de ontspanner. Er mag
slechts éénmaal per keer geademd worden. Het bovenlichaam mag eventueel
lichtjes vlotten bij inademing, maar de voeten moeten steeds de grond
blijven raken. Alleen diegene die ademt heeft de fles vast.
Het
doorgeven van het duikapparaat aan de buurman, gebeurt door de tweede
trap op de eerste trap te plaatsen, de fles draait in de richting van de
wijzers van een uurwerk. Na het doorgeven van de fles, de initiële
positie innemen (indien nodig, een weinig uitademen). De duur van de
proef is 5 min, de jury duidt het einde aan. De kraan dichtdraaien: door
de kandidaat die als eerste naar beneden ging of op aanwijzing van de
jury.
Mondstuk uit de mond nemen, kraan dichtdraaien en nagaan of de
kraan ook werkelijk dicht is. De tweede trap op de bodem leggen. Het
teken van opstijgen geven, samen opstijgen, naar de oppervlakte kijken,
uitademen bij het opstijgen, één arm gestrekt omhoog. O.K.-teken maken
aan de oppervlakte. - 4 maal 15 m tussen 2
toestellen
De kandidaat vertrekt van de kant van het diepe
gedeelte, met rechte voorwaartse sprong (ABC-uitrusting). Hij blijft na
de sprong onder water en zwemt eerst naar de fles, die op 15 m afstand
ligt.
Hij neemt het mondstuk met één hand, opent de kraan, steekt het
mondstuk in de mond en ademt uit door de ontspanner. Vanaf het ogenblik
dat de kandidaat het mondstuk in de mond heeft, beginnen de 20 sec. te
lopen.
De jury telt duidelijk zichtbaar voor de kandidaat af, d.w.z.
5 sec. duim (één), 10 sec . = wijsvinger erbij (twee), 15 sec. =
middenvinger erbij (drie).
Vanaf dat ogenblik mag de kandiaat nog één
keer inademen. Hij neemt het mondstuk uit de mond, draait de kraan
dicht, controleert of de kraan ook werkelijk dicht is (druk aflaten).
Hij draait (links of rechts naar keuze) zonder evenwel de fles te raken
en zwemt naar de tegenoverliggende fles. Bij de 4de keer moet hij, na
teken van de jury, uitademend opstijgen.
Een 3*D
moet:- Een elementair inzicht hebben in de
structuur en de brevetten van de federatie (2 liga's). Hij moet
bovendien de belangrijkste voordelen van de aansluiting bij een club,
aangesloten bij de liga, kennen (verzekering/CMAS-erkenning van de
brevetten e.d.)
- De mechanismen van de bloedsomloop en
van de ademhaling in verband kunnen brengen met de duiksport.
- De bouw van het menselijk oor kennen
(zonder details) en de drukveranderingen die het ondergaat tijdens het
duiken (equilibreren).
- De samenstelling en het gewicht van
lucht kennen (20-80) en de rol van de gassen bij de
stofwisseling.
- Eenvoudige berekeningen kunnen maken
met het begrip druk.
- De wet van boyle & Mariotte
kennen en begrijpen en alle courante toepassingen ervan in de duiksport
kunnen verklaren.
- De wet van Archimedes kennen en
begrijpen en alle courante toepassingen ervan in de duiksport kunnen
verklaren.
- De wet van Henry kennen en de
verbanden tussen deze wet en het decompressieongeval inzien.
- De wet van Dalton kennen en begrijpen
(kennis bezitten van het begrip partiële druk).
- Weten dat er uitfiltering van kleuren
is in water en dat alle objecten groter en dichterbij lijken dan zij
zijn.
- Het gedrag van geluidsgolven onder
water kennen alsook de gevaren ervan tijdens het duiken inzien.
- Het mechanisme van de hyperventilatie
kennen en begrijpen alsook de gevaren ervan.
- Het principe van longoverdruk kennen
en begrijpen, de symptomen kunnen herkennen en de levensnoodzakelijke
acties kunnen ondernemen.
- Het principe van duikkolieken kennen
en begrijpen, de symptomen kunnen herkennen en de noodzakelijke acties
kunnen ondernemen.
- Het principe van squeeze kennen, de
symptomen kunnen herkennen, het kunnen voorkomen en de behandeling
kunnen toepassen.
- Elementaire kennis bezitten van
hyperoxie. (weten dat er een toxisch effect bestaat van 02 onder
druk).
- Inzien hoe een decompressieongeval
ontstaat; de symptomen kennen, de levensnoodzakelijke acties kunnen
ondernemen en de behandeling kennen.
- De bezwarende factoren van het
decompressieongeval kennen.
- Het verschijnsel dronkenschap der
diepte kennen en begrijpen; in staat zijn om symptomen en voortekenen
tijdens de duik te onderscheiden en er gepast op te reageren.
- Elementaire kennis bezitten van CO-
en CO2 vergiftigingen.
- De principes van verdrinking kennen
en begrijpen (uitgestelde verdrinking ...)
- In staat zijn een reanimatie uit te
voeren ( mond aan mond-beademing en hartmassage).
- De oorzaak van het buiten adem zijn
kennen en de gepaste reacties vertonen.
- De gevaren van de vrije duik kennen
en begrijpen en weten hoe ze te voorkomen.
- Kennis hebben van de belangrijkste
vermeldingen op de duiktoestellen en de wettelijke bepalingen.
- Elementaire kennis bezitten van het
werkingsprincipe van de mondontspanner.
- Het praktisch gebruik en onderhoud
van het courante duikmaterieel kunnen uitvoeren (ontspanner,
dieptemeter, trim - en reddingsvest, kompas, kranen, lamp, duikpak,
duikmanometer) enz.
- Het gebruik van de tabel voor
enkelvoudige duiken en de tabel voor opeenvolgende duiken kunnen
toepassen (incl. duiken met inspanning).
- Kennis bezitten van de
uitzonderingsrgels en de andere gebruiksregels.
- In staat zijn als duikleider een
briefing te geven, voor de courante duiken in zijn regio.
- De functie van rangsluiter kunnen
waarnemen.
- Inzicht hebben in de organisatie van
een duik.
- Inzicht hebben in de organisatie van
een duik met een boot.
- Zeekaart en getijdetabel kunnen
gebruiken.
De proeven op 30 m mogen pas afgelegd worden na het behalen van de vereiste 25 duiken in zone(30).- C1 1000 m palmen
- C2 Opstijgen van zone(30) aan 10 m/min + OSB
- C3 Redding van zone(10) tot 0 m + 100 m + slepen + CPR + O2
- C4 Zone(30): statische wisselademhaling + stijgen op 2de ontspanner naar opp.
- C5 Redding van zone(30) tot 10m
- Schriftelijk theoretisch
examen.
- Jury samengesteld uit minstens
1*I.
- Alle duikers vanaf 2*D.
- Uitzondering: ook met een 1*D, indien
deze minstens 15 duiken gedaan heeft.
Uit:Website NELOS