
Brevet 2* Duiker
Een 2*D :- heeft enige onderwater ervaring opgedaan.
- kan manifeste duikongevallen herkennen en er adequaat op te reageren.
- is in staat onder leiding van een ervaren duiker alle recreatieve duiken uit
te voeren, hij moet kunnen functioneren
- volgens het buddy-systeem van de CMAS.
- kan als duikleider fungeren bij eenvoudige duiken.
- Lid zijn van een NELOS-club.
- 1*D zijn
- Medisch geschikt zijn.
- Minimum leeftijd: 14 jaar.
1. Zonder
toestel:- 200 m zwemmen
- Rechte sprong van de kant en 20 m
onder water afleggen
- Eendenduik en éénmaal masker
ledigen
- 30 sec stilstaande apnea
2. Met
toestel:
- Gecombineerde proef
- 4 maal 10 m tussen 2
toestellen
- 30 m met 2 op één toestel
- Proef met trimvest en 2de ontspanner
Zonder
toestel- 200 m zwemmen
De
200 m worden afgelegd in een door de kandidaat gekozen stijl, zonder
onderbreking. Geen uitrusting toegelaten. Geen tijdslimiet. - Rechte sprong van de kant en
18 m onder water afleggen.
De kandidaat staat met complete
ABC-uitrusting aan, op de rand van het zwembad, recht vooruit kijkend.
Hij houdt met één hand zijn masker vast, met de andere hand de
loodgordel. Hij springt verticaal met de punten van de vinnen lichtjes
opwaarts gericht. De "sprong" is eigenlijk meer een voorwaartse stap.
(Indien het water op hetzelfde niveau als de kant staat, wordt er bij
voor keur van een startblok gesprongen).
Op ± 50 cm van de bodem,
legt de kandidaat 18 m onder water af. Armen worden niet gebruikt als
zwemhulp. Zij mogen naast het lichaam of gestrekt voorwaarts gericht
zijn.
Op het einde van het parcours keert de kandidaat zich op de
rug, legt de loodgordel af en stijgt op. - Eendenduik en éénmaal masker
ledigen
Met volledige ABC-uitrusting plooit de kandidaat het
bovenlichaam in een korte krachtige beweging 900 voorwaarts,
onmiddellijk daarop worden de benen naast elkaar gestrekt in het
verlengde van het bovenlichaam. Door het gewicht van de benen zinkt de
kandidaat verticaal, zonder over te slaan, te spatten of schuin te gaan.
Eens helemaal onder, zwemt de kandidaat richting bodem.
Op de bodem,
in een stabiele houding, laat de kandidaat zijn masker geheel vollopen
door dit langs boven van het aangezicht te lichten, of helemaal af te
nemen. Vervolgens blaast hij langs de neus het masker helemaal leeg.
Stijl en techniek zijn vrij, maar het masker moet wel helemaal leeg
zijn. - 30 sec. stilstaande
apnea
De kandidaat laat zich verticaal naar de bodem zakken
en plaatst zich in een stabiele houding, zonder nochtans tegen de muur
te leunen. Hij houdt één hand aan de gesp van de loodgordel, klaar om
deze af te werpen, de andere hand boven het hoofd (hand mag niet op het
hoofd rusten); hij kijkt naar zijn instructeur. Op het einde van de
proef en op teken van de jury, wordt de loodgordel afgenomen en op de
bodem gelegd. Tijdens het opstijgen wordt naar de oppervlakte
rondgekeken voor mogelijk oppervlaktegevaar. Er wordt lucht uitgeademd
tijdens de opstijging. (Later wordt de loodgordel terug
opgehaald)
Met
toestel
- Gecombineerde
proef
Na het controleren van het materieel, equipeert de
kandidaat zich volledig. Het lood mag aangepast worden aan de gebruikte
uitrusting (tijdens de opleiding werd onderwezen hoe men korrekt is
uitgelood).
De kandidaat plaatst zich op de rand van het zwembad, met
de rug naar het water. Hij houdt met één hand het masker, met de andere
hand de fles vast, mondstuk in de mond. Bij het O.K.-teken maakt hij een
achterwaartse val, waarbij de fles horizontaal op het water terecht
komt. Hij maakt terug oppervlakte, neemt de ontspanner uit de mond en
verwisselt deze met de snorkel. Daarna legt hij, aan de oppervlakte, een
afstand af van 50 m, zonder onderbreking. Boven het diepe gedeelte
verwisselt hij terug snorkel met ontspanner, maakt een eendeduik en
neemt een stabiele houding aan.
Hij neemt het masker af en ademt
driemaal, dan plaatst hij het masker terug op en blaast het driemaal na
elkaar leeg (hij mag ademen tussen het leegblazen). Vervolgens, en op
teken van de jury: "ik heb geen lucht meer", wisselt hij driemaal van
mondstuk met de jury.
Op teken van de jury stijgt hij langzaam terug
naar de oppervlakte al rondkijkend, zwemt met ontspanner nog 25 m tot
aan de rand van het zwembad in het diepe gedeelte. Geeft dan in
volgorde, zonder zich vast te houden of ergens te steunen, eerst zijn
loodgordel, daarna het duiktoestel aan iemand die op de kant helpt. De
wijze waarop het toestel uitgedaan wordt, hangt af van het
bevestigingssysteem. Het toestel wordt aangeboden met het handvat of met
de draagriem, gericht naar de helper (nooit met de
tussenbeenriem). - 4 maal 10 m tussen twee
toestellen.
De kandidaat vertrekt van de kant van het diepe
gedeelte, met rechte voorwaartse sprong (ABC-uitrusting). Hij blijft na
de sprong onder water en zwemt eerst naar de fles, die op 10 m afstand
ligt.
Hij neemt het mondstuk met één hand, opent de kraan, steekt het
mondstuk in de mond en ademt uit door de ontspanner. Vanaf het ogenblik
dat de kandidaat het mondstuk in de mond heeft, beginnen de 20 sec. te
lopen.
De jury telt duidelijk zichtbaar voor de kandidaat af, d.w.z.
5 sec. duim (één), 10 sec. = wijsvinger erbij (twee), 15 sec. =
middenvinger erbij (drie)
Vanaf dat ogenblik mag de kandidaat nog één
keer inademen. Hij neemt het mondstuk uit de mond, draait de kraan
dicht, controleert of de kraan ook werkelijk dicht is (druk aflaten).
Hij draait (links of rechts naar keuze) zonder evenwel de fles te raken
en zwemt naar de tegenoverliggende fles. Bij de 4de keer moet hij, na
teken van de jury, uitademend opstijgen. - 30 m met 2 op één
toestel
De kandidaten hebben elk een eigen toestel met 2
traps-mondontspanner op de rug.
Na een rechte voorwaartse sprong,
vertrekken de twee kandidaten samen met een eendeduik. Duiker A maakt
het teken "ik heb geen lucht meer". Daarop grijpt duiker B hem bij de
arm (hij gebruikt zijn linkerhand indien zijn ontspanner rechts hangt,
en omgekeerd) en biedt het mondstuk goed zichtbaar aan met zijn vrije
hand. Duiker A neemt het mondstuk aan en steekt het zelf in zijn mond,
ademt maximaal driemaal en biedt het mondstuk opnieuw aan duiker B
aan.
Ze zwemmen horizontaal, zij aan zij, aangezicht naar elkaar
gericht, dit over een afstand van 15 m. Zonder oppervlakte te maken,
wordt nu hetzelfde herhaald met het mondstuk van duiker A, waarbij de
resterende 15 m. worden afgelegd.
Op het einde van het parcours nemen
de beide duikers hun eigen mondstuk terug en stijgen gezamenlijk naar de
oppervlakte.
Ontspanners met het uitlaatstuk aan de onderkant, mogen
uiteraard nooit ondersteboven aangeboden of -genomen worden. Het
mondstuk dat niet gebruikt wordt, mag niet over de bodem
slepen.
Indien mogelijk, wordt de gehele afstand onder water afgelegd
in het diepe gedeelte van het zwembad. - Proef met
reddingsvest
De proef wordt per paar uitgevoerd.
Duiker A
met duikfles en reddingsvest.
Duiker B wacht op de boord van het
zwembad aan de grootste diepte (ABC-uitrusting)
In het ondiepe
gedeelte, blaast duiker A zijn vest op en zwemt naar de grote diepte.
Daar laat hij zijn vest af en zinkt naar de bodem. Door middel van het
flesje of de inflator, blaast hij het reddingsvest geleidelijk op,
zodanig dat hij zonder vinbeweging zweeft (hij mag noch de oppervlakte,
noch de bodem raken).
Dan laat hij zich terug naar de bodem zakken.
Vervolgens stijgt hij gecontroleerd en blijft aan de oppervlakte
drijven.
Op dat ogenblik springt duiker B te water en sleept duiker A
met opgeblazen vest, over een afstand van minstens 25 meter.
Nadien
wisselt duiker A met B.
Drie elementaire duikleidingen (BL1,2,3)
Een 2*duiker
moet:- Een elementair inzicht hebben in de
structuur en de brevetten van de federatie (2 liga's). Hij moet
bovendien de belangrijkste voordelen van de aansluiting bij een club,
aangesloten bij de liga kennen, (verzekering/CMAS-erkenning van de
brevetten e.d.).
- Noties hebben van het mechanisme van
de bloedsomloop en van de manier waarop de ademhaling tot stand
komt.
- De bouw van het menselijk oor kennen
(zonder details) en de drukveranderingen die het ondergaat tijdens het
duiken (equilibreren).
- De samenstelling van lucht kennen
(20-80).
- De kennis bezitten van het begrip
druk :
- eenheid (bar)
- soorten (hydrostatisch / atmosferische /
absolute / relatieve) - Elementaire kennis bezitten van de
wet van Boyle & Mariotte en de toepassingen ervan in de
duiksport.
- Elementaire kennis bezitten van de
wet van Archimedes en zijn praktische toepassing ervan in de
duiksport.
- Kennis hebben van de invloed van de
druk op het oplossen van gassen in vloeistoffen.
- Weten dat er uitfiltering van kleuren
is in water en dat alle objecten groter en dichterbij lijken dan zij
zijn.
- Weten dat men onderwater de richting
van waaruit een geluid komt niet kan bepalen.
- Het hyperventilatiemechanisme en de
gevaren ervan kennen en begrijpen.
- Het principe van longoverdruk kennen,
de symptomen herkennen en de levensnoodzakelijke acties kunnen
ondernemen.
- Het principe van duikkolieken kennen,
de symptomen kunnen herkennen en de behandeling kunnen toepassen.
- Het principe van squeeze (masker en
duikpak) kennen, de symptomen herkennen, het kunnen voorkomen en de
behandeling kennen.
- Het mechanisme en de oorzaken van het
decompressieongeval kennen; de symptomen herkennen (zonder meer) en de
levensnoodzakelijke acties kunnen ondernemen.
- De bezwarende factoren van het
decompressieongeval kennen.
- Het principe van "dronkenschap der
diepte" (stikstofnarcose) kennen, in staat zijn om symptomen te kunnen
onderkennen en er gepast op te kunnen reageren.
- Oorzaken en symptomen van het buiten
adem zijn kennen en er gepast op kunnen reageren.
- De gevaren van de vrije duik kennen
en weten hoe ze te voorkomen.
- De techniek van de mond aan mond
beademing en de hartmassage kunnen toepassen (zonder meer).
- Grondige kennis bezitten van de
vereisten die aan het basismaterieel worden gesteld.
- De belangrijkste vermeldingen op de
duiktoestellen en de wettelijke bepalingen kennen.
- Praktisch gebruik en onderhoud van
het courante duikmaterieel kennen (ontspanner, dieptemeter, trimvest +
reddingsvest, kompas, kranen, lamp, duikpak, duikmanometer) enz.
- Het gebruik van de tabel voor
enkelvoudige duiken en de tabel voor opeenvolgende duiken kennen en dit
in frequent voorkomende en eenvoudige toepassingen.
- De uitzonderingsregels kennen.
- De verplichte duiktekens (CMAS)
kunnen toepassen.
- Weten hoe zich te gedragen tijdens de
duik (bv. op reserve gaan, verlies van de ploeg, plaats in de
ploeg).
- Weten wat de functies van de
rangsluiter zijn.
- Het gemiddeld luchtverbruik kunnen
berekenen.
- B1 500 m palmen (volledig geëquipeerd aan de oppervlakte zwemmen met snorkel).
- B2 Stijging van zone(13-15) tot aan de oppervlakte
- B3 Redding van zone(8-10) tot aan de oppervlakte – 50 m slepen – CPR - O2
- B4 Stijgen op 2de ontspanner van zone(13-15) naar de oppervlakte
- B1 500 meter snorkelen in
open water met volledige uitrusting
De kandidaat moet het
doel bereiken opdat hij van zijn eigen mogelijkheden overtuigd zou
zijn. Er is geen tijdslimiet, alhoewel een zeker ritme moet
gerespecteerd worden. (i.v.m. een veronderstelde stroming). De kadans
wordt aangegeven door de kandidaat en niet door de instructeur. De
instructeur let erop dat de kandidaat bij de aankomst in een toestand
verkeert die hem toelaat nog te duiken. De kandidaat gaat te water met
zijn gewone, volledige uitrusting. Het gebruik van een reddingsvest is
niet toegelaten. Deze proef mag gevolgd worden door een duik. - B2 In tegenstelling tot andere proeven, kan deze proef op het einde
van de duik (maar binnen de nultijd) worden afgenomen indien de
omstandigheden dit toelaten.
Op de startdiepte aangekomen geeft de instructeur het startteken.
De kandidaat begint onmiddellijk. Uiteraard is hij op dat ogenblik
uitgetrimd. Hij stoot zich af en probeert zo snel mogelijk een stabiele
stijgsnelheid (10 m / min) te bereiken. Gedurende de gehele
stijging stemt de kandidaat zijn palmbewegingen nauwkeurig op
het stijgvermogen van zijn vest af. Hij moet er uiteraard rekening
mee houden dat hij gaandeweg meer lucht uit zijn vest moet laten
ontsnappen. Dat doet hij het beste tijdig, zeer geleidelijk en met
korte stoten. - B3De 3 proevenonderdelen moeten kort na elkaar afgelegd worden,
en dit nagenoeg zonder tussenpauzen (dus geen uitgestelde
CPR).
Vanaf het ogenblik dat het slachtoffer boven water komt, mag zijn
mond of neus niet meer onder water komen.
De kandidaat dient dus alles in het werk te stellen om dat te voorkomen.
Hij mag zowel zijn trimvest als dat van het slachtoffer
volledig opblazen. Het trimvest van het slachtoffer wordt beter niet
helemaal opgeblazen om te vermijden dat de druk van het vest zijn
ademhalingsbewegingen hindert.
De kandidaat neemt het mondstuk uit de mond van het slachtoffer
en neemt eveneens diens masker af (of simuleert dat).
Hij houdt het hoofd van het slachtoffer continu in hyperstrekking.
Eens tegen de kant ontdoet hij (in het water en zonder tijdverlies)
zichzelf snel van eigen lood en persluchtcombinatie; vervolgens
ontdoet hij het slachtoffer van zijn lood en persluchtcombinatie, en
trekt het onmiddellijk op het droge. Indien nodig (te zwaar slachtoffer)
mag de kandidaat externe hulp inroepen of mag het slachtoffer
enigszins meewerken om beschadigingen aan het materieel te
vermijden. Het blijft steeds de bedoeling dat de kandidaat hier zelf
een leidende rol bij speelt.
Aansluitend voert de kandidaat de CPR uit; volgens de vigerende
reanimatie techniek bepaald door de Medische Commissie NELOS
(d.w.z. gesimuleerde hulpoproep, juiste handelingsvolgorde, accurate
en effectieve handelwijze, correcte beademing en hartmassage,
stabiele zijligging, enz…). Deze CPR gebeurt bij voorkeur op
een reanimatiepop. Indien deze pop niet beschikbaar is gebeurt
een simulatie die zo goed mogelijk de realiteit benadert waarbij de
hartmassage voldoende voorzichtig zal gebeuren (zie ook Opmerkingen).
Het is dus niet noodzakelijk dat de kandidaat deze CPR
uitvoert op een "levend" slachtoffer.
Vervolgens dient de kandidaat het slachtoffer normobare 02 toe.
Opmerking
Om zuurstofverspilling te vermijden mag de kraan van de fles, na
het bereiken van het gebruiksdebiet (ca 12 l/min); onmiddellijk
opnieuw worden gesloten. - B4 De proef begint op het teken van de instructeur.
De instructeur (duiker met gesimuleerd luchttekort) neemt op de
startdiepte het mondstuk uit de mond en doet teken dat hij geen
lucht meer heeft. De kandidaat reageert onmiddellijk:
Hij neemt de instructeur vast en biedt ogenblikkelijk zijn eigen
mondstuk aan – het mondstuk waar hij, de kandidaat, op ademde.
De instructeur ademt 3 maal (zie opmerkingen), neemt het mondstuk
uit de mond met de opening naar beneden en houdt het vlak
voor zijn mond. De kandidaat neemt op zijn beurt dit mondstuk,
steekt het in zijn mond, ademt bij voorkeur 1 maal en biedt het op
zijn beurt aan de instructeur aan.
Het mondstuk wordt zo enkele (3-tal) malen gewisseld. Zowel de
kandidaat als de controlerende instructeur ademen telkens bij
voorkeur 1 maal. Tijdens deze wisselademhaling maakt de kandidaat
zijn alternatieve luchtbron (2de ontspanner) los en checkt de
werking ervan.
Wanneer de 2de ontspanner gereed is voor gebruik, biedt de kandidaat
het mondstuk met de langste slang aan, aan de instructeur,
en neemt zelf het andere mondstuk. De wisselademhaling is gestopt,
beide duikers beschikken nu immers over een mondstuk
aangesloten op de duikfles van de kandidaat.
De kandidaat neemt een positie in t.o.v. de instructeur die vervolgens
een comfortabele opstijging mogelijk zal maken. De opstijging
begint op het teken van de kandidaat – dit betekent dat de
kandidaat zich ervan dient te overtuigen dat de opstijging probleemloos
zal kunnen verlopen.
Tijdens het stijgen:- is er geen wisselademhaling meer, beide duikers hebben elk
een mondstuk
- de duikers houden elkaar vast
- beide duikers bedienen correct hun eigen trimvest
- de kandidaat fungeert als duikleider en geeft de stijgsnelheid
(10 m/min) aan
- de instructeur houdt zich aan de stijgsnelheid, opgelegd
door de kandidaat, zonder zelf verbeteringen aan te brengen
of tegen te werken – hij dient uiteraard wel in te grijpen
wanneer de situatie uit de hand dreigt te lopen .
- de opstijging gebeurt tot aan de oppervlakte – vanaf 3m
echter mag de kandidaat langzamer stijgen, of er zelfs een
volle minuut blijven hangen.
- Mondeling of schriftelijk examen.
- Theorie examen wordt samengesteld en verbeterd door minstens een 1*I.
- Praktijkexamen wordt voorgezeten door minstens een 1*I.
- Homologatie na geslaagd te zijn in de
theoretische en zwembadproeven, alsook in de openwaterproeven en na een
totaal van 15 duiken gedaan te hebben.
- Onder begeleiding van minstens een 3*D: 30m
- Als duikleider van een andere 2*D: 20m
- Een 2*D mag als duikleider functioneren onder de volgende restricties:
- Elke duiker moet 18 jaar zijn.
- Elke duiker moet tenminste 3 duikleidingen gedaan hebben.
- Er is ten hoogste 1 mededuiker.
- Het mag geen bijzondere duik betreffen (zoals omschreven in het
veiligheidsreglement hoofdstuk “Bijzondere duiken”)
- De duikplaats moet hem/haar bekend zijn
- Bij een duik met beperkte zichtbaarheid en/of stroming (Zeeland en
steengroeven) moet een instructeur ter plekke
- zijn goedkeuring geven.
- Het mag geen decompressieduik zijn.
Uit:Website NELOS